Uitspraak 202304100/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5632
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 september 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan Zonnepark Holten B.V. een ontheffing van het verbod uit artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 verleend. Zonnepark Holten B.V. is de exploitant van een zonnepark nabij de Beumersteeg 13 in Holten (het zonnepark). Voor dit zonnepark heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten bij besluit van 13 november 2019 een omgevingsvergunning verleend. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft zich toen op het standpunt gesteld dat een ontheffing nodig is van het verbod uit artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (de Omgevingsverordening). Dit artikel bepaalt dat het in een grondwaterbeschermingsgebied verboden is om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen. Zonnepark Holten B.V. heeft vervolgens, onder protest, deze ontheffing aangevraagd, omdat zij van mening is dat er geen sprake is van strijd met het verbod en dat het college dus niet bevoegd is om een ontheffing daarvan te verlenen. Toen de ontheffing bij besluit van 16 september 2021 werd verleend, is Zonnepark Holten B.V. daar om die reden tegen in bezwaar gegaan. Dit bezwaar is bij besluit van 31 maart 2022 ongegrond verklaard, en haar beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van 11 mei 2023 door de rechtbank ongegrond verklaard.
- Hoger beroep
- Verordeningen
Toon inhoud
202304100/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Zonnepark Holten B.V., gevestigd in Roermond,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 11 mei 2023 in zaak nr. 22/829 in het geding tussen:
Zonnepark Holten B.V.
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel.
Procesverloop
Bij besluit van 16 september 2021 heeft het college aan Zonnepark Holten B.V. een ontheffing van het verbod uit artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 verleend.
Bij besluit van 31 maart 2022 heeft het college het door Zonnepark Holten B.V. daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 mei 2023 heeft de rechtbank het door Zonnepark Holten B.V. daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft Zonnepark Holten B.V. hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Zonnepark Holten B.V. en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 mei 2026, waar Zonnepark Holten B.V., vertegenwoordigd door mr. V. Jacobs, advocaat in Amsterdam, vergezeld door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het college van gedeputeerde staten van Overijssel, vertegenwoordigd door V. Chandran, A.G.M. Niens-Jansma, D. Reijchard, I. Booij, en F. Godeke, zijn verschenen.
Op deze zitting heeft de Afdeling het onderzoek geschorst om het college in de gelegenheid te stellen om te reageren op de nadere stukken van Zonnepark Holten B.V. Het college heeft op de nadere stukken gereageerd, en vervolgens heeft Zonnepark Holten B.V. op de reactie van het college gereageerd.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht op een nadere zitting te worden gehoord. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens gesloten.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een ontheffing op grond van een provinciale milieuverordening is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een ontheffing van de provinciale milieuverordening is ingediend op 11 februari 2021. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet milieubeheer, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Zonnepark Holten B.V. is de exploitant van een zonnepark nabij de Beumersteeg 13 in Holten (het zonnepark). Voor dit zonnepark heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten bij besluit van 13 november 2019 een omgevingsvergunning verleend. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft zich toen op het standpunt gesteld dat een ontheffing nodig is van het verbod uit artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening Overijssel 2017 (de Omgevingsverordening). Dit artikel bepaalt dat het in een grondwaterbeschermingsgebied verboden is om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen. Zonnepark Holten B.V. heeft vervolgens, onder protest, deze ontheffing aangevraagd, omdat zij van mening is dat er geen sprake is van strijd met het verbod en dat het college dus niet bevoegd is om een ontheffing daarvan te verlenen. Toen de ontheffing bij besluit van 16 september 2021 werd verleend, is Zonnepark Holten B.V. daar om die reden tegen in bezwaar gegaan. Dit bezwaar is bij besluit van 31 maart 2022 ongegrond verklaard, en haar beroep tegen dat besluit is bij uitspraak van 11 mei 2023 door de rechtbank ongegrond verklaard.
3. Zonnepark Holten B.V. is het oneens met deze uitspraak van de rechtbank. Zij vindt het zonnepark zelf een inrichting, waardoor er geen sprake is van een project "buiten een inrichting". Daarnaast vindt zij dat het zonnepark geen groot of grootschalig project is dat grote tot zeer grote risico’s voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit kan meebrengen.
4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage is onderdeel van de uitspraak.
Omvang van het geding
5. Zonnepark Holten B.V. heeft in haar hoger beroepschrift een aantal gronden aangevoerd over voorschrift 12, onderdeel d, van de ontheffing, omdat het college inmiddels het voornemen heeft uitgesproken om op grond van dat voorschrift handhavend op te treden. Op de zitting heeft Zonnepark Holten B.V. bevestigd dat vragen over de handhaving van dit voorschrift in deze procedure niet ter beoordeling voorliggen en dat de Afdeling deze gronden in deze uitspraak over of een ontheffing wel of niet nodig is, dus niet kan en zal betrekken.
De hoger beroepsgronden
Grondentrechter
6. Zonnepark Holten B.V. heeft in haar nadere stuk van 21 april 2026 aangevoerd dat artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening in strijd is met het lex certa-beginsel en daarom onverbindend moet worden verklaard. Zij heeft dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond daarom niet inhoudelijk bespreken.
Is het zonnepark een inrichting?
7. Zonnepark Holten B.V. betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het zonnepark niet is aan te merken als een inrichting in de zin van onderdeel 20.1, aanhef en onder a, vierde lid, van onderdeel c van de eerste bijlage van het Besluit omgevingsrecht (het Bor).
De uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770, waar de rechtbank in dit kader naar verwijst, is volgens haar niet relevant. In die uitspraak heeft de Afdeling namelijk de vraag beantwoord of een zonnepark kan worden aangemerkt als een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water als bedoeld in bijlage II, onder a, van de MER-richtlijn en de daarop gebaseerde categorie D 22.1 van de bijlage bij het Besluit MER. Het feit dat de Afdeling die vraag negatief beantwoordde, betekent niet dat een zonnepark niet kan worden aangemerkt als een inrichting voor het omzetten van thermische energie in elektrische energie zoals bedoeld in de genoemde bepaling van het Bor.
Zelfs als die uitspraak wel enige relevantie zou hebben, voert Zonnepark Holten B.V. aan dat dit niet tot de conclusie kan leiden die de rechtbank daaraan verbindt. Ook als het zonnepark namelijk niet geheel zou voldoen aan de letterlijke tekst van onderdeel 20.1, aanhef en onder a, vierde lid, van onderdeel c van de eerste bijlage van het Bor, volgt uit de toelichting daarbij dat een zonnepark daar wel onder valt. In de nota van toelichting (Stb. 2010, 143, p. 116) wordt verwezen naar de toelichting bij het daarvoor geldende Inrichtingen- en vergunningenbesluit (het Ivb), dat vrijwel ongewijzigd is opgenomen in het Bor. In de nota van toelichting bij het Ivb (Stb. 1993, 50, p. 113) staat dat onder categorie 20.1, onder a, sub 4 "installaties die zonne-energie omzetten in electriciteit, bijvoorbeeld door fotovoltaïsche cellen", vallen.
Omdat het zonnepark zelf een inrichting is, gaat het verbod van artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening niet op en was het college dus niet bevoegd om een ontheffing daarvan te verlenen, aldus Zonnepark Holten B.V.
7.1. Een inrichting in de zin van onderdeel 20.1, aanhef en onder a, vierde lid, van het Bor is een inrichting voor het omzetten van thermische energie in elektrische energie.
In de uitspraak van 14 augustus 2019 waar de rechtbank naar heeft verwezen, ECLI:NL:RVS:2019:2770, heeft de Afdeling, onder 3.6, overwogen dat een zonnepark geen thermische (verbrandings)installatie is, omdat in een zonnepark geen thermische energie wordt opgewekt of gebruikt voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, maar stralingsenergie (zonlicht) rechtstreeks wordt omgezet in elektrische energie. Zonnepark Holten B.V. wijst er terecht op dat het in die uitspraak ging over de vraag of een zonnepark kan worden aangemerkt als een industriële installatie bestemd voor de productie van elektriciteit, stoom en warm water, als bedoeld in bijlage II, onder a, van de MER-richtlijn, terwijl het in deze zaak gaat over de vraag of het zonnepark kan worden aangemerkt als een inrichting in de zin van onderdeel 20.1, aanhef en onder a, vierde lid, van het Bor. Maar de Afdeling is van oordeel dat de rechtbank ook in het kader van de hier voorliggende vraag naar deze overweging kon verwijzen. De genoemde overweging van de Afdeling gaat namelijk over de feitelijke vraag of een zonnepark, waar fotovoltaïsche cellen worden gebruikt, thermische energie omzet in elektrische energie. Diezelfde vraag ligt hier voor.
In wat Zonnepark Holten B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze vraag in dit geval anders beantwoord moet worden dan in de uitspraak van 14 augustus 2019. De omstandigheid dat in de nota van toelichting bij het Ivb staat dat installaties die zonne-energie omzetten in elektriciteit, bijvoorbeeld door fotovoltaïsche cellen, onder het begrip van inrichting in de zin van onderdeel 20.1, aanhef en onder a, vierde lid, van onderdeel c, van de eerste bijlage van het Bor vallen, wat daar verder ook van zij, maakt dit niet anders. Dit doet namelijk niet af aan de tekst van de bepaling zelf, waarin het gaat over het omzetten van thermische energie in elektrische energie.
Het betoog slaagt niet.
Is het zonnepark een groot of grootschalig project?
8. Zonnepark Holten B.V. betoogt dat het zonnepark geen groot of grootschalig project in de zin van artikel 3.2.2.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening is. Dat heeft de rechtbank volgens haar ten onrechte niet onderkend. Uit de toelichting van de Omgevingsverordening volgt namelijk dat bij de beschrijving van de activiteiten die worden aangemerkt als grote of grootschalige projecten aansluiting is gezocht bij het Besluit milieueffectrapportage 1994, zoals dat gold vóór 1 april 2011 (Besluit MER 1994). Uit de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 14 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2770, volgt dat een zonnepark niet onder de daarin genoemde activiteiten valt.
De rechtbank heeft overwogen dat zowel de beschrijving van de activiteiten als de gekozen (onder)grenzen in de toelichting van de Omgevingsverordening in de meeste gevallen afwijken van de grenzen/drempelwaarden voor de MER-beoordelingsplicht uit het Besluit MER 1994. Volgens Zonneparken Holten B.V. is dit echter niet relevant, omdat in de toelichting alleen staat dat wat betreft de beschrijving van de activiteiten is aangesloten bij het Besluit MER 1994. Wat die beschrijving betreft, wijst zij erop dat alle in artikel 3.2.2.4, tweede lid, van de Omgevingsverordening genoemde activiteiten, die op grond van dat artikel in ieder geval aangemerkt moeten worden als groot of grootschalig project, vallen onder de omschrijvingen van de activiteiten uit kolom 1 van de bijlage bij het Besluit MER 1994. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is er daarom volgens Zonnepark Holten B.V. wel degelijk een rechtstreeks verband tussen de activiteiten die onder artikel 3.2.2.4, tweede lid, vallen en de omschrijving van activiteiten in het besluit MER 1994.
Volgens Zonnepark Holten B.V. betekent dit op zichzelf al dat het zonnepark geen groot of grootschalig project is als bedoeld in artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening.
8.1. In de toelichting van de Omgevingsverordening staat het volgende: "In grondwaterbeschermingsgebieden geldt voor grote en grootschalige projecten een verbod met een ontheffingsmogelijkheid. Het gaat hier om projecten die grote tot zeer grote risico's met zich mee kunnen brengen voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Bij de beschrijving van de activiteiten is aansluiting gezocht bij het Besluit milieu-effectrapportage 1994, zoals die gold vóór de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit op 1 april 2011."
8.2. In wat Zonnepark Holten B.V. heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het zonnepark geen groot of grootschalig project in de zin van artikel 3.2.2.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening is. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.
De Afdeling stelt voorop dat artikel 3.2.2.4, tweede lid, een niet-limitatieve opsomming bevat van projecten die in ieder geval moeten worden aangemerkt als een groot of grootschalig project. Voor zover Zonnepark Holten B.V. heeft willen betogen dat het zonnepark niet lijkt op de projecten die in artikel 3.2.2.4, tweede lid, worden genoemd, en alleen daarom al niet als een groot of grootschalig project kan worden aangemerkt, ziet de Afdeling, gelet op de niet-limitatieve opsomming, geen aanleiding dat betoog te volgen.
Hetzelfde geldt voor de door Zonnepark Holten B.V. aangevoerde omstandigheid dat uit de toelichting van de Omgevingsverordening volgt dat bij de beschrijving van de activiteiten in artikel 3.2.2.4, tweede lid, aansluiting is gezocht bij het Besluit MER 1994. Dit betekent niet dat alleen sprake is van een groot of grootschalig project als het project valt onder de in het Besluit MER 1994 genoemde activiteiten. De rechtbank heeft in dit kader terecht overwogen dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de activiteiten die onder artikel 3.2.2.4, tweede lid, vallen en de omschrijving van activiteiten in het Besluit MER 1994.
Het betoog slaagt niet.
Nemen de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toe?
9. Zonnepark Holten B.V. betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het zonnepark grote tot zeer grote risico’s voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit mee kan brengen.
Besluit MER 1994
9.1. Zonnepark Holten B.V. wijst er ook in dit kader op dat een zonnepark niet onder een van de in de bijlage bij het Besluit MER 1994 genoemde activiteiten valt. Dit betekent volgens haar dat niet beoordeeld hoeft te worden of belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten.
9.2. Zoals de Afdeling onder 8.2 heeft overwogen, volgt uit de toelichting van de Omgevingsverordening dat aansluiting is gezocht bij het Besluit MER 1994. Het relevante toetsingskader voor de vraag of een ontheffing nodig is, is echter artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening en niet het Besluit MER 1994. Dat een bepaalde activiteit niet in het Besluit MER 1994 wordt genoemd, betekent daarom nog niet dat er geen sprake kan zijn van een toename van het risico op verontreiniging zoals bedoeld in artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening, of dat deze risico’s niet onderzocht hoeven te worden.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Toelichting Omgevingsverordening
9.3. Daarnaast voert Zonnepark Holten B.V. aan dat uit de toelichting bij de Omgevingsverordening volgt dat voor bepaalde projecten, die volgens haar ingrijpender zijn dan het zonnepark, geen ontheffing is vereist. Voor het zonnepark is daarom volgens haar ook geen ontheffing vereist.
9.4. Zoals onder 8.2 is overwogen, gaat dit om een niet-limitatieve opsomming van projecten waarvoor in ieder geval een ontheffing is vereist. Daargelaten of deze projecten minder ingrijpend zijn dan het zonnepark, kan dit op zichzelf daarom niet tot de conclusie leiden dat het zonnepark niet zorgt voor een toename van de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Geen grote of zeer grote risico’s
9.5. Zonnepark Holten B.V. stelt verder dat de onderbouwing van het college uitsluitend gebaseerd is op de notitie "Verkenning naar mogelijke effecten van zonneparken op grond- en oppervlaktewater in waterwingebieden in de provincie Limburg" van 1 oktober 2019 van het RIVM (de RIVM-notitie). Deze notitie kan volgens Zonnepark Holten B.V. om verschillende redenen de conclusie dat er in dit geval risico’s voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit bestaan, niet dragen. Daarnaast voert Zonnepark Holten B.V. aan dat het gaat om een relatief klein zonnepark, gemaakt van materialen van de hoogst mogelijke kwaliteit die niet schadelijk zijn voor de bodem of het grondwater. Ook daarom zijn grote risico’s voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit volgens haar uitgesloten.
9.6. Bij brief van 21 april 2026 heeft Zonnepark Holten B.V. ter onderbouwing van dit betoog nadere stukken ingebracht, waaronder de notitie "Risico’s op beïnvloeding chemische bodemkwaliteit door het gebruik van zonnepanelen" van TAUW van 21 april 2026 en de notitie "Zonnepark A12 Bunnik: waterkwaliteit en -kwantiteit" van 16 september 2021 van Bosch & van Rijn.
Na schorsing van het onderzoek op de zitting heeft het college hier bij brief van 18 mei 2026 op gereageerd.
Zonnepark Holten B.V. heeft vervolgens bij brief van 3 juni 2026 op het college gereageerd, met als bijlage een reactie van TAUW van 2 juni 2026 op de nadere reactie van het college en ter plaatse van het zonnepark door TAUW uitgevoerde bodemonderzoeken van 2 april 2021 en 28 februari 2025.
9.7. Op de zitting is gebleken dat volgens het college voornamelijk een ontheffing nodig is door de verhoging van de risico’s als gevolg van de draagconstructie van de zonnepanelen. De Afdeling zal zich daarom in haar oordeel tot die risico’s beperken.
9.8. De Afdeling stelt voorop dat uit de tekst van artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening volgt dat het verbod geldt voor zover de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen. Dit betekent dat er in de Omgevingsverordening geen ondergrens wordt gesteld aan de toename van het risico. Uit de letterlijke tekst van de bepaling volgt namelijk naar het oordeel van de Afdeling duidelijk dat de enkele toename van het risico voldoende is om onder de verbodsbepaling te vallen. Dat in de toelichting staat dat het gaat om projecten die grote tot zeer grote risico’s met zich mee kunnen brengen voor de bescherming van de grondwaterkwaliteit, maakt dit niet anders. Anders dan Zonnepark Holten B.V. in haar betoog stelt, is de vraag daarom niet of er sprake is van grote of zeer grote risico’s als gevolg van de realisatie van het zonnepark, maar óf er sprake is van een toename van de risico’s.
9.9. Gelet op dit toetsingskader, is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen als gevolg van de realisatie van het zonnepark.
Het college heeft bij de onderbouwing in het besluit het conceptuele model uit de RIVM-notitie als uitgangspunt gebruikt. Daaruit volgt onder andere dat één van de potentiële effecten van zonneparken op grond- en oppervlaktewater in waterwinningsgebieden de uitloging van stoffen uit de draagconstructie en de fundering is. Anders dan Zonnepark Holten B.V. betoogt, is de onderbouwing van het college echter niet uitsluitend op de RIVM-notitie gebaseerd. Het college heeft namelijk gekeken naar de specifieke omstandigheden ter plaatse van het zonnepark. In het besluit staat dat uit de kwetsbaarheidskaart van de provincie Overijssel van de drinkwaterwinning Espelose Broek volgt dat het zonnepark in een gebied ligt met een fysische kwetsbaarheid van 7-8 op een schaal van 1-10. Het college heeft daarbij toegelicht dat het gaat om waterwinning onder een zandgrond zonder een dikke aaneengesloten kleilaag, waardoor er beperkte bescherming is tegen verontreiniging van bovenaf en verontreinigende materialen sneller naar beneden zakken. Op basis daarvan is geconcludeerd dat de risico’s op verontreiniging in dit geval toenemen.
Die conclusie kan de Afdeling volgen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de door Zonnepark Holten B.V. meegebrachte deskundige op de zitting heeft bevestigd dat niet kan worden uitgesloten dat de materialen uit de fundering kunnen uitlogen, en dat het zonnepark gerealiseerd is op een zanderige bodem, waardoor uitgeloogde metalen sneller naar het grondwater kunnen zakken. Dat uitloging en verontreiniging als gevolg daarvan niet uitgesloten kunnen worden, volgt daarnaast uit de stukken die door Zonnepark Holten B.V. zelf zijn ingediend. In de notitie van TAUW van 21 april 2026 wordt geconcludeerd dat zonneparken in principe geen significant risico met zich meebrengen voor de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater binnen grondwaterbeschermingsgebieden door uitloging van metalen, zolang de panelen onbeschadigd zijn, moderne materialen worden gebruikt en installaties goed worden onderhouden. In de nadere reactie van TAUW van 2 juni 2026 staat dat de kans op verontreiniging van de bodem als gevolg van de funderingspalen van het zonnepark beperkt is, en dat uit de wetenschappelijke literatuur en recente studies van het RIVM volgt dat de risico’s als gevolg van uitloging gering en niet significant zijn. Ook hieruit kan dus niet worden geconcludeerd dat de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning niet toenemen als gevolg van de realisatie van het zonnepark. Dat deze risico’s slechts beperkt of niet significant zouden zijn, maakt, gelet op het toetsingskader, niet dat het verbod uit artikel 3.2.2.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening niet van toepassing is.
Dat uit het bodemonderzoek van TAUW uit 2025 volgt dat er ter plaatse van het zonnepark ten opzichte van het eerdere bodemonderzoek uit 2021 geen sterke verontreinigingen zijn aangetoond in het grondwater, maakt dit niet anders. Dit bodemonderzoek dateert namelijk van na het besluit van het college. Overigens overweegt de Afdeling dat het feit dat er op korte termijn nog geen sterke verontreinigingen zijn aangetoond, niet betekent dat er op de lange termijn geen toename van het risico bestaat.
Ook in zoverre slaagt het betoog niet.
9.10. Gelet op de overwegingen hiervoor, kunnen ook de verder door Zonnepark Holten B.V. aangevoerde gronden, die ertoe strekken dat het zonnepark geen grote of zeer grote risico’s met zich meebrengt, niet leiden tot de conclusie dat het verbod uit artikel 3.2.2.4 van de Omgevingsverordening niet van toepassing is op het zonnepark.
9.11. Met de rechtbank is de Afdeling daarom van oordeel dat het verbod uit artikel 3.2.2.4, eerste lid, van de Omgevingsverordening in dit geval van toepassing is, en dat dus een ontheffing als bedoeld in het derde lid nodig was.
Conclusie
10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
11. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, mr. C.H.M. van Altena en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G. Tricoli, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Tricoli
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
1103
Bijlage
Wet Milieubeheer (ten tijde van het besluit op bezwaar)
Artikel 1.1
"[…]3. Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.
[…]"
Besluit omgevingsrecht
Onderdeel 20.1
"Inrichtingen:
a. voor het omzetten van:
[…]4. thermische energie in elektrische energie;
[…]"
Omgevingsverordening Overijssel 2017
Artikel 2.13.1
"In deze verordening wordt verstaan onder:
[…]b. grondwaterbeschermingsgebieden: de als zodanig op de kaart Drinkwatervoorziening en grondwaterbescherming aangegeven gebieden.
[…]"
Artikel 3.1.1.1:
"In dit hoofdstuk en in de bijlagen bij dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
[…]l. inrichting: inrichting, als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de wet die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I van het Besluit omgevingsrecht;
[…]
w. wet: Wet milieubeheer"
Artikel 3.2.2.4:
"1. Het is in een grondwaterbeschermingsgebied verboden om buiten inrichtingen grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen.
2. Onder projecten, als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval verstaan grote en grootschalige:
- dag- of verblijfsrecreatie;
- woningbouw (meer dan 10 respectievelijk 100 woningen);
- stedenbouw (winkelcentra, bedrijven voor horeca, handel en dienstverlening);
- autowegen (inclusief parkeerterreinen, transferia), waterwegen (inclusief havens), spoorwegen;
- bedrijventerreinen;
- buisleidingen."
3. Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing verlenen van de in het eerste lid gestelde verboden. Ten aanzien van de ontheffing is artikel 3.2.4.1 van toepassing."
Ontheffing voor tijdelijk zonnepark in Holten
Uitspraak over de ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft verleend voor de aanleg van een tijdelijk zonnepark in Holten. Zonnepark Holten B.V. is de exploitant van het zonnepark in de buurt van de Beumersteeg in Holten. Voor dit zonnepark heeft het college van burgemeester en wethouders van Rijssen-Holten in 2019 een omgevingsvergunning verleend. Het college van B&W heeft zich toen op het standpunt gesteld dat een ontheffing nodig is van het verbod in de Omgevingsverordening van de provincie Overijssel. Hierin staat dat het in een grondwaterbeschermingsgebied verboden is om ‘grote en grootschalige projecten tot stand te brengen, te wijzigen of uit te breiden, voor zover de risico’s op verontreiniging van het grondwater voor de waterwinning toenemen’. Zonnepark Holten B.V. heeft vervolgens onder protest deze ontheffing aangevraagd, maar zij is van mening dat er geen sprake is van strijd met het verbod. Daarom had zij geen ontheffing hoeven vragen en is het college van gedeputeerde staten niet bevoegd om de ontheffing te verlenen. Daarom heeft het bedrijf ook tegen de eigen ontheffing bezwaar gemaakt. Het college verklaarde dat bezwaar ongegrond en de rechtbank Overijssel verklaarde vervolgens het bij haar ingediende beroep van het bedrijf ongegrond. Zonnepark Holten B.V. laat het er niet bij zitten en is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Die heeft de zaak op 4 mei 2026 op zitting behandeld.