Uitspraak 202503460/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5654
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- In het besluit van 30 april 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. [partij] heeft op 25 mei 2018 een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en veranderen van uitritten aangevraagd. Het college heeft bij besluit van 6 juli 2018 aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan en het aanleggen of veranderen van drie uitritten. Het bezwaar van [appellant] tegen de omgevingsvergunning is bij het besluit van 11 december 2018 ongegrond verklaard.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Omgevingsplan
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202503460/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Duitsland),
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 30 april 2025 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en [partij] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 19 juni 2026, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde C] en [gemachtigde D], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 mei 2018. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [partij] heeft op 25 mei 2018 een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en veranderen van uitritten aangevraagd. Het college heeft bij besluit van 6 juli 2018 aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk, handelen in strijd met de regels van een bestemmingsplan en het aanleggen of veranderen van drie uitritten. Het bezwaar van [appellant] tegen de omgevingsvergunning is bij het besluit van 11 december 2018 ongegrond verklaard.
Vervolgens heeft de rechtbank Den Haag het beroep van [appellant] tegen dat besluit in de uitspraak van 13 oktober 2020 gegrond verklaard, het besluit van 11 december 2018 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen.
Hierna heeft het college de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) gevolgd. Het college heeft bij besluit van 2 februari 2021 het besluit van 6 juli 2018 herroepen en de omgevingsvergunning opnieuw verleend. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] tegen dit besluit bij uitspraak van 8 september 2022 ongegrond verklaard.
In de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4265, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2022 vernietigd, het beroep bij de rechtbank gegrond verklaard, het besluit van het college van 2 februari 2021 vernietigd, voor zover daarbij de omgevingsvergunning opnieuw is verleend, en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep in kan worden gesteld.
Het besluit van 30 april 2025
3. In het besluit van 30 april 2025 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college heeft [appellant] geen procesbelang meer bij de behandeling van zijn bezwaar. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [appellant] in het eerdere besluit op bezwaar en de daaropvolgende procedures als eigenaar van het aanpalende perceel is aangemerkt als belanghebbende. Inmiddels is gebleken dat [appellant] dat perceel heeft verkocht en niet langer eigenaar is van dat perceel. Volgens het college is er ook geen procesbelang vanwege schade die geleden is vanwege de bestuurlijke besluitvorming, omdat het perceel van [appellant] verkocht is voor een marktconforme prijs. Met betrekking tot de door [appellant] gestelde schade aan een in gezamenlijk eigendom zijnd betonpad, heeft het college gewezen op de uitspraak van de civiele rechter van de rechtbank Den Haag van 8 juli 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:7296, waarin [appellant] niet-ontvankelijk is verklaard in de ingestelde vorderingen.
Beroep
Omvang van geding
4. De Afdeling stelt voorop dat deze procedure alleen ziet op de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van [appellant] in het besluit van 30 april 2025. De Afdeling zal daarom alleen de betogen bespreken die daartegen zijn gericht.
Was het college bevoegd?
5. [appellant] betoogt dat het college niet bevoegd is om zijn bezwaar alsnog niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het college in een bestuurlijke lus alleen uitvoering kan geven aan de opdracht van de Afdeling door het gebrek te herstellen.
5.1. De Afdeling stelt voorop dat in de uitspraak van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4265, geen toepassing is gegeven aan een bestuurlijke lus als bedoeld in artikel 8:51d van de Awb. In plaats daarvan heeft de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb, bepaald dat tegen het nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. Dit wordt ook wel de judiciële lus genoemd.
Op grond van de uitspraak was het college gehouden om een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. De Afdeling overweegt dat de toepassing van de judiciële lus er niet aan afdoet dat het aan het college is om aan de hand van de relevante feiten en omstandigheden op dat moment te beoordelen of het bezwaar nog ontvankelijk is, voordat het college toekomt aan een inhoudelijke heroverweging als bedoeld in artikel 7:11 van de Awb. De Afdeling zal daarom hierna ingaan op de vraag of het college het bezwaar van [appellant] terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Is het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard?
6. [appellant] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat hij nog steeds een belang heeft bij het besluit op zijn bezwaar, omdat de realisatie van het waterbassin heeft geleid tot schade als gevolg van zetting. Dat hij niet langer de eigenaar van het perceel is, maakt volgens [appellant] niet uit, omdat deze zettingsschade heeft geleid tot een lagere verkoopprijs.
6.1. De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant] op het moment van het besluit op bezwaar van 30 april 2025 niet langer eigenaar was van het perceel dat naast het perceel ligt waarvoor de omgevingsvergunning is verleend.
De Afdeling overweegt dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 6 juli 2018 waarbij aan [partij] de omgevingsvergunning is verleend. Daarbij merkt de Afdeling op dat de gestelde zettingsschade, daargelaten of daar sprake van is, niet het gevolg is van het besluit, maar de feitelijke werkzaamheden die zouden zijn uitgevoerd. [appellant] heeft op de zitting ook toegelicht dat deze schade al ontstaan is op het moment dat het waterbassin is gerealiseerd, voordat het besluit was genomen. Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn perceel vanwege het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor een lagere verkoopprijs heeft verkocht. Dit betekent dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] geen belang meer had bij een inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2018. Het college heeft zijn bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond.
8. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Is de redelijke termijn overschreden?
9. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden.
9.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
9.2. De Afdeling stelt vast dat uit het dossier niet blijkt op welke datum [appellant] bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 6 juli 2018. Het dossier bevat wel een e-mail van [appellant] van 25 juli 2018, waarin hij het college heeft verzocht om aanvullende informatie voordat hij bezwaar aantekent. Omdat [appellant] in deze e-mail al heeft aangekondigd dat hij een bezwaarschrift zal indienen, ziet de Afdeling aanleiding om deze e-mail als uitgangspunt te nemen voor het moment van de aanvang van de redelijke termijn.
Omdat de rechtbank in haar uitspraak van 8 september 2022 al een schadevergoeding heeft vastgesteld van € 2.500,00 vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, begrijpt de Afdeling het verzoek van [appellant] in deze zaak zo dat hij een aanvullende schadevergoeding wenst.
9.3. De redelijke termijn is in deze procedure met vier jaar en twee maanden overschreden. In zaken waarin een judiciële lus is toegepast, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechtelijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De Afdeling ziet geen reden om voor het verzoek om aanvullende schadevergoeding van dit uitgangspunt af te wijken, omdat de behandeling van het hoger beroep minder dan twee jaar heeft geduurd. Bovendien heeft de behandeling tegen het nieuwe besluit op bezwaar niet langer dan anderhalf jaar na het instellen van het beroep geduurd. De overschrijding moet aan het college worden toegerekend.
9.4. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 4.500,00. De rechtbank heeft al een schadevergoeding vastgesteld van € 2.500,00. Dit betekent dat [appellant] recht heeft op een aanvullende schadevergoeding van € 2.000,00.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van [appellant] ongegrond.
II. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn om aan [appellant] een schadevergoeding van € 2.000,00 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
884