Uitspraak BRS.25.002440
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5535
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.002440
ECLI:NL:RVS:2026:5535
Datum uitspraak: 18 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 november 2025 in zaak nr. 24/751 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 18 mei 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 20 december 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J. van Koesveld, advocaat in Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De minister heeft het bezwaar van betrokkene, gericht tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier, onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’, opnieuw ongegrond verklaard. Betrokkene heeft in Italië een status als langdurig ingezetene en hij heeft in Nederland een eenmanszaak in onder meer het verrichten van schoonmaak- en horecawerkzaamheden. De rechtbank heeft het besluit op bezwaar vernietigd, omdat de minister in strijd met haar uitspraak van 14 maart 2023 opnieuw heeft tegengeworpen dat betrokkene geen deugdelijk ondernemingsplan heeft overgelegd. Zij heeft geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De minister heeft namelijk op de zitting weliswaar de motivering in het besluit van 20 december 2023 over het ondernemingsplan laten vallen, maar gelet op de verklaringen van betrokkene op de zitting, nog altijd niet deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene niet kan worden aangemerkt als zelfstandig ondernemer, aldus de rechtbank.
Hoger beroep
2. De eerste grief over het overleggen van een deugdelijk ondernemingsplan leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling hoeft dit oordeel niet verder te motiveren. De reden daarvoor is dat deze grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
3. In de tweede grief klaagt de minister dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, omdat hij zich ook zonder zijn standpunt over het ondernemingsplan, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat betrokkene niet kan worden aangemerkt als een zelfstandig ondernemer.
3.1. De minister voert allereerst terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verklaringen die betrokkene op de zitting bij de rechtbank heeft afgelegd, weinig zeggen over de vraag of hij een zelfstandige is en dat deze verklaringen op zichzelf niet kunnen afdoen aan het standpunt van de minister. Betrokkene heeft op de zitting namelijk alleen toegelicht welke werkzaamheden hij heeft verricht, hoe hij bij zijn werkgevers terecht is gekomen en waarom hij de samenwerking met zijn opdrachtgevers de Pastafabriek en de Bakkers Brigade heeft beëindigd. Ook heeft hij alleen benadrukt dat hij wil blijven werken als zelfstandige en daarom een contractaanbod van de Bakkers Brigade heeft geweigerd en dat hij altijd zelf heeft onderhandeld met zijn opdrachtgevers over het uurloon en het aantal uren dat hij werkt.
3.2. De minister wijst er hierbij terecht op dat de verklaringen ook niet kunnen afdoen aan wat betrokkene tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft verklaard en de documenten die hij al dan niet heeft overgelegd. Zo wijst de minister terecht erop dat betrokkene in de bezwaarfase geen overeenkomst van opdracht heeft overgelegd, zodat het niet duidelijk was of betrokkene in een gezagsverhouding stond met zijn opdrachtgever de Bakkers Brigade. Weliswaar heeft betrokkene in beroep alsnog een overeenkomst van 29 december 2023 overgelegd, maar deze overeenkomst is niet in lijn met de verklaringen die betrokkene tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft afgelegd. Zo staat er in artikel 3 van de overeenkomst dat betrokkene werkzaam is binnen een project en hij wekelijks overleg heeft over de voortgang van het project met de projectverantwoordelijke. Betrokkene heeft echter tijdens de hoorzitting verklaard dat hij voedingsmiddelen klaarmaakt voor verzending naar Schiphol en dat hij met behulp van de computer stickers op de verpakkingen plakt. De minister voert terecht aan dat deze werkzaamheden niet lijken op een project, maar deel uitmaken van de normale bedrijfsvoering van de Bakkers Brigade, dat onder meer levert aan de horeca, de zorgbranche en cateraars. Het valt zonder nadere toelichting bovendien niet in te zien waarom betrokkene over deze werkzaamheden wekelijks overleg moet voeren met de opdrachtgever. Verder heeft betrokkene verklaard dat hij ‘eigen baas is’ en dat hij geen toestemming nodig heeft om anderen voor hem te laten werken. Dit komt echter niet overeen met de overeenkomst waarin onder 5.2 staat dat het betrokkene niet vrijstaat om zich bij de werkzaamheden te laten vervangen door een ander, zonder voorafgaande schriftelijke goedkeuring van de opdrachtgever.
Dat de rechtbank hierbij verder van belang heeft geacht dat de Bakkers Brigade betrokkene per gewerkte uren betaalde, zegt verder op zichzelf ook nog niets over de vraag of betrokkene een zelfstandige is. Dit is immers ook gebruikelijk voor personen die werkzaam zijn op basis van een nulurencontract. Bovendien laat dit onverlet dat betrokkene steeds voor maar één werkgever heeft gewerkt, voor een vast aantal uren per week en tegen een vast uurloon. Dat duidt er niet op dat betrokkene kan worden aangemerkt als een zelfstandig ondernemer.
3.3. Verder heeft de minister in het nadeel van betrokkene bij zijn besluit mogen betrekken dat de administratie van betrokkene niet altijd op orde was. De Afdeling is hierbij, anders dan de rechtbank heeft overwogen, van oordeel dat betrokkene er niet van uit mocht gaan dat het administratiekantoor de administratie van betrokkene op orde had, omdat de opdrachtgevers de facturen wel hebben betaald. De minister wijst er terecht op dat het ook aan betrokkene zelf is om inzicht te houden in de financiële situatie van zijn onderneming. De rechtbank is hierbij eraan voorbijgegaan dat betrokkene alleen bankafschriften uit de periode 2021 tot en met 2023 heeft overgelegd, sommige facturen zijn gericht aan onbekende bedrijven en dat er onduidelijkheden over de facturen blijven bestaan. De minister voert ten slotte terecht aan dat het, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet op zijn weg lag om navraag te doen bij de Belastingdienst om meer inzicht te krijgen in het antwoord op de vraag of betrokkene een zelfstandige is. Het is namelijk aan betrokkene om met stukken te onderbouwen dat hij kan worden aangemerkt als een zelfstandige. Hier is hij, gelet op het voorgaande, niet in geslaagd.
3.4. De minister heeft kortom terecht de conclusie getrokken dat het er niet op duidt dat betrokkene als zelfstandige werkzaam is. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De grief slaagt.
Conclusie
4. Het hoger beroep is gegrond. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover zij de minister heeft opgedragen om een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen, en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 december 2023 in stand blijven. Er zijn geen beroepsgronden die de Afdeling na de overwegingen in hoger beroep nog moet bespreken. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 19 november 2025 in zaak nr. 24/751, voor zover zij de minister heeft opgedragen om een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 december 2023, V-289.504.9486, in stand blijven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Boon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026
977