Uitspraak 202500792/1/R3.
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5649
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- In het besluit van 20 december 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Op het perceel aan de [locatie] in Alphen aan den Rijn staan een kas, een waterbassin en een aantal hekwerken. Murbo Holding B.V. is eigenaar van dit perceel. [appellant] heeft het college op 6 mei 2021 verzocht om handhavend op te treden tegen de hekwerken. Het college heeft dit verzoek tot handhaving in het besluit van 3 juni 2021 afgewezen. Het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 3 juni 2021 is in het besluit op bezwaar van 22 november 2021 ongegrond verklaard.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202500792/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Duitsland),
appellant,
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 20 december 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op zitting behandeld op 19 juni 2026, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R.M. Klerks en R. Prins, zijn verschenen.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) aangemerkt als partij in deze procedure.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 6 mei 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op het perceel aan de [locatie] in Alphen aan den Rijn staan een kas, een waterbassin en een aantal hekwerken. Murbo Holding B.V. is eigenaar van dit perceel. [appellant] heeft het college op 6 mei 2021 verzocht om handhavend op te treden tegen de hekwerken. Het college heeft dit verzoek tot handhaving in het besluit van 3 juni 2021 afgewezen. Het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 3 juni 2021 is in het besluit op bezwaar van 22 november 2021 ongegrond verklaard.
In de uitspraak van 8 september 2022 heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep van [appellant] en zijn beroep ongegrond verklaard, waarna [appellant] in hoger beroep is gegaan.
In de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4266, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2022 vernietigd, het beroep bij de rechtbank gegrond verklaard, het besluit van het college van 22 november 2021 vernietigd en bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.
Het besluit van 20 december 2024
3. In het besluit van 20 december 2024 heeft het college het bezwaar van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het college heeft [appellant] geen procesbelang meer bij handhavend optreden tegen de hekwerken, omdat [appellant] het perceel naast het perceel met de hekwerken heeft verkocht en hij niet langer de eigenaar is van dit naastgelegen perceel. Hierdoor heeft [appellant] ook geen recht van overpad meer.
Omvang van het geding
4. De Afdeling stelt voorop dat deze procedure alleen ziet op de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaar van [appellant] in het besluit van 20 december 2024. De Afdeling zal daarom alleen de betogen bespreken die daartegen zijn gericht.
Was het college bevoegd?
5. [appellant] betoogt dat het college zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Hij voert aan dat hij nog steeds een belang heeft bij een besluit op zijn bezwaar. [appellant] stelt dat hij schade heeft geleden door het achterwege blijven van handhavend optreden tegen de hekwerken op het perceel van Murbo Holding B.V. Volgens [appellant] zijn de hekwerken namelijk onrechtmatig gebruikt om hem de toegang tot zijn perceel te ontzeggen. Als gevolg hiervan is het voor [appellant] niet mogelijk geweest om zijn spullen van het perceel te halen.
5.1. De Afdeling stelt voorop dat niet in geschil is dat [appellant] op het moment van het nemen van het besluit op bezwaar van 20 december 2024 niet langer eigenaar was van het perceel dat naast het perceel ligt waar zijn verzoek om handhavend op te treden op gericht is.
De Afdeling overweegt dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het besluit van 3 juni 2021 waarbij het college zijn verzoek om handhavend op te treden heeft afgewezen. Daarbij merkt de Afdeling op dat de door [appellant] gestelde schade, namelijk het moeten achterlaten van spullen, niet het gevolg is van het besluit van 3 juni 2021. De door [appellant] gestelde schade is ontstaan, doordat Murbo Holding B.V. geweigerd heeft om hem toegang tot zijn perceel te verlenen.
Conclusie
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Is de redelijke termijn overschreden?
8. [appellant] heeft verzocht om schadevergoeding, omdat de redelijke termijn is overschreden.
8.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit een bezwaarprocedure en twee rechterlijke instanties bestaat, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste vier jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar, anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep en twee jaar voor de behandeling van het hoger beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan.
8.2. Het college heeft het bezwaarschrift van [appellant] ontvangen op 11 juli 2021. De redelijke termijn is dus met veertien maanden overschreden. In zaken waarin een judiciële lus is toegepast, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechtelijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De Afdeling ziet reden om voor het verzoek om schadevergoeding van dit uitgangspunt af te wijken, omdat de behandeling tegen het nieuwe besluit op bezwaar langer dan anderhalf jaar na het instellen van het beroep geduurd. Deze overschrijding moet aan het college en aan de Afdeling worden toegekend. De overschrijding moet voor 12/14e deel aan het college en voor 2/14e deel aan de Afdeling worden toegerekend.
8.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 1.500,00.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep [appellant] ongegrond;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe;
III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn om aan [appellant] een schadevergoeding van € 1.285,71 te betalen;
IV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) om aan [appellant] een schadevergoeding van € 214,29 te betalen.
Aldus vastgesteld door mr. J. Gundelach, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.
w.g. Gundelach
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van der Heijden
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
884