Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.868
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202404206/1/V1

Bij ‘kennisgeving gewijzigde identiteitsgegevens’ (kennisgeving) van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel laten weten de geboortedatum van appellant te hebben gewijzigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4631
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202404206/1/V1

202503707/7/R1

Bij besluit van 13 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer [verzoeker sub 1] onder oplegging van een dwangsom gelast om bouwwerken en voorzieningen op het perceel [locatie] in Abbenes te verwijderen en verwijderd te houden en het strijdige gebruik op dat perceel te beëindigen en beëindigd te houden. Een toezichthouder van het college heeft op 2 april 2026 een controle uitgevoerd bij het pand aan de [locatie] in Abbenes. Op grond van deze rapportage heeft het college met het besluit van 19 mei 2026 twee dwangsommen van € 20.000,00, in totaal € 40.000,00, bij [verzoeker sub 1] ingevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat [verzoeker sub 1] niet tijdig heeft voldaan aan de last die is opgelegd bij het besluit van 13 juni 2024. [verzoeker sub 1] betoogt dat het college ten onrechte aan het invorderingsbesluit ten grondslag heeft gelegd dat hij geen uitvoering heeft gegeven aan de last, voor zover deze ziet op het ongeschikt maken van het bedrijfspand op de begane grond voor bewoning door alle voorzieningen te verwijderen en verwijderd te houden. De rechtbank heeft volgens hem namelijk in de uitspraak van 17 juni 2025 overwogen dat de bouw- en gebruiksbepalingen in het bestemmingsplan niet verbieden dat de begane grond als bedrijfswoning wordt ingericht. Dit betekent dat het besluit in zoverre is vernietigd, aldus [verzoeker sub 1].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4627
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202503707/7/R1

202602054/2/A3

Amstelkroon Vastgoed heeft de minister op grond van de Wet open overheid (Woo) verzocht om openbaarmaking van alle facturen die betrekking hebben op door advocaten, waaronder in ieder geval van het advocatenkantoor Pels Rijcken, en andere derden verrichte werkzaamheden ten behoeve van de staat en vier met naam genoemde personen. De minister heeft in het besluit van 19 februari 2024 meegedeeld dat acht documenten zijn aangetroffen en dat deze gedeeltelijk openbaar worden gemaakt. De minister heeft met toepassing van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder e en f, van de Woo geweigerd delen van deze documenten openbaar te maken. In het besluit van 26 september 2024 heeft de minister besloten om meer informatie uit de gevonden documenten openbaar te maken. De voorzieningenrechter bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister de informatie over de aard van de werkzaamheden niet feitelijk openbaar hoeft te maken voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4645
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202602054/2/A3

BRS.25.001598

Bij besluiten van 16 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4559
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001598

BRS.26.001430

Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4545
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001430

BRS.26.001910

Bij brief van 15 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant meegedeeld dat de rechten van de Richtlijn tijdelijke bescherming voor haar op 4 september 2025 stoppen, omdat de bevriezingsmaatregel eindigt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4552
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001910

BRS.26.002215

Bij besluit van 31 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4532
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002215

BRS.26.002471

Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4534
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002471

BRS.26.002786

Bij besluit van 22 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4536
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002786

BRS.26.003331

Bij besluit van 3 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4551
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003331

BRS.26.003486

De minister van Asiel en Migratie heeft appellant op 3 juni 2026 opgehouden voor verhoor.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4544
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003486

BRS.26.003575

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4560
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003575

BRS.26.003591

Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4564
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003591

BRS.26.003796

Bij besluit van 16 oktober 2024, aangevuld bij besluit van 17 oktober 2026, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4557
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003796

BRS.26.003801 en BRS.26.003802

Bij besluit van 21 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4640
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003801 en BRS.26.003802

BRS.26.003810

Bij besluit van 13 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4556
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003810

BRS.26.003829

Bij besluit van 3 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4554
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003829

BRS.26.003979

Bij besluit van 4 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4638
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003979

BRS.26.003985 en BRS.26.003986

Bij besluiten van 26 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4632
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003985 en BRS.26.003986

BRS.26.004095

Bij besluit van 26 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw niet-ontvankelijk verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4642
Datum uitspraak
6 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004095

202504600/1/V2

Bij besluit van 15 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Appellant heeft de Venezolaanse nationaliteit. Zij heeft aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd dat zij vreest voor de autoriteiten en de colectivos vanwege haar deelname aan een protestmars en de problemen die zij naar aanleiding daarvan heeft ondervonden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4563
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202504600/1/V2

202505217/2/V2

Bij besluit van 31 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Ook heeft hij ambtshalve geweigerd verzoeker een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4630
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202505217/2/V2

BRS.26.001445

Bij besluit van 25 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 19 november 2024 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4504
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001445

BRS.26.002158

Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4505
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002158

BRS.26.002762

Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 23 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 2 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4480
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002762

BRS.26.003271

Bij besluit van 15 augustus 2024 heeft de minister een aanvraag van appellant om verlenging van de geldigheidsduur van een aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Bij besluit van 21 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4483
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003271

BRS.26.003477 en BRS.26.003478

Bij besluit van 7 maart 2024, vervangen door het besluit van 7 augustus 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4514
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003477 en BRS.26.003478

BRS.26.003510

Bij besluit van 11 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4533
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003510

BRS.26.004049

Bij besluit van 23 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4620
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004049

202102888/1/R4

Bij besluit van 31 maart 2020 heeft de minister voor Milieu en Wonen aan [appellante] een last onder dwangsom opgelegd voor het in strijd met artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) zonder schriftelijke kennisgeving en toestemming overbrengen van partijen grond van Nederland naar Duitsland. [appellante] is sinds mei 2019 exploitant en eigenaar van een groeve in Havert, net over de grens in Duitsland. Uit de groeve wordt zand en grind gewonnen en de daardoor ontstane ruimte wordt vervolgens weer opgevuld met partijen grond die [appellante] ophaalt bij derden in Nederland. [appellante] betoogt dat zij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, in samenhang met artikel 2, onder 35, van de EVOA, niet heeft overtreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4601
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Afval
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202102888/1/R4

202104300/1/R2

Bij besluit van 26 mei 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Landerd het verzoek om een in twee fasen verleende omgevingsvergunning voor de activiteiten milieu en bouwen ten behoeve van het oprichten van een varkenshouderij aan de [locatie] in Zeeland (de varkenshouderij) in te trekken of te wijzigen, afgewezen. Deze zaak draait om een verzoek om de eerder verleende omgevingsvergunning van de varkenshouderij in te trekken of te wijzigen. [appellant A] is de exploitant van de varkenshouderij en maakt daarbij gebruik van een combiluchtwasser. Uit een onderzoek van de Wageningen University & Research (WUR) uit 2018 is gebleken dat combiluchtwassers een veel lager geurreductiepercentage hebben dan eerst werd aangenomen. Naar aanleiding van dit onderzoek is de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) gewijzigd. Het geurreductiepercentage van de combiluchtwasser BWL 2009.12.V4 is verlaagd van 85% naar 45% en de bijbehorende geuremissiefactoren zijn verhoogd. Het college is ervan uitgegaan dat op twee adressen in de directe omgeving van de varkenshouderij een geurbelasting zal optreden van meer dan 30 odour units per m3 (Ou/m3) (berekend met het toen geldige model V-stacks 2010). Volgens de verzoekers moet de omgevingsvergunning van de varkenshouderij worden ingetrokken of gewijzigd, omdat deze hoge geurbelasting een ontoelaatbaar milieugevolg is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4569
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • Vee e.a. dieren
  • uitspraakin de zaak202104300/1/R2
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202104300/1/R2

202200069/1/R4

Bij besluit van 25 november 2021 heeft de raad van de gemeente Nijkerk het bestemmingsplan "[locatie A], Nijkerk" (het plan) vastgesteld. Aan de [locatie A] in Nijkerk bevindt zich een agrarisch bouwperceel dat is opgedeeld in twee delen. Op het voorste gedeelte is een agrarisch bedrijf gevestigd, waaraan in het plan opnieuw een agrarische bestemming is toegekend. [bedrijf] exploiteren een houtzagerij en houthandel op het achterste en zuidelijk gelegen gedeelte van het agrarische bouwperceel. De bedrijfsactiviteiten van de houtzagerij en houthandel vinden plaats in een bestaande schuur van 1.250 m2 en gedeeltelijk op het onbebouwde terrein daarbuiten. Met het plan wordt de houtzagerij en houthandel als zodanig bestemd. [appellant sub 2] woont op de [locatie B] in Nijkerk op ongeveer 220 m ten zuidwesten van het plangebied. Hij ervaart overlast van met name geluid van de houtzagerij en houthandel. [appellante sub 1] exploiteert een houthandel op de [locatie C] in Hoevelaken, die op ongeveer 3 kilometer afstand van het plangebied ligt. Beide beroepen zijn alleen gericht tegen het plandeel met de bestemming "Bedrijf - Niet agrarisch". Volgens [appellant sub 2] en [appellante sub 1] hoort de houtzagerij en houthandel niet thuis in het buitengebied maar op een bedrijventerrein.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4608
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202200069/1/R4
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202200069/1/R4

202203982/1/R4

In deze uitspraak oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat het procedeerverbod voor overheden in de Crisis- en herstelwet niet in strijd is met het Verdrag van Aarhus. De staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat verleende omgevingsvergunningen voor een aardwarmte-installatie in Luttelgeest. Tegen die vergunning kwam het college van gedeputeerde staten van Overijssel eerder in beroep bij de rechtbank. Die oordeelde dat het procedeerverbod voor overheden dat is neergelegd in artikel 1.4 van de Crisis- en herstelwet, niet mocht worden toegepast omdat dat in strijd zou zijn met het Verdrag van Aarhus en het zogenoemde 'Varkens in Nood'-arrest van het Hof van Justitie in Luxemburg. Het college van gs was naar het oordeel van de rechtbank wel bevoegd om beroep in te stellen tegen de omgevingsvergunningen. De rechtbank vernietigde de vergunningen en droeg de staatssecretaris op om een nieuw besluit te nemen. De Afdeling bestuursrechtspraak komt in de uitspraak van vandaag tot de conclusie dat het procedeerverbod voor overheden uit de Crisis- en herstelwet niet in strijd is met het Verdrag van Aarhus. Uit dat verdrag volgt niet dat de toegang tot de rechter uitsluitend ziet op toegang tot de bestuursrechter. Het verdrag bepaalt weliswaar dat elke verdragspartij of lidstaat toegang tot een rechterlijke instantie moet waarborgen, maar laat de invulling daarvan verder aan de autonomie van die verdragspartij of lidstaat. Het college van gs kan zich ook wenden tot de civiele rechter en daarmee is naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak effectieve rechtsbescherming gewaarborgd. Ook het 'Varkens in Nood'-arrest en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 14 april 2021 leiden niet tot een ander oordeel. Zowel het arrest als de uitspraak ging over de beperking van het beroepsrecht op grond van artikel 6:13 Awb, niet over het procedeerverbod voor overheden op grond van artikel 1.4 van de Crisis- en herstelwet. Naar het oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak was het college van gedeputeerde staten dus niet bevoegd om bij de rechtbank in beroep te komen tegen de omgevingsvergunningen. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank, waarmee de vergunningen voor de aardwarmte-installatie 'herleven' en met deze uitspraak definitief zijn geworden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4577
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202203982/1/R4
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202203982/1/R4

202301742/1/R1

BACT B.V. heeft op grond van artikel 8:55f, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beroep ingesteld tegen het uitblijven van de bekendmaking van een volgens haar van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor de verbouw en uitbreiding van een bestaand gebouw op het perceel Mijnsherenweg 8 in De Kwakel. Op 19 augustus 2022 heeft BACT een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen en uitbreiden van het bestaande gebouw aan de Mijnsherenweg 8 in De Kwakel om daarin een datacenter te realiseren. Het gebouw was voorheen in gebruik als distributiecentrum en groothandel. Het perceel heeft in het bestemmingsplan "Landelijk gebied - Glastuinbouwgebied" de bestemming "Bedrijf". Bij brief van 13 oktober 2022 heeft het college aan BACT medegedeeld dat op haar aanvraag de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is en dat de beslistermijn in verband daarmee zes maanden bedraagt. BACT heeft op 30 december 2022 beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het volgens haar niet tijdig bekendmaken van een van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. De rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 6 februari 2023 gegrond verklaard en heeft het college opgedragen om de van rechtswege gegeven omgevingsvergunning bekend te maken. Het college is het niet eens met deze uitspraak en heeft hiertegen hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4455
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202301742/1/R1
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202301742/1/R1

202303235/1/R1

Bij besluit van 21 maart 2023 heeft de raad van de gemeente Peel en Maas het bestemmingsplan "Maasbreeseweg 55 te Helden" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de uitbreiding van het bedrijventerrein van Panningen mogelijk en biedt planologische ruimte voor diverse bedrijvigheid in de milieucategorieën 1, 2 en 3 op het perceel van een voormalige glastuinbouwlocatie met bedrijfswoning. Het plangebied ligt op de hoek van de Maasbreeseweg en Loo in Helden-Panningen, aangrenzend aan de oostzijde van het bestaande bedrijventerrein "Panningen". De locatie van de vroegere bedrijfswoning van het glastuinbouwbedrijf heeft in het plan een woonbestemming gekregen. Het gedeelte van het plangebied dat een bedrijfsbestemming heeft gekregen, heeft drie bouwvlakken. Initiatiefnemer van de herontwikkeling is [gemachtigde A], die haar bouwbedrijf naar het plangebied heeft verplaatst. De op 21 maart 2023 verleende omgevingsvergunning maakt de bouw van haar bedrijfsgebouw op het meest noordelijk gelegen bouwvlak mogelijk. Dit gebouw is inmiddels in gebruik ten behoeve van het bouwbedrijf.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4605
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202303235/1/R1

202305040/1/R1

Bij besluit van 1 juni 2023 heeft raad van de gemeente Uithoorn het bestemmingsplan "Parapluplan Datacenters" vastgesteld. In het bestemmingsplan is als strijdig gebruik aangemerkt: het gebruiken van gronden of laten gebruiken van gronden of bebouwing als een datacenter met een oppervlakte van 2.000 m2 en waarvan het elektrisch aansluitvermogen meer dan 5 MVA bedraagt. Het bestemmingsplan geldt voor het gehele grondgebied van de gemeente Uithoorn. BACT is eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 8 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat zij voornemens is om op dat perceel een datacenter te realiseren. Oudendijk Beheer B.V. was eigenaar van het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 in de Kwakel. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan, omdat het volgens haar de gebruiksmogelijkheden van haar perceel beperkt. GTMH heeft het perceel aan de Mijnsherenweg 4-6 van Oudendijk Beheer gekocht en wenst als rechtsopvolger van Oudendijk Beheer het beroep te handhaven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4589
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202305040/1/R1

202305275/1/R1

Bij besluit van 4 juli 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat, voor zover in deze zaak van belang, het saneringsplan "Rijkswegen West-Nederland Noord A7, A8, N9, A10" vastgesteld en een aantal geluidproductieplafonds verlaagd. Op grond van artikel 11.19 van de Wet milieubeheer bevinden zich langs rijkswegen referentiepunten waar, voor het geluid van het verkeer op de weg, geluidproductieplafonds gelden. De beheerder van de weg draagt ingevolge artikel 11.20 van de Wet milieubeheer zorg voor naleving van deze geluidproductieplafonds. Met de geluidproductieplafonds worden in de omgeving van de referentiepunten gelegen woningen en andere geluidsgevoelige objecten beschermd tegen geluidsbelasting vanwege de weg. [appellant A] en anderen, [appellant B] en [appellant C] wonen in Zuidoostbeemster, aan weerszijden van het hiervoor genoemde stuk van de A7. Zij ervaren geluidsoverlast van deze rijksweg. Zij vinden de saneringsmaatregel niet toereikend om hun woningen te beschermen tegen geluidsoverlast. Ook vinden zij dat zij te lang zullen moeten wachten op de uitvoering van die maatregel. Bovendien is volgens hen onzeker of het project A7/A8 Amsterdam-Hoorn zal doorgaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4568
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Geluid
  • uitspraakin de zaak202305275/1/R1
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202305275/1/R1

202307578/1/A3

Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft de minister van Financiën het verzoek van [appellante] om inzage in haar persoonsgegevens op grond van artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) ingewilligd. De persoonsgegevens van [appellante] stonden in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) van de Belastingdienst. De FSV was een applicatie die van 2012 tot en met 27 februari 2020 door de Belastingdienst werd gebruikt met als doel om mogelijke signalen van belastingfraude te registreren. [appellante] heeft verzocht om inzage in haar persoonsgegevens. Verder wil zij weten wat het doel van het gebruik van haar gegevens was, aan wie de gegevens verder zijn verstrekt, wat de herkomst van de gegevens was, hoe lang deze door de Belastingdienst opgeslagen zijn, en wat het belang, de onderliggende logica en de gevolgen van eventuele geautomatiseerde besluitvorming door de Belastingdienst is geweest. [appellante] voert aan dat zij ten onrechte niet alle informatie heeft gekregen over haar registratie in de FSV.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4575
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202307578/1/A3

202400949/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³), aan Visserij Rousant (32.000 m³) en aan Testamare Holding (48.000 m³). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4484
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400949/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202400949/1/R3

202400950/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Visserij Rousant (32.000 m³) en aan Testamare Holding (48.000 m³). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4485
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400950/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202400950/1/R3

202400951/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³), aan Visserij Rousant (32.000 m³, daarover gaat deze uitspraak) en aan Testamare Holding (48.000 m³). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4486
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400951/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202400951/1/R3

202400952/1/R3

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vier ontgrondingsvergunningen vernietigd die de minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft verleend voor schelpenwinning in de Waddenzee en de Noordzeekustzone. De vergunningen waren in december 2023 verleend voor een periode van drie jaar tot en met 31 december 2025. Het ging in totaal om het winnen van 160.000 m³ schelpen per jaar. Dit aantal te winnen schelpen was onderverdeeld in tien kavels van ieder 16.000 m³. In december 2023 heeft de minister een ontgrondingsvergunning verleend aan Zand & Schelpenwinning Waddenzee (16.000 m³, daarover gaat deze uitspraak), aan Zand- & Grinthandel Van Ouwerkerk (64.000 m³), aan Visserij Rousant (32.000 m³) en aan Testamare Holding (48.000 m³, daarover gaat deze uitspraak). De Waddenvereniging en Vereniging Natuurmonumenten zijn het niet eens met de vergunningen en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat de bedrijven een te grote hoeveelheid schelpen mochten winnen en dat de minister eerst een zogenoemd milieueffectrapport ('mer') had moeten opstellen om te beoordelen of de schelpenwinning belangrijke nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu. Volgens de minister zal de schelpenwinning geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben, maar hij erkent wel dat er iets schort aan de onderbouwing ervan. Het zogenoemde mer-beoordelingsbesluit vertoont gebreken en daarom vernietigt de Afdeling bestuursrechtspraak de ontgrondingsvergunningen. Omdat de periode waarvoor de ontgrondingsvergunningen zijn verleend is verstreken op 1 januari 2026, hoeft de minister hierover niet opnieuw te beslissen. Elke drie jaar worden nieuwe ontgrondingsvergunningen verleend voor het winnen van schelpen in de Waddenzee en Noordzeekustzone. Inmiddels zijn nieuwe aanvragen ingediend voor de periode 2026-2028. De bezwaren die de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten tegen deze nieuwe ontgrondingsvergunningen zullen hebben, zullen dezelfde zijn die zijn aangevoerd in de procedure waarover vandaag uitspraak is gedaan. Daarom hebben de Waddenvereniging en de Vereniging Natuurmonumenten belang bij een inhoudelijke beoordeling van hun bezwaren in deze rechtszaak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4487
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Ontgrondingen
  • uitspraakin de zaak202400952/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202400952/1/R3

202402052/1/R1

De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart de bezwaren ongegrond tegen de omgevingsvergunning die het college van B&W van Haarlem heeft verleend voor een appartementengebouw aan de Toekanweg in Haarlem. Daarmee is de vergunning voor een appartementengebouw met 823 woningen, 218 parkeerplaatsen en 5.000 m² aan commerciële ruimte definitief. Ook kunnen 43 bomen worden gekapt. Op het perceel aan de Toekanweg stond een kantoorgebouw van Rijkswaterstaat. Van der Valk Hotel Haarlem is naast de bouwlocatie gevestigd en is het niet eens met de vergunning. Zij vindt dat er geen goede oplossing is voor het parkeren in de omgeving. Ook vindt zij dat het appartementengebouw te hoog wordt waardoor haar hotel wegvalt achter het gebouw, wat het zicht vanaf de Schipholweg op het hotel vermindert. Verder is Van der Valk het niet eens met de bouw van 5.000 m² aan commerciële ruimte. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak geeft het hotel geen gelijk en verklaart haar bezwaren ongegrond. Daarmee is de vergunning voor ruim 800 appartementen in Haarlem definitief.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4602
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Bouwen
  • RO - Geluid
  • uitspraakin de zaak202402052/1/R1
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202402052/1/R1

202402335/1/A3

Bij besluit van 15 juni 2023 heeft Stichting Controle Orgaan Kwaliteits Zaken (COKZ) het verzoek van [appellant] tot openbaarmaking afgewezen. [appellant] heeft op 12 december 2022 op grond van de Wet open overheid (Woo) een verzoek ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Hij heeft verzocht om openbaarmaking van een lijst van bedrijven die over de mogelijkheid tot inkoop van boerderijmelk beschikken. Daarnaast heeft hij een aantal (feitelijke) vragen gesteld. Op 19 april 2023 heeft de RVO dit verzoek aan de COKZ doorgezonden, omdat de COKZ mogelijk zou kunnen beschikken over de voor het verzoek van [appellant] relevante informatie. Bij besluit van 15 juni 2023 heeft de COKZ het verzoek van [appellant] tot openbaarmaking van de lijst afgewezen. Op 28 september 2023 heeft de COKZ op het bezwaar van [appellant] beslist. In dat besluit heeft de COKZ kenbaar gemaakt niet te beschikken over de door [appellant] gevraagde lijst van namen en adressen van eenieder die op grond van artikelen 20 en 21 van de Regeling superheffing 2008 gerechtigd zou zijn tot aankoop van boerderijmelk over de periode van 2013 tot heden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4576
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202402335/1/A3

202403756/1/R3

Bij besluit van 16 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Drimmelen het bestemmingsplan "Nieuwstraat Wagenberg" gewijzigd vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van twaalf woningen op voormalige agrarische gronden ten oosten van de kern van Wagenberg mogelijk. Het plangebied wordt aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door agrarische gronden. Aan de zuidzijde van het plangebied staan woningen aan de Nieuwstraat. THEBOXSYSTEM B.V. is initiatiefnemer van het plan. [appellant] en anderen wonen in de omgeving van het plangebied. Zij vrezen voor een aantasting van hun woon- en leefklimaat. Zij voelen zich onvoldoende gehoord en zijn van mening dat de raad hun belangen onvoldoende bij het bestemmingsplan heeft betrokken. [appellant] en anderen betogen dat het plan niet aansluit op de woningbehoefte in Wagenberg. Zij verwijzen daarbij naar de notitie "Woningbouwprogramma 2016 - 2024", waaruit volgens hen volgt dat met de woningbouwprojecten aan de Dorpsstraat 2 en 45 en de Verlengde Elsakker in Wagenberg tot en met 2024 al in de woningbehoefte wordt voorzien. [appellant] en anderen wijzen er daarnaast op dat de raad ten onrechte niet is ingegaan op hun voorstel om zes woningen in plaats van twaalf woningen op de gekozen locatie mogelijk te maken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4567
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202403756/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202403756/1/R3

202403948/1/R1

Bij besluit van 9 april 2024 heeft de raad van de gemeente Hoorn het bestemmingsplan "Veegplan 3" vastgesteld. Het bestreden plan is een veegplan voor het gehele grondgebied van de gemeente Hoorn. Vooruitlopend op de Omgevingswet wil de raad met dit plan alle huidige bestemmingsplannen zoveel mogelijk op elkaar afstemmen wat betreft bestemmingen en systematiek. Ook is een aantal verleende omgevingsvergunningen in het plan verwerkt en is een aantal fouten uit de bestemmingplannen gehaald. Aldi is gevestigd aan de Westerblokker 129 in Blokker en wil daar haar supermarkt uitbreiden om hem toekomstbestendig te maken. Zij kan zich niet met het plan verenigen omdat daarin haar uitbreidingsvoornemen niet is meegenomen. Op 8 januari 2024 heeft Aldi een zienswijze ingediend tegen het bestemmingsplan dat nu ter beoordeling staat. Daarin heeft zij de gemeenteraad verzocht zich uit te spreken over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de gewenste uitbreiding van de supermarkt. Deze zienswijze heeft niet geleid tot aanpassing van het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4591
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202403948/1/R1
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202403948/1/R1

202404252/1/R4

Bij besluit van 19 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Renkum aan [belanghebbenden] een last onder dwangsom opgelegd. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een perceel aan de [locatie A] in Wolfheze. Ten zuiden van het perceel loopt een pad. [belanghebbenden] zijn eigenaar van een gedeelte van dat pad. Dat gedeelte van het pad hebben zij afgesloten voor anderen. [appellante] is het daar niet mee eens. [appellante] is ruiter bij paardenpension De Henriëtte Hoeve in Wolfheze dat zich in de omgeving van het pad bevindt. Volgens haar wordt het pad al gedurende een lange tijd door ruiters gebruikt als ontsluiting naar een netwerk van ruiterpaden op de Veluwe. Zij heeft daarom beroep ingesteld bij de rechtbank.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4584
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404252/1/R4

202404259/1/R4

Bij besluit van 24 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [bedrijf] een last onder dwangsom opgelegd om de overkapping en schuur op het perceel aan de [locatie 1] in Wekerom (het perceel) te verwijderen en verwijderd te houden. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 24 mei 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). Het perceel ligt binnen het bestemmingsplan "Natuurgebied Veluwe omgeving Roekelseweg 44-48 Wekerom", zoals gewijzigd bij drie paraplubestemmingsplannen (het bestemmingsplan) en heeft de bestemming "Recreatie". Op het perceel staan een recreatiewoning met overkapping en een vrijstaande schuur. Het college heeft [bedrijf] gelast om de overkapping en schuur te verwijderen en verwijderd te houden. Het heeft daaraan ten grondslag gelegd dat [bedrijf] in strijd handelt met het verbod in artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo op het in stand laten van bouwwerken die zonder omgevingsvergunning zijn gebouwd. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat handhavend optreden onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen doelen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4586
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404259/1/R4

202404260/1/R4

Bij besluit van 18 augustus 2022 heeft het college geweigerd om aan [persoon] een legaliserende omgevingsvergunning te verlenen voor een overkapping op het perceel aan de [locatie A] in Wekerom. [bedrijf] was ten tijde van het besluit van 18 augustus 2022 eigenaar van het perceel dat is gelegen op het recreatiepark Berkenrhode (het recreatiepark). [persoon] is enig aandeelhouder van [bedrijf]. [persoon] heeft een omgevingsvergunning aangevraagd om de overkapping te legaliseren. Het college heeft de gevraagde vergunning geweigerd, kort gezegd omdat de overkapping afbreuk doet aan de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van de groene, bosrijke omgeving. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de weigering van de omgevingsvergunning niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Daartoe voert [appellant] aan dat de rechtbank ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat het toestaan van meer vierkante meters aan bebouwing, het perceel aantrekkelijker kan maken voor permanente bewoning.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4460
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404260/1/R4

202404306/1/R4.

Bij besluit van 12 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht geweigerd om [appellant] een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht te verlenen voor het plaatsen van een bootlift in de Vecht bij het perceel [locatie A] in Maarssen. Het college heeft de omgevingsvergunning geweigerd, omdat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "De Vecht" een verbod op bootliften bevat en het college niet bereid is om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 2º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor afwijking van dit bestemmingsplan. De rechtbank heeft het besluit van 28 november 2023 vernietigd, omdat daarin volgens de rechtbank onvoldoende was gemotiveerd waarom getoetst werd aan de "Ligplaatsenvisie Stichtse Vecht". [appellant] kan zich niet vinden in de beslissing van de rechtbank om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten en heeft daarom hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4609
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404306/1/R4.

202404937/1/R3

Bij besluit van 12 juni 2024 hebben provinciale staten van Zuid-Holland het inpassingsplan "Warmtelinq Rijswijk - Leiden en aanlandlocatie" (het inpassingsplan) vastgesteld. Dit besluit is met toepassing van de provinciale coördinatieregeling van artikel 3.33, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt met andere besluiten, aangeduid als ‘gecoördineerde besluiten’. Bij besluit van 20 juni 2024 van het college is aan WarmtelinQ een omgevingsvergunning verleend voor het tijdelijk herinrichten van een deel van de straten en de omgeving en ook voor het kappen van 211 bomen en het verplanten van 28 bomen ten behoeve van de aanleg van een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden waarvan een deel van het tracé loopt via Den Haag (de omgevingsvergunning). Het inpassingsplan maakt een warmtetransportleiding tussen Rijswijk en Leiden mogelijk. Deze transporteert restwarmte uit de Rotterdamse haven. Het tracé van het inpassingsplan is opgedeeld in vier deelgebieden en heeft een lengte van ongeveer 25 km. De warmtetransportleiding zal bestaan uit twee leidingen. Eén aanvoer- en één retourleiding. [appellant sub 1] woont op de [locatie 2] in Leidschendam. Hij is eigenaar van het [perceel 5b). De voorziene warmtetransportleiding zal het perceel 5b doorkruisen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4588
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Inpassingsplan
  • uitspraakin de zaak202404937/1/R3
  • persberichtbij de uitspraak in de zaak202404937/1/R3

202405311/1/R3

In het besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Ommen het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 1] en [locatie 2] Arriën" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een agrarische bestemming op de [locatie 1] in Arriën. Op dit perceel is een aardbeienboerderij en een theeschenkerij aanwezig. Binnen de agrarische bestemming maakt dit bestemmingsplan de realisatie van een kampeerterrein met maximaal 16 kampeermiddelen mogelijk in aanvulling op de huidige agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid om een woning met bed- en breakfast te realiseren aan de [locatie 2] in Arriën. Voorheen vond op dit perceel detailhandel plaats.[appellant] woont tegenover het plangebied op [locatie 3]. Hij is het niet eens met dit besluit. Hij vreest onder meer voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van het plan en vindt dat hij onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van dat plan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4607
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202405311/1/R3

202407120/1/A3

Mondelinge last onder bestuursdwang wordt gelijkgesteld met schriftelijk besluit. Uitspraak in een zaak waarin het college van B&W een mondelinge last onder bestuursdwang heeft gegeven. Het college gaat bij voorkeur op deze manier te werk en als de overtreder voldoet aan de last en de overtreding zelf op tijd beëindigt, wordt deze vervolgens niet op schrift gesteld. Hiermee wordt niet voldaan aan één van de vereisten voor het aannemen van een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat een belanghebbende alleen tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter, zou dit tot gevolg hebben dat geen rechtsbescherming bij de bestuursrechter openstaat tegen een last onder bestuursdwang die niet schriftelijk maar alleen mondeling is opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt in de uitspraak van vandaag dat tegen een mondeling opgelegde last onder bestuursdwang rechtsbescherming open moet staan bij de bestuursrechter. De bestuursrechter is, anders dan de civiele rechter, bij uitstek aangewezen over zo’n bestuursrechtelijk geschil te oordelen. In deze zaak heeft de persoon die de last kreeg opgelegd een beroepsmogelijkheid gecreëerd bij de bestuursrechter door bezwaar in te dienen tegen de weigering van het college van B&W om de last op schrift te stellen. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak ziet “uit oogpunt van efficiënte rechtsbescherming” aanleiding de mondeling opgelegde last gelijk te stellen met een besluit. Dit heeft tot gevolg dat het college van B&W de inhoudelijke bezwaren tegen de opgelegde last moet behandelen en daarover een beslissing op bezwaar moet nemen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4600
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202407120/1/A3

202407228/1/A3

Bij besluit, verzonden op 25 april 2023, heeft de burgemeester van Deventer aan [appellant] twee lasten onder dwangsom opgelegd. Op 20 februari 2023 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in het bedrijfspand aan de [locatie] in Deventer (het pand). Op 6 april 2023 heeft de burgemeester [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt om [appellant] in verband daarmee op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang, strekkende tot tijdelijke sluiting van het pand, op te leggen. Inmiddels had de eigenaar van het pand de sloten van het pand vervangen, waardoor [appellant] geen toegang meer had. [appellant] is gelast om geen handelshoeveelheid van een middel als bedoeld in lijst I of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf binnen het grondgebied van de gemeente Deventer te verkopen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, af te leveren, te verstrekken of aanwezig te hebben. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was de lasten op te leggen. Volgens hem biedt dat artikel alleen een grondslag voor de oplegging van maatregelen die op het pand zijn gericht en is daarvan in dit geval geen sprake.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4578
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202407228/1/A3

202407306/4/R3

Bij uitspraak, deels tussenuitspraak van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:640, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van wat daarin is overwogen het gebrek in het besluit van 26 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Oostvaarderskwartier Hazerswoude-Dorp" te herstellen. De Afdeling heeft in haar uitspraak, deels tussenuitspraak van 4 februari 2026 naar aanleiding van de beroepsgronden van [appellant] en anderen geoordeeld dat de raad de aanleg en instandhouding van een trottoir op de Heerenlaan had moeten borgen en het besluit van 26 september 2024 in zoverre een gebrek vertoont. Bij besluit van 28 mei 2026 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostvaarderskwartier Hazerswoude-Dorp" gewijzigd vastgesteld (het herstelbesluit).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4593
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202407306/4/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202407306/4/R3

202500096/1/A3

Bij besluit van 17 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht een verzoek van [appellant] om wijziging van gegevens in de basisregistratie personen (brp) afgewezen. [appellant] is op 24 juli 2017 op basis van een verklaring onder ede in de brp ingeschreven als [voornaam] [achternaam appellant], geboren op [geboortedatum] 1987 in [plaats], China. [appellant] heeft het college op 9 november 2022 verzocht om opneming van zijn oudergegevens in de brp en heeft daarbij een nieuwe verklaring onder ede afgelegd. Volgens [appellant] is de geslachtsnaam van zijn vader [andere achternaam], wat de Oeigoerse schrijfwijze is. Het college heeft het verzoek bij het besluit van 17 februari 2023 afgewezen. Omdat de Oeigoeren geen zelfstandige staat hebben die door de Verenigde Naties is erkend, houdt het college de Chinese schrijfwijze aan. Het college heeft de afwijzing bij het besluit van 1 augustus 2023 gehandhaafd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4599
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Basisregistratie
  • uitspraakin de zaak202500096/1/A3

202500311/1/R2

Bij besluit van 7 november 2024 heeft de raad van de gemeente Someren het bestemmingsplan "[locatie 1]/Esdoornstraat Someren" vastgesteld. Het plan voorziet in de realisatie van een twee-onder-één kapwoning aan de Esdoornstraat in Someren-Eind. [partij] is initiatiefnemer en woont aan de [locatie 1]. Dat is een woning die is gesitueerd op de hoek van de Esdoornstraat en Kampstraat. De twee-onder-één kapwoning wordt gerealiseerd in de huidige tuin van [partij], gelegen aan de Esdoornstraat. [appellant A] woont direct grenzend aan het plangebied aan de [locatie 2] en [appellant B] woont direct grenzend aan de woning van [partij] aan de [locatie 3]. Zij kunnen zich niet verenigen met het plan, omdat zij vrezen voor de aantasting van hun woon- en leefklimaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4574
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202500311/1/R2

202500375/1/A3

Bij besluit van 13 november 2020 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete van € 50.000,00 opgelegd wegens overtreding van artikel 18b, tweede lid, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). [appellante] organiseerde bootcamps en gezondheidskampen voor volwassenen en kinderen. Naar aanleiding van een anonieme melding is de Inspectie Sociale Zekerheid en Werkgelegenheid (Arbeidsinspectie) op 13 maart 2019 een oriënterend onderzoek gestart naar [appellante]. Op 27 maart 2019 heeft de Arbeidsinspectie een administratieve werkplekcontrole ingesteld. Vervolgens heeft de Arbeidsinspectie nadere onderzoeken verricht. Op 12 februari 2020 heeft de Arbeidsinspectie een boeterapport opgesteld waarin staat dat [appellante] ten aanzien van tien werknemers niet of niet tijdig bescheiden heeft verstrekt van het aantal gewerkte uren, waardoor het niet mogelijk was om na te gaan of [appellante] de Wml heeft nageleefd. Op 17 augustus 2020 heeft de minister een voornemen tot oplegging van een boete aan [appellante] gestuurd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4583
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202500375/1/A3

202500819/1/A3

Bij besluit van 21 maart 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van [appellant] om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) afgewezen. [appellant] heeft op verzoek van de Venlose Senioren Partij een VOG aangevraagd met als doel een werkrelatie in het kader van de functie van gemeenteraadslid. De staatssecretaris heeft deze aanvraag aanvankelijk bij besluit van 21 maart 2022 afgewezen. Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de staatssecretaris laten weten dat het besluit van 21 maart 2022 wordt ingetrokken en alsnog besloten dat de aanvraag niet in behandeling wordt genomen. Hieraan ligt ten grondslag dat de gemeenteraadsverkiezingen op 16 maart 2022 hebben plaatsgevonden en de politieke partij de keuze heeft gemaakt om [appellant] op de verkiezingslijst te plaatsen zonder VOG. [appellant] is ook geïnstalleerd als raadslid en de politieke partij kan hem zijn zetel niet ontnemen. Voor het doel van de aanvraag, de kandidaatstelling voor de gemeenteraadsverkiezingen namens de politieke partij, is een onderzoek naar het gedrag daarom niet noodzakelijk. Het college is hierbij in het besluit op bezwaar gebleven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4596
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verklaring omtrent gedrag
  • uitspraakin de zaak202500819/1/A3

202500987/1/R3, 202500992/1/R3, 202500994/1/R3 en 202500997/1/R3

Bij besluiten van 10 juli 2024 heeft het college ten behoeve van de bestemmingsplannen "Spoorweglaan Best" en "Spoorweglaan - Vogelkers" hogere grenswaarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Het bestemmingsplan "Spoorweglaan Best" maakt de bouw van maximaal 25 appartementen mogelijk, verdeeld over twee aaneengesloten gebouwen. Het bestemmingsplan "Spoorweglaan - Vogelkers" maakt de bouw van 24 appartementen, 9 geschakelde patiowoningen en 2 vrijstaande woningen mogelijk en een bestaande bedrijfswoning wordt herbestemd. [appellant sub 1] woont aan de [locatie 1]. [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2]. [appellanten sub 3] wonen aan de [locatie 3]. Deze percelen liggen direct naast de gronden waarop het bestemmingsplan "Spoorweglaan - Vogelkers" betrekking heeft. Zij zijn het niet eens met beide bestemmingsplannen, met name omdat zij vrezen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4587
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202500987/1/R3, 202500992/1/R3, 202500994/1/R3 en 202500997/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202500987/1/R3, 202500992/1/R3, 202500994/1/R3 en 202500997/1/R3

202501099/1/R3

Bij besluit van 29 november 2024 heeft de raad van de gemeente Den Haag het bestemmingsplan "Dreven 1" vastgesteld. Het bestemmingsplan gaat over de eerste fase van een grootschalige herontwikkeling van een deel van de Drevenbuurt, die tot stand is gekomen in de wederopbouwperiode na de Tweede Wereldoorlog. Het plangebied ligt in het stadsdeel Escamp (Den Haag Zuidwest), binnen de wijk Bouwlust-Vrederust, waar de naoorlogse wederopbouwarchitectuur beeldbepalend en kenmerkend is. Het bestemmingsplan voorziet in een uitbreiding van het aantal woningen van 139 naar 266. 64 woningen worden gesloopt, 75 woningen worden gerenoveerd en 191 woningen worden nieuw gebouwd. Van het totaalaantal woningen wordt ongeveer 72% in de sociale sector uitgevoerd. Daarnaast bestaat 18% van de te realiseren woningen uit betaalbare koopappartementen. Vereniging Vrienden van Den Haag en andere kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan, vooral omdat dit volgens hen ten koste gaat van de cultuurhistorische waarden van het gebied.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4473
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202501099/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202501099/1/R3

202501614/1/A3

Bij besluit van 24 mei 2023 heeft de burgemeester van Amsterdam naar aanleiding van een verzoek van de stichting en [appellant] op grond van de Wet open overheid documenten openbaar gemaakt. De stichting heeft als doel het verkrijgen, in stand houden en onderhouden van monumenten in de zin van de Monumentenwet. [appellant] is bestuurslid van de stichting. De stichting en [appellant] hebben op 25 januari 2023 verzocht om openbaarmaking van informatie over een spreekuur dat vanaf 2019 in verschillende stadsdelen van de gemeente Amsterdam wordt gehouden om meer in contact te komen met Amsterdammers. De stichting en [appellant] willen - kortgezegd - informatie over de reden voor het instellen van het spreekuur, de wijze waarop het spreekuur wordt georganiseerd, de onderwerpen die sinds het instellen van het spreekuur zijn besproken en met hoeveel personen is gesproken. Ook willen de stichting en [appellant] weten welke medewerkers van de gemeente Amsterdam bij het spreekuur aanwezig zijn geweest en welke acties naar aanleiding van het spreekuur zijn genomen. De burgemeester heeft bij het besluit van 24 mei 2023 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4606
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202501614/1/A3

202501745/1/R3

Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem het wijzigingsplan "Zuiderbleek Lochem" gewijzigd vastgesteld. Het wijzigingsplan voorziet in de mogelijkheid om een appartementengebouw met maximaal 41 appartementen te realiseren op de percelen langs de Zuiderbleek in Lochem waar eerder een supermarkt was gevestigd. Het college heeft het wijzigingsplan vastgesteld met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 21.1.1, gelezen in samenhang met artikel 21.1.2 van de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad Lochem", dat ziet op de herstructurering van dit plangebied. [appellant] woont aan de [locatie] in Lochem. Zijn perceel grenst aan de noordwestzijde van het wijzigingsplangebied. Hij vreest dat de ontwikkeling leidt tot een verslechtering van zijn woon- en leefklimaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4566
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202501745/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202501745/1/R3

202501785/1/A3

Bij besluit, verzonden op 25 april 2023, heeft de burgemeester van Deventer aan [appellant] twee lasten onder dwangsom opgelegd. Op 20 februari 2023 heeft de politie een hennepkwekerij aangetroffen in het bedrijfspand aan de [locatie] in Deventer (het pand). Op 6 april 2023 heeft de burgemeester [appellant] het voornemen kenbaar gemaakt om hem in verband daarmee op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang, strekkende tot tijdelijke sluiting van het pand, op te leggen. Inmiddels had de eigenaar van het pand de sloten van het pand vervangen, waardoor [appellant] geen toegang meer had. [appellant] is gelast om geen handelshoeveelheid van een middel als bedoeld in lijst I of lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf binnen het grondgebied van de gemeente te verkopen, te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, af te leveren, te verstrekken of aanwezig te hebben. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat de burgemeester op grond van artikel 13b van de Opiumwet bevoegd was de lasten op te leggen. Volgens hem biedt dat artikel alleen een grondslag voor de oplegging van maatregelen die op het pand zijn gericht en is daarvan in dit geval geen sprake.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4579
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202501785/1/A3

202501988/1/A2

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Fryslân het verzoek van De Appelhof om nadeelcompensatie afgewezen. De Appelhof B.V. is exploitant van de jongerencamping De Appelhof op Terschelling-Formerum. Het geschil ziet op de vraag of De Appelhof recht heeft op nadeelcompensatie voor de schade die voortvloeit uit omzetderving door de sluiting van de camping twee weken voor het einde van het hoofdseizoen in de zomer van 2020. De voorzitter heeft bij besluit van 14 augustus 2020 de camping De Appelhof aangewezen als locatie waar het aan een ieder verboden is om zich daar te bevinden en waar met onmiddellijke ingang geen nieuwe gasten worden toegelaten. Het verbod duurde van zondag 16 augustus 2020 om 12:00 uur tot dinsdag 1 september 2020 om 00:00 uur. De voorzitter heeft dit besluit op grond van artikel 2.5 van de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Fryslân van 10 augustus 2020 genomen. De Appelhof heeft de voorzitter verzocht om nadeelcompensatie. Door de gedwongen sluiting van de camping twee weken voor het einde van het hoofdseizoen heeft zij financiële schade geleden, omdat campinggasten moesten vertrekken en nieuwe campinggasten niet konden worden toegelaten. Het door De Appelhof gestelde nadeel bestaat uit misgelopen inkomsten uit de camping, de horecagelegenheden en de merchandise. De schade is door een boekhouder van De Appelhof begroot op € 136.000.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4565
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202501988/1/A2
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202501988/1/A2

202502205/1/A2

Bij besluit van 20 mei 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag de aanvraag van [wederpartij] om een woningvormingsvergunning afgewezen. [wederpartij] en zijn partner hebben in 2012 de woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2], gelegen in de Visserijbuurt van Den Haag, samengevoegd. De samengevoegde woning heeft een totale gebruiksoppervlakte van 483 m2. [wederpartij] wil de woning verkopen. De woning is in ongesplitste staat volgens hem onverkoopbaar. [wederpartij] wil de woning daarom eerst weer splitsen in twee woningen. Hij heeft daartoe een aanvraag om een woningvormingsvergunning gedaan. Op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 geldt onder meer in de Visserijbuurt een verbod op woningvorming, wat betekent dat het college de aanvraag in beginsel moet afwijzen. Het college heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen, als bedoeld in artikel 7:3 van de Huisvestingsverordening. Het college heeft ten behoeve van de evenwichtige woonvoorraad het belang van het behoud van de grotere woning zwaarder laten wegen dan het belang van [wederpartij] bij splitsing in twee kleinere woningen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4585
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202502205/1/A2

202502206/1/A3

Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de korpschef van politie de toestemming voor [appellant] om beveiligingswerkzaamheden te verrichten, ingetrokken. [appellant] werkt 35 jaar als beveiligingsmedewerker. Hij had van de korpschef sinds 19 juli 2021 toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wpbr om voor SA-INT Security B.V. beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Op 5 augustus 2023 heeft een incident plaatsgevonden tussen [appellant] en een bezoeker van café ’t Neutje in Hengelo, waar [appellant] werkzaam was. Er zijn hiervan beelden door cameratoezicht opgenomen en er zijn drie processen-verbaal opgemaakt, van 3 november 2023, 9 november 2023 en 12 april 2024. De korpschef stelt zich op het standpunt dat uit de camerabeelden en de processen-verbaal blijkt dat [appellant] disproportioneel geweld heeft gebruikt en daarom niet over de betrouwbaarheid beschikt die nodig is om als beveiliger te werken. Hij heeft daarom de toestemming ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4604
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Beveiligingswerkzaamheden
  • uitspraakin de zaak202502206/1/A3

202502630/1/A2

Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) het verzoek van [appellant] om een eerdere weigering van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) te herzien afgewezen. [appellant] heeft op 27 juli 2021 een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij op 29 december 2020 met een hondenriem is mishandeld door zijn buurman en daaraan letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 7 maart 2022, gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2022, geweigerd om aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. De reden hiervoor is dat [appellant] aan de mishandeling geen ernstig fysiek of psychisch letsel heeft overgehouden. [appellant] heeft op 19 april 2023 de CSG verzocht om de hiervoor aangehaalde weigering van de uitkering uit het Schadefonds te herzien. Daarbij heeft hij nieuwe medische informatie van neuroloog J. Hoff van 6 april 2023 overgelegd. De CSG heeft op 16 augustus 2023 het herzieningsverzoek afgewezen, omdat het letsel niet als ernstig kan worden aangemerkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4573
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202502630/1/A2

202502945/1/A2

Bij besluit van 11 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de kosten van het meevoeren, opslaan en afvoeren van de inboedel van de ontruimde woning aan de [locatie] in Amsterdam verhaald op [appellanten]. [appellanten] waren eigenaar van de woning aan de [locatie] in Amsterdam. Zij verhuurden de woning aan [persoon]. Door een huurachterstand is de woning op 30 november 2022 in opdracht van [appellanten] ontruimd. Na de ontruiming is de inboedel van [persoon] op straat achtergelaten. Het college heeft De Combinatie Amsterdam opdracht gegeven de inboedel mee te voeren en op te slaan. Het afval is naar de stort afgevoerd. In mei 2023 heeft het college aan de verhuurmakelaar van [appellanten] een factuur gestuurd voor betaling van de in verband met de ontruiming gemaakte kosten voor transport, opslag en stort. De totale kosten bedragen € 5.157,07. [appellanten] hebben bezwaar gemaakt tegen de factuur. Naar aanleiding daarvan heeft het college het bedrag verlaagd naar € 3.507,07. [appellanten] hebben te kennen gegeven het niet eens te zijn met dit besluit. Het college heeft vervolgens in oktober 2023 het bedrag nog eens gewijzigd en vastgesteld op € 3.160,57.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4610
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202502945/1/A2

202503136/1/R3

Bij besluit van 20 maart 2025 heeft de raad van de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Middelland-Het Nieuwe Westen" vastgesteld. Het bestemmingsplan heeft betrekking op de wijken Middelland en Het Nieuwe Westen in Rotterdam. Het bestemmingsplan is in hoofdzaak een actualisatie van het vorige bestemmingsplan. Hierbij gaat in het nieuwe plan extra aandacht uit naar de bescherming van het rijksbeschermd stadsgezicht. De grens van het bestemmingsplan loopt in het zuidoosten langs de Heemraadssingel tot de kruising met de Rochussenstraat, langs de Vliegerstraat tot de kruising met de Claes de Vrieselaan. De stichting en een aantal bewoners zijn het niet eens met die planbegrenzing. De doelstelling van de stichting is het in stand houden en verbeteren van het woon-, werk-, leef- en verblijfsklimaat aan de Mathenesserlaan, de Heemraadssingel en het Heemraadsplein en de onmiddellijke omgeving hiervan in Rotterdam. De bewoners die beroep hebben ingesteld wonen allemaal in het zogenoemde ‘HeRo-blok’, gelegen in de oostelijke hoek van de Heemraadssingel en de Rochussenstraat. Volgens de stichting en anderen maakt het HeRo-blok ten onrechte geen onderdeel uit van het bestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4572
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202503136/1/R3
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202503136/1/R3

202503697/1/A2

Bij besluit van 28 augustus 2024 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) van € 2.500 toegekend. [appellant] heeft op 16 mei 2024 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij aan een mishandeling ernstig fysiek letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 28 augustus 2024, gehandhaafd bij besluit van 4 november 2024, een uitkering ter hoogte van € 2.500 toegekend. Dit bedrag hoort bij letselcategorie 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de CSG zich op het standpunt mocht stellen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het letsel is ontstaan als gevolg van het geweldsmisdrijf waar de aanvraag betrekking op heeft en dat hij op basis van deze aanvraag eigenlijk in het geheel niet in aanmerking komt voor een tegemoetkoming uit het Schadefonds.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4598
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202503697/1/A2

202503701/1/A3

Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat de bestuurderskaart van [appellant] ingetrokken. Tijdens een controle van de rij- en rusttijden van een werknemer van het bedrijf van [appellant] is gebleken dat op 3 en 6 oktober 2023 een snelle bestuurderskaartwissel heeft plaatsgevonden met de kaart van de werknemer en de kaart van [appellant]. In het door de verbalisanten op ambtsbelofte, dan wel ambtseed opgestelde boeterapport staat dat uit tachograafgegevens onder meer het volgende is gebleken. Tijdens de kaartwissel op 3 oktober 2023 werd om 00:07 uur de kaart van [appellant] uitgenomen en die van de werknemer ingevoerd en de landcode werd gewijzigd naar Duitsland. Op 4, 5 en 6 oktober 2023 werd door de werknemer in Duitsland gereden. Op 6 oktober 2023 vond na een rit van 9 uur en 4 minuten weer een kaartwissel plaats, waarbij de kaart van de werknemer werd uitgenomen, die van [appellant] werd ingevoerd en de landcode werd gewijzigd naar Nederland. Daarna werd nog 53 minuten en 63 kilometer gereden. Ook staat in het boeterapport dat de werknemer heeft verklaard dat hij op 6 oktober 2023 het laatste stukje van zijn rit in Nederland op de kaart van zijn werkgever, [appellant], heeft gereden, omdat hij niet veel rijtijd meer over had en graag naar huis wilde op de vrijdagavond voor zijn vrije weekend. Nadat de verbalisanten hebben laten weten dat fraude is gepleegd met de bestuurderskaart van [appellant] omdat door een andere chauffeur van deze kaart gebruik is gemaakt, heeft de minister besloten om de bestuurderskaart in te trekken. In bezwaar is hij hierbij gebleven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4597
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503701/1/A3

202504018/1/A2

Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Den Haag de aanwijzing van De Dreven tot gemeentelijk beschermd stadsgezicht ingetrokken. Deze uitspraak gaat over de Drevenbuurt in de wijk Bouwlust-Vrederust van het stadsdeel Escamp in Den Haag. Een gedeelte van de Drevenbuurt is sinds 2004 aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht (De Dreven). Deze buurt is kenmerkend voor naoorlogse uitbreidingswijken en heeft vanwege zijn oorspronkelijke karakter en bijzondere verkaveling cultuurhistorische waarde. Binnen de Drevenbuurt zijn er volgens de raad echter grote sociaal-maatschappelijke problemen en liggen er opgaven in het kader van volkshuisvesting en verduurzaming. Met een meer gedifferentieerde en toekomstbestendige woningvoorraad beoogt de raad de neerwaartse spiraal te keren waar de buurt qua leerbaarheid in is geraakt. Omdat deze gewenste woningdifferentiatie en uitbreiding van het huidige sociale huurprogramma volgens de raad niet mogelijk is binnen de kaders van het beschermd stadsgezicht, heeft hij besloten de aanwijzing van De Dreven tot beschermd stadsgezicht in te trekken. De Vereniging Vrienden van Den Haag en anderen zijn het hiermee niet eens en willen dat het beschermd stadsgezicht behouden blijft.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4474
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Monumenten
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202504018/1/A2
  • persaankondiging bij de uitspraak in de zaak 202504018/1/A2

202504110/1/A3

Bij besluit van 1 augustus 2023 heeft de minister van Infrastructuur en Waterstaat aan [appellant] een bestuurlijke boete opgelegd. Tijdens een controle van het binnenschip [naam schip] op 2 februari 2023 hebben toezichthouders diverse overtredingen geconstateerd. Deze zijn neergelegd in een door hun op ambtseed opgemaakt boeterapport. In de besluitvorming heeft de minister aan [appellant], als schipper/gezagvoerder van het schip, een boete van in totaal € 2.230,00 opgelegd wegens zeven overtredingen ten aanzien van het vaartijdenboek. De overtredingen betreffen voor 1 februari 2023 het niet juist invullen van de tijden waarop de bemanning aan boord komt, het niet juist invullen van de kolommen van het begin van de vaart en het niet juist invullen van de exploitatiewijze. Ten aanzien van 2 februari 2023 gaat het om het niet aanwezig hebben van het vaartijdenboek in de stuurhut, het niet juist invullen van de kolommen van het begin en van het einde van de vaart en het niet juist invullen van de kolommen ten aanzien van de rusttijden van de bemanning. De rechtbank heeft overwogen dat de minister deze overtredingen terecht heeft vastgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4592
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202504110/1/A3

202504160/1/A2

Bij besluit van 24 november 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg aan [appellant] een bestuurlijke boete van € 4.000,00 opgelegd. Ook is het college overgegaan tot invordering van deze boete. [appellant] stond sinds 8 februari 2023 in de basisregistratie personen (brp) ingeschreven op het adres [locatie] in Tilburg. Op 29 maart 2023 constateerde een toezichthouder van de gemeente Tilburg dat er in de woning een hennepkwekerij aanwezig was. De woonkamer was opgesplitst in twee delen waarin kweekappartuur en materialen werden aangetroffen. Een deel van de woning was daardoor niet meer geschikt voor bewoning. Het college heeft [appellant] bij besluit van 24 november 2023 een bestuurlijke boete opgelegd van € 4.000,00 voor het bedrijfsmatig onttrekken van woonruimte zonder vergunning. Ook heeft het college beslist tot invordering van deze boete.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4595
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202504160/1/A2

202504371/2/A3

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 juli 2025 in zaak nr. 25/3876. De minister heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de stukken kennis zal nemen. Het gaat om stukken die ten grondslag liggen aan een besluit van de minister op grond van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (Twbmt). Volgens [appellant] is het verzoek om beperkte kennisneming niet gerechtvaardigd, omdat - kortgezegd - geen sprake is van een eerlijk proces. Hij verzoekt daarom ook primair het verzoek om beperkte kennisneming af te wijzen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4646
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202504371/2/A3

202505420/1/A2

Bij besluit van 17 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heerenveen een verzoek van [appellant] om terug te komen van een besluit van 5 augustus 2019, waarbij hij is toegelaten tot de schuldhulpverlening, afgewezen. Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft het college een aanvraag van [appellant] om toelating tot schuldhulpverlening ingewilligd. Op 4 september 2019 heeft [appellant] verzocht om intrekking van de schuldhulpverlening. Bij brief van 12 september 2019 heeft het college de intrekking bevestigd en de schuldhulpverlening beëindigd. Op 24 september 2020 heeft [appellant] opnieuw een aanvraag om toelating tot schuldhulpverlening ingediend. Het college heeft deze aanvraag ingewilligd. Bij brief van 25 januari 2021 heeft [appellant] het college verzocht om herziening van het besluit van 5 augustus 2019. [appellant] betoogt dat de rechtbank zijn verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4581
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202505420/1/A2

202506108/1/A2

Bij beslissing van 5 augustus 2025 heeft de examencommissie Data Science and Artificial Intelligence aan [appellant] een bindend negatief studieadvies (BNSA) gegeven voor de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence. Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE) het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. De norm voor een positief bindend studieadvies voor deze opleiding is 45 studiepunten. De examencommissie heeft aan de beslissing van 5 augustus 2025 ten grondslag gelegd dat [appellant] slechts 6 studiepunten heeft gehaald in zijn eerste jaar van de bacheloropleiding en dat zij [appellant] daarom niet geschikt acht voor de opleiding.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4594
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202506108/1/A2

202506110/1/A2

Bij beslissing van 19 augustus 2025 is aan [appellant] meegedeeld dat aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) wordt gemeld dat hij gedurende het studiejaar 2024-2025 niet heeft voldaan aan de studievoortgangseis en dat niet is gebleken van een hiervoor bestaande verschoonbare reden. Bij beslissing van 26 november 2025 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden (CBE) het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] heeft in het studiejaar 2024-2025 de bacheloropleiding Data Science and Artificial Intelligence gevolgd. Aan de beslissing van 19 augustus 2025 is ten grondslag gelegd dat [appellant] een verblijfsvergunning voor studie heeft, dat hij daarom ieder studiejaar moet voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de MoMi-norm), dat deze norm gelijk is aan 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten, dat [appellant] deze norm niet heeft gehaald en dat de onvoldoende studievoortgang niet is veroorzaakt door bijzondere omstandigheden. De universiteit zal daarom bij de IND melden dat [appellant] de MoMi-norm niet heeft gehaald.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4512
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202506110/1/A2

202600112/1/A2

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) de aanvraag van [appellant] om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) afgewezen. [appellant] heeft op 10 maart 2023 bij de CSG een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij is mishandeld en daardoor ernstig letsel heeft bekomen. De CSG heeft op 12 oktober 2023, gehandhaafd bij besluit van 12 april 2024, geweigerd aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. Volgens de CSG heeft [appellant] een eigen aandeel gehad in het opzettelijk gepleegde geweldsmisdrijf waarvan hij slachtoffer is geworden, doordat hij als eerste een duw gaf aan de partner van de dader. Verder vindt zij dat het geweld dat tegen hem is gebruikt in verhouding staat tot hetgeen hem te verwijten valt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4571
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202600112/1/A2

202600857/1/A2

Bij beslissing van 21 mei 2025 heeft de examencommissie academie, business en communicatie aan [appellante] medegedeeld dat zij geen verlenging krijgt voor de deadline van haar afstudeeropdracht en daardoor moet stoppen met deze opdracht. Bij beslissing van 26 januari 2026 heeft het college van beroep voor de examens van Hogeschool Arnhem en Nijmegen het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep gegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Uitvoering van de afstudeeropdracht en ongegrond verklaard voor zover het betrekking heeft op het onderdeel Advisering. [appellante] volgt de bacheloropleiding Ondernemerschap & Retailmanagement aan de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen. [appellante] heeft een chronische aandoening, waardoor zij verminderd belastbaar is. In september 2023 is zij gestart met het afstudeertraject. Zij is begonnen met het uitvoerend project van het afstudeertraject. Vanwege haar persoonlijke omstandigheden mocht [appellante] in het studiejaar 2024-2025 doorgaan met dit project. In april/mei 2024 is zij ook aan het adviserend project van dit afstudeertraject begonnen. [appellante] heeft door haar aandoening in een aangepast tempo aan de projecten gewerkt. In januari 2025 viel zij door haar aandoening uit en had zij enige tijd nodig om te herstellen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4590
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600857/1/A2

202601207/1/A2

Bij beslissing van 30 juni 2026 heeft de examinator het door [appellant] gemaakte tentamen Analyseren in het bestuursprocesrecht (WFREC.BPR.01) met het cijfer 6,6 beoordeeld. Bij beslissing van 28 januari 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Hogeschool Windesheim het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt de bacheloropleiding HBO rechten aan de Christelijke Hogeschool Windesheim. Op 3 juni 2025 heeft hij het tentamen Analyseren in het bestuursprocesrecht (WFREC.BPR.01) afgelegd. [appellant] had bij wijze van voorziening vanwege zijn dyslexie recht op 30 minuten extra tijd bij het afleggen van tentamens. Hierdoor had hij 210 minuten in plaats van 180 minuten de tijd om het tentamen af te leggen. Bovendien heeft hij vanwege zijn dyslexie ook een papieren versie van het tentamen gekregen, dat digitaal wordt afgenomen. Op het moment dat de surveillant tijdens het tentamen aangaf dat [appellant] volgens de wandklok om 20:30 uur moest stoppen, ontstond verwarring. [appellant] meende dat hij tot 20:40 uur de tijd had, aangezien het digitale toetssysteem (ANS) deze eindtijd aangaf. Na enige discussie heeft [appellant] alsnog de instructie van de surveillant opgevolgd. Het tentamen is definitief beoordeeld met het cijfer 6,6.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4570
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601207/1/A2

202601395/1/A2

Bij beslissing van 2 december 2025 heeft de examinator aan [appellant] voor het vak Duurzaamheid (3012DZH1VY) het resultaat NAV (niet aan verplichtingen voldaan) toegekend. Bij beslissing van 24 maart 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt de bacheloropleiding Rechtsgeleerdheid aan de Universiteit van Amsterdam. In het voorjaarsemester van studiejaar 2024-2025 heeft hij deelgenomen aan het vak Amsterdam Law Firm 2.2 (ALF 2.2). [appellant] heeft twee onderdelen van dit vak, namelijk ‘mondeling communiceren’ en ‘juridisch onderzoek doen’, niet behaald. Het voldoen aan alle toetsonderdelen van ALF 2.2 is voorwaarde om voor het vak Duurzaamheid 6 EC toegekend te kunnen krijgen. De registraties van de in het voorjaar behaalde resultaten zijn pas op 2 december 2025 in het cijfersysteem verwerkt. Het is voor [appellant] op dat moment pas duidelijk geworden dat hij voor het vak Duurzaamheid als resultaat NAV heeft gekregen waarmee de toekenning van studiepunten voor dat vak is komen te vervallen. [appellant] vindt het merkwaardig dat na vijf maanden het resultaat van het vak Duurzaamheid ten nadele van een student kan worden aangepast en heeft daarom administratief beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4603
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601395/1/A2

202601890/1/A2

Bij beslissing van 16 april 2026 heeft het college van bestuur van de Vrije Universiteit Amsterdam aan [appellante] rangnummer 433 toegekend voor de bacheloropleiding Geneeskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam in het studiejaar 2026-2027. [appellante] heeft deelgenomen aan de decentrale selectie voor toelating tot de bacheloropleiding Geneeskunde in studiejaar 2026-2027. Zij heeft het rangnummer 433 toegekend gekregen. Zij is daarmee niet toegelaten tot de opleiding, die 342 plaatsen beschikbaar heeft. [appellante] heeft bij haar portfolio een cijferlijst meegestuurd van de bacheloropleiding farmaceutische wetenschappen (hierna: de cijferlijst). Deze cijferlijst is bij de beoordeling afgekeurd, omdat het geen gewaarmerkte cijferlijst betreft, zoals is beschreven op pagina 15 van het handboek selectieprocedure geneeskunde 2026 van de faculteit der Geneeskunde van de VU (handboek).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4582
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601890/1/A2

202601921/1/A2

Bij beslissing van 24 februari 2026 heeft het college van bestuur van de Universiteit Leiden bepaald dat [appellant] niet mag deelnemen aan de tweede ronde van de selectieprocedure voor de bacheloropleiding Geneeskunde (opleiding). [appellant] heeft op 13 februari 2026 deelgenomen aan de eerste ronde van de decentrale selectie voor de opleiding. Voor deze ronde moesten kandidaten twee tests afleggen: een studievaardighedentest en een capaciteitentest. Wegens een technisch probleem met de geluidsinstallatie in de zaal, waardoor het niet mogelijk was om de mondelinge instructie over de tests ineens in de gehele zaal te geven, is die instructie zonder versterking achtereenvolgens steeds voor een aantal rijen gegeven. Bij deze mondelinge instructie is onder meer gezegd dat kandidaten geen puntenaftrek voor foute antwoorden krijgen. Het CvB heeft aan de beslissing van 18 mei 2026 onder meer het volgende ten grondslag gelegd. [appellant] is op basis van zijn score voor de capaciteitentest niet toegelaten tot de tweede selectieronde.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4580
Datum uitspraak
5 augustus 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601921/1/A2

202504773/1/V2

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M. Gavami, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4535
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202504773/1/V2

202600678/2/R1

Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Haarlem geweigerd aan [appellant sub 2] een omgevingsvergunning te verlenen voor de omgevingsplanactiviteit bouwen. [appellant sub 2] wil een winkelruimte op de begane grond en een bovenwoning verbouwen tot twee eengezinswoningen met een dakopbouw en twee dakterrassen op de [locatie A] en [locatie B] in Haarlem. Daarvoor heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd bij het college. Het college heeft met de besluiten van 21 mei 2024 en 18 maart 2025 de vergunning geweigerd op de grond dat de aanvraag in strijd is met de geldende parkeernormen. [appellant sub 2] heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat het besluit van 7 april 2026 wordt geschorst en het college wordt opgedragen de omgevingsvergunning te verlenen dan wel dat hij mag handelen als ware de vergunning is verleend, totdat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4541
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202600678/2/R1

202602238/2/A2

Bij besluit van 21 april 2026 heeft de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de bekostiging van de basisschool Treehouse Montessori (de school) met ingang van 1 augustus 2026 beëindigd. Stichting Tree of Infinity is het bevoegd gezag van de school, die sinds 1 augustus 2022 wordt bekostigd als bijzondere basisschool. Op de school krijgen leerlingen tweetalig montessorionderwijs. Op 10 december 2025 heeft de staatssecretaris de stichting laten weten dat de school onvoldoende leerlingen heeft en dat de bekostiging daarom per 1 augustus 2026 stopt, tenzij de stichting een geslaagd beroep kan doen op een van de uitzonderingsbepalingen. Hierop heeft de stichting een aanvraag gedaan om de bekostiging door te laten lopen op grond van artikel 145 van de Wet op het primair onderwijs (WPO). Bij besluit van 21 april 2026 heeft de staatssecretaris de aanvraag afgewezen en dit besluit heeft zij in bezwaar gehandhaafd. Dit betekent dat de bekostiging van de school per 1 augustus 2026 stopt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4542
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202602238/2/A2

BRS.25.000504

Bij besluit van 9 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, ingewilligd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4518
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000504

BRS.25.002717

De minister van Asiel en Migratie heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 december 2025 in zaak nr. NL25.21827. Verzoeker heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven. Verzoeker heeft op verzoek van de Afdeling daarop gereageerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4519
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige
  • uitspraakin de zaakBRS.25.002717

BRS.26.003613 en BRS.26.003614

Bij besluit van 13 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 14 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4475
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003613 en BRS.26.003614

BRS.26.003818

Bij besluiten van 9 april 2026 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 21 juli 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4531
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003818

BRS.26.003991

Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister van Asiel en MIgratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4549
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003991

BRS.26.004018

Bij besluit van 28 mei 2026 heeft de minister een van Asiel en Migratie aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4562
Datum uitspraak
4 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004018

202406014/1/V1

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, hoger beroepen ingesteld. Bij besluit van 21 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvraag van appellant 1 ingewilligd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4510
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202406014/1/V1

BRS.25.000128

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4507
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.000128

BRS.26.002482

Bij besluit van 18 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4502
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002482

BRS.26.002976

Bij besluit van 20 mei 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 10 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4482
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002976

BRS.26.003047

Bij besluit van 3 juni 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 19 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4468
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003047

BRS.26.003481

Bij besluit van 20 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 3 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4497
Datum uitspraak
3 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003481
12...1.259volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon