Uitspraak BRS.26.004596
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5543
- Datum uitspraak
- 18 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 24 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004596 en BRS.26.004597
ECLI:NL:RVS:2026:5543
Datum uitspraak: 18 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 augustus 2026 in zaak nr. NL25.28635 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 24 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.
Bij uitspraak van 18 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Loth, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Voor zover appellant in de tweede grief een beroep doet op het aanwezigheidsrecht bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 15 september 2022, HN, ECLI:EU:C:2022:679, punten 50 tot en met 57, gaat appellant eraan voorbij dat dit arrest gaat over het aanwezigheidsrecht voor een verdachte bij de terechtzitting in een strafprocedure. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om deze rechtspraak in dit geval van toepassing te achten. Het betoog slaagt niet.
2. Appellant betoogt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte geen volledig en actueel onderzoek heeft verricht naar de beschermingsmogelijkheden en het risico voor appellant bij terugkeer naar Colombia. De rechtbank heeft overwogen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de minister het beginsel van non-refoulement schendt bij terugkeer van appellant, omdat appellant in de gehele procedure geen punten heeft aangevoerd die twijfel doen rijzen aan de door de minister van meet af aan helder verwoorde conclusie dat het asielrelaas van appellant onvoldoende zwaarwegend is voor inwilliging van de asielaanvraag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een indringendere toets of een eigen oordeel van de rechtbank over de zwaarwegendheid van het asielrelaas niet tot een andere uitkomst leidt in deze zaak. De grief slaagt niet.
3. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vragen over het aanwezigheidsrecht en de indringendheid van de rechterlijke toetsing in asielzaken niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat alleen al daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
4. Wat appellant in het hogerberoepschrift verder aanvoert, leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
5. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J. Luijendijk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Luijendijk
voorzieningenrechter
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026
1028