Uitspraak 202407266/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5628
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft de raad an de gemeente Rotterdam het bestemmingsplan "Hoge Wiek" vastgesteld. Het plan maakt de herontwikkeling van de Hoge Wiek aan de Oostmolenwerf in Rotterdam mogelijk. Op het perceel staat in de huidige situatie een woontoren waarin 211 studentenwoningen aanwezig zijn. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en in de plaats daarvan voorziet het plan in een gebouw met in totaal 400 studentenwoningen. Daarnaast maakt het plan de vestiging van kantoren en bedrijven tot en met milieucategorie 2 tot een oppervlakte van 500 m2 mogelijk. Verder maakt het plan horeca van categorie 1 tot een oppervlakte van 500 m2 mogelijk. De toegestane bouwhoogte varieert van 13 m tot 72 m.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202407266/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de raad van de gemeente Rotterdam,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 3 oktober 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoge Wiek" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De raad heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 31 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.R. Post, rechtsbijstandverlener in Assen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. R. Weggemans, mr. M.A.C. Kooij, W.H.M. van der Zwan en R. van Wietingen, zijn verschenen. Verder is op de zitting Woonstad Rotterdam, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 29 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plan maakt de herontwikkeling van de Hoge Wiek aan de Oostmolenwerf in Rotterdam mogelijk. Op het perceel staat in de huidige situatie een woontoren waarin 211 studentenwoningen aanwezig zijn. De bestaande bebouwing wordt gesloopt en in de plaats daarvan voorziet het plan in een gebouw met in totaal 400 studentenwoningen. Daarnaast maakt het plan de vestiging van kantoren en bedrijven tot en met milieucategorie 2 tot een oppervlakte van 500 m2 mogelijk. Verder maakt het plan horeca van categorie 1 tot een oppervlakte van 500 m2 mogelijk. De toegestane bouwhoogte varieert van 13 m tot 72 m.
3. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie] in Rotterdam, ten noordwesten van het plangebied. De kortste afstand van zijn woning tot het plangebied is ongeveer 170 m. Hij vreest met name dat de herontwikkeling van de Hoge Wiek leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk op de omgeving van het plangebied.
4. Woonstad Rotterdam is eigenaar van het plangebied en ook de ontwikkelaar voor de beoogde herontwikkeling.
Ingetrokken beroepsgronden
5. Op de zitting heeft [appellant] zijn beroepsgronden ingetrokken die betrekking hebben op het horecagebiedsplan, de reductie van de parkeereis vanwege de nabijheid van hoogwaardig openbaar vervoer en overlast door bouwwerkzaamheden.
Toetsingskader
6. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Beoordeling van het beroep
Bezonning
7. [appellant] betoogt dat de herontwikkeling van het Havenziekenhuis ten onrechte niet in de bezonningsstudie is betrokken.
7.1. In de als bijlage 7 bij het plan opgenomen bezonningsstudie uit 2023 van Mecanoo is de schaduwwerking van de met het plan mogelijk gemaakte Hoge Wiek onderzocht. De herontwikkeling van het Havenziekenhuis hoefde daar niet bij betrokken te worden omdat dit dateert van na de vaststelling van het bestemmingsplan.
Het betoog slaagt niet.
Stikstofberekening
8. [appellant] betoogt dat de raad aan de vaststelling van het plan ten onrechte een verouderde AERIUS berekening ten grondslag heeft gelegd.
8.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond van [appellant] over de AERIUS berekening.
8.2. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt.
8.3. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51-10.52, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan het Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wet natuurbescherming (Wnb) beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen. De Afdeling stelt vast dat de woning van [appellant] op ongeveer 20 km afstand van het dichtstbijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied de Biesbosch ligt. Deze afstand is naar het oordeel van de Afdeling te groot om verwevenheid aan te nemen tussen het belang van [appellant] bij een goed woon- en leefklimaat en de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat hij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op de normen in de Wnb kan beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestemmingsplan vanwege deze beroepsgrond, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.
Parkeren
9. [appellant] heeft verschillende beroepsgronden over parkeren aangevoerd. Hij vreest dat het plan leidt tot een onaanvaardbare parkeerdruk op de omgeving van het plangebied. Hieronder zal de Afdeling ingaan op de betogen die hiermee verband houden. Daarbij bespreekt de Afdeling achtereenvolgens de volgende aspecten:
- toetsingskader parkeren;
- de resultaten uit het parkeeronderzoek;
- de berekende parkeereis;
- parkeerplaatsen voor de kantoren;
- parkeerplaatsen voor de studentenwoningen.
Toetsingskader parkeren
10. Artikel 10.1 van de planregels luidt als volgt: "Een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en het gebruik van gronden of bouwwerken op grond van de regels in hoofdstuk 2 kan uitsluitend worden verleend als voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, overeenkomstig het beleid ten aanzien van parkeren zoals opgenomen in de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2022" (Beleidsregeling 2022) of de rechtsopvolger daarvan."
10.1. Hoewel de vraag of er voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd dus pas in het kader van de procedure van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de in het plan voorziene herontwikkeling aan de orde komt, dient de raad bij de vaststelling van het plan al wel te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen kan worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 12 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5459, onder 10.2.
De resultaten uit het parkeeronderzoek
11. De raad heeft in paragraaf 6.4.2 van de plantoelichting bezien wat de voorziene herontwikkeling betekent voor de parkeerbehoefte en de parkeergelegenheid in de omgeving. Aan deze motivering ligt ook het rapport "Ontwikkeling Hoge Wiek Rotterdam" van Goudappel van 16 november 2023 ten grondslag, dat als bijlage 2 bij de plantoelichting is gevoegd. Uit paragraaf 6.4.2 van de plantoelichting en het rapport van Goudappel volgt dat de parkeerbehoefte voor de ontwikkeling van studentenwoningen en commerciële voorzieningen op basis van de Beleidsregeling 2022 als volgt is berekend.
11.1. De Beleidsregeling 2022 bevat parkeernormen voor verschillende functies. Voor het toepassen van de normen is relevant in welk gebied de functies liggen. De Beleidsregeling 2022 onderscheidt binnen de gemeente drie verschillende gebiedstypen: "A hoogstedelijk gebied", "B stadswijken" en "C overig gebied". Uit het rapport van Goudappel blijkt dat gerekend is met normen die gelden voor "A hoogstedelijk gebied". De toepasselijke parkeernorm wordt gebruikt om het aantal te realiseren parkeerplaatsen te berekenen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit wordt in de Beleidsregeling 2022 de parkeereis genoemd. Voor de 400 studentenwoningen leidt dat tot een parkeereis van 160 parkeerplaatsen. Voor de kantoorfunctie leidt dit tot een parkeereis van 6 parkeerplaatsen en voor de horecafunctie tot een parkeereis van 8 parkeerplaatsen. Dit volgt uit tabellen 2.1 en 2.2 van het rapport van Goudappel. In totaal komt de parkeereis dan uit op 174 parkeerplaatsen. Dit aantal is op zichzelf niet in geschil.
11.2. In het rapport van Goudappel en paragraaf 6.4.2 van de plantoelichting staat dat als een ontwikkeling wordt gerealiseerd in gebiedstype A hoogstedelijk gebied in gebied Centrum, parkeernormen voor een aantal niet-woonfuncties kunnen worden toegepast als maximumnormen. Voor de horecafunctie heeft de raad daarom een parkeernorm van nul gehanteerd. De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij zich voor deze reductie heeft gebaseerd op artikel 14 van de Beleidsregeling 2022. In totaal komt de parkeereis dan uit op 166 parkeerplaatsen.
11.3. Vervolgens is op de parkeereis van de woon- en kantoorfunctie een reductie van 30% toegepast omdat er een hoogwaardig openbaar vervoer halte in de nabijheid ligt. De afstand tussen het plangebied en station Blaak is hemelsbreed 630 m. De parkeereis voor de studentenwoningen is met 48 parkeerplaatsen gereduceerd, zodat voor de studentenwoningen 112 parkeerplaatsen nodig zijn. De parkeereis voor de kantoorfunctie is met 1,8 parkeerplaatsen gereduceerd, zodat voor de kantoorfunctie 4,2 parkeerplaatsen nodig zijn. De raad heeft op de zitting toegelicht dat deze reductie is gebaseerd op artikel 12, eerste lid, van de Beleidsregeling 2022.
11.4. Verder is bij de berekening van de parkeereis rekening gehouden met dubbelgebruik en aanwezigheidspercentages. Dit heeft de raad, zoals op de zitting toegelicht, gebaseerd op artikel 5 van de Beleidsregeling 2022. Uit tabel 2.5 van het rapport van Goudappel blijkt dat het maatgevende moment de werkdagnacht is, waarbij de parkeereis voor het aandeel bewoners 112 parkeerplaatsen is.
11.5. De raad heeft de parkeereis van 112 parkeerplaatsen voor de studentenwoningen op nul parkeerplaatsen gesteld. De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij hiermee toepassing heeft gegeven aan de afwijkingsregeling in artikel 15, aanhef en onder b, van de Beleidsregeling 2022. Verder staat in het rapport van Goudappel en in paragraaf 6.4.2 van de plantoelichting dat de raad ervoor heeft gekozen om geen reductie van 30% vanwege de aanwezigheid van een hoogwaardig openbaar vervoer halte toe te passen op de parkeereis voor de kantoorfunctie. De parkeereis van 6 parkeerplaatsen van de kantoorfunctie wordt in bestaande openbare parkeergarages in de omgeving van het plangebied opgelost. De raad heeft op de zitting toegelicht dat artikel 10 van de Beleidsregeling 2022 hiervoor de mogelijkheid biedt.
11.6. De Afdeling overweegt dat de raad een vraagsturend parkeerbeleid hanteert. Uitgangspunt bij vraagsturend parkeerbeleid is dat niet (geheel) wordt voorzien in de parkeerbehoefte volgens de CROW-kentallen, die een nieuwe ontwikkeling genereert. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de toepassing van een parkeernorm die aanzienlijk lager is dan de CROW-kentallen, in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader moet het betrokken bestuursorgaan zich ervan vergewissen dat de te hanteren lagere parkeernormering geen onaanvaardbare parkeeroverlast in de directe omgeving van het betrokken plangebied tot gevolg heeft. Daarbij moet worden gemotiveerd welk belang gediend is met het vraagsturend parkeerbeleid en welke factoren maken dat een goede ruimtelijke ordening is gegarandeerd, ondanks dat een parkeernorm van nul wordt gehanteerd. De Afdeling verwijst in dit verband naar haar uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3171, onder 21.2.
De berekende parkeereis
12. [appellant] betoogt dat de parkeereis niet juist is berekend. In het algemeen merkt hij daarover op dat onvoldoende is gemotiveerd op welke artikelen in de Beleidsregeling de verschillende reducties zijn gebaseerd. Hij voert verder aan dat artikel 14 van de Beleidsregeling 2022 onduidelijk is. Volgens hem kan hieruit niet worden afgeleid dat de parkeereis voor de horecafunctie tot nul parkeerplaatsen kan worden gereduceerd.
12.1. Over het betoog dat onvoldoende is gemotiveerd op welke artikelen in de Beleidsregeling 2022 de verschillende reducties van de parkeereis zijn gebaseerd, overweegt de Afdeling het volgende. In het rapport van Goudappel en in de plantoelichting is weliswaar niet vermeld op welke artikelen in de Beleidsregeling 2022 de verschillende reducties van de parkeereis zijn gebaseerd, maar uit het beroepschrift blijkt dat [appellant] hierdoor niet in zijn belangen is geraakt omdat het voor hem duidelijk was op welke artikelen de verschillende reducties waren gebaseerd.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
12.2. De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor de horecafunctie ten onrechte met een parkeernorm van nul parkeerplaatsen per 100 m2 bvo heeft gerekend. In artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregeling 2022 staat dat bij een vergunning een parkeereis wordt gesteld conform de indeling in gebiedstypen en normen als bedoeld in artikel 2 en bijlage 4 van de Beleidsregeling 2022. In artikel 14 van de Beleidsregeling 2022 staat dat als een ontwikkeling wordt gerealiseerd in gebiedstype A, hoogstedelijk gebied in gebied Centrum, de normen in tabel 4.2 van bijlage 4 "Auto niet-woonfuncties" worden toegepast als maximumnormen. Tussen partijen is niet in geschil dat het plangebied binnen het gebied Centrum ligt. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de formulering van artikel 14 van de Beleidsregeling 2022, alle normen onder de maximale parkeernorm zijn toegestaan en dus ook een parkeernorm van nul parkeerplaatsen. De Afdeling kan dit standpunt volgen.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
Parkeerplaatsen voor de kantoren
13. [appellant] betoogt dat de Beleidsregeling 2022 niet in de mogelijkheid voorziet om de parkeereis voor de kantoorfunctie in openbare parkeergarages op te lossen. Volgens [appellant] zal hierdoor de al aanwezige parkeerdruk in de openbare parkeergarages verder oplopen. Hij wijst erop dat deze al vaak vol zijn en dat de huidige bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeerplaats in deze parkeergarages.
13.1. De Afdeling stelt voorop dat artikel 10 van de Beleidsregeling 2022 de mogelijkheid biedt om geheel of gedeeltelijk af te wijken van de eis dat de parkeereis volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd. Dat is mogelijk als voor een periode van ten minste tien jaar alternatieve parkeervoorzieningen beschikbaar zijn op een ander privéterrein of in een andere garage of stalling binnen een loopafstand genoemd in de tabel in artikel 10 van de Beleidsregeling 2022. In de tabel is voor niet-woonfuncties in het gebiedstype "A hoogstedelijk gebied" een maximale loopafstand van 900 m vermeld.
13.2. In het rapport van Goudappel en in de plantoelichting staat dat er niet voor is gekozen om te voorzien in parkeergelegenheid op eigen terrein voor de kantoorfunctie. De raad heeft toegelicht dat bezoekers en werknemers van de kantoren worden geacht parkeervoorzieningen in het openbaar gebied te gebruiken. De raad heeft in dit kader verwezen naar enkele parkeerlocaties op loopafstand zoals die bij de Oude Haven, Oostplein, Kiphof en Admiraliteitskade. Tussen partijen is niet in geschil dat deze parkeerlocaties binnen de in de tabel opgenomen maximale loopafstand voor niet-woonfuncties liggen. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat in de omgevingsvergunning voor de bouw van de Hoge Wiek wordt opgenomen dat toekomstige gebruikers van de kantoren daadwerkelijk voor de periode van ten minste tien jaar gebruik zullen gaan maken van voornoemde parkeerlocaties. Voor zover [appellant] betoogt dat de openbare parkeergarages al vol zijn merkt de Afdeling op dat een bestemmingsplan geen bestaand parkeertekort hoeft op te lossen. De raad hoeft alleen rekening te houden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van het realiseren van de kantoorfunctie ten opzichte van de al bestaande parkeerbehoefte in de omgeving. De raad heeft op de zitting toegelicht dat er geen signalen zijn dat er een tekort is aan parkeerplaatsen in de openbare parkeergarages. Het komt de Afdeling, gelet op de toelichting van de raad op de zitting, niet onaannemelijk voor dat er ruimte bestaat in voornoemde parkeerlocaties voor de zes parkeerplaatsen voor de kantoorfunctie.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat op andere wijze dan op eigen terrein in alternatieve parkeerruimte wordt voorzien voor de kantoorfunctie.
Het betoog slaagt niet.
Parkeerplaatsen voor de studentenwoningen
14. [appellant] betoogt dat de parkeereis voor de bewoners van de studentenwoningen ten onrechte op nul is gesteld. In de eerste plaats biedt artikel 15 van de Beleidsregeling 2022 volgens [appellant] niet de mogelijkheid om de parkeereis op nul te stellen. Volgens hem biedt dit artikel alleen de mogelijkheid om af te wijken van de eis dat het parkeren volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd, en dus niet om geheel van de parkeereis af te wijken.
Daarnaast voert [appellant] aan dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat is voldaan aan de vereisten uit artikel 15, onder b, van de Beleidsregeling 2022. Volgens hem heeft de raad ten onrechte niet onderbouwd dat het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen. Het gaat in dit geval immers om volledige nieuwbouw waarbij het perceel volledig opnieuw kan worden ingericht. Daarbij kan ook rekening worden gehouden met de realisatie van parkeerplaatsen of een parkeergarage. Ook heeft de raad niet onderbouwd waarom het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is om aan de parkeereis te voldoen. De enkele stelling dat het plan studentenhuisvesting mogelijk maakt, acht hij onvoldoende. De realisatie van studentenhuisvesting is volgens hem bovendien geen bijzonder gemeentelijk belang. In tegendeel: de gemeente verbiedt, dan wel beperkt juist de kamerverhuur aan studenten. Verder wijst hij erop dat de raad ten onrechte niet in het plan heeft geborgd dat de woningen daadwerkelijk zullen worden bewoond door een doelgroep die een afwijking van de parkeereis rechtvaardigt. Tot slot wijst hij erop dat de raad ten onrechte heeft verwezen naar artikel 11 van de Beleidsregeling 2022, waarin staat dat de parkeereis kan worden teruggebracht tot nul parkeerplaatsen als sprake is van transformatie naar studentenhuisvesting. Omdat in dit geval geen sprake is van transformatie naar studentenhuisvesting kon de raad deze vergelijking niet maken, zo stelt [appellant].
Hij voert verder aan dat onvoldoende is onderbouwd dat bij een reductie van de parkeereis tot nul geen onevenredige parkeerhinder ontstaat. Het is namelijk een illusie dat er onder de toekomstige bewoners geen parkeerbehoefte bestaat. Hij vreest dat de al aanwezige parkeerdruk in de openbare parkeergarages verder zal oplopen. Hij wijst erop dat deze al vaak vol zijn en dat de huidige bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeerplaats in deze garages.
14.1. Zoals onder 11.4 van deze uitspraak is overwogen, is in het rapport van Goudappel vermeld dat de parkeereis voor de bewoners 112 parkeerplaatsen bedraagt. Het plan voorziet daar niet in en wijkt dus af van de parkeereis. De raad heeft toegelicht dat hij daarvoor artikel 15, aanhef en onder b, van de Beleidsregeling 2022 heeft toegepast. Daarin staat dat het bevoegd gezag geheel of gedeeltelijk kan afwijken van artikel 3, zesde lid, van de Beleidsregeling 2022, waarin staat dat de parkeereis volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd. Hiervoor gelden de volgende twee vereisten:
i) het is bij een ontwikkeling feitelijk onmogelijk om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen, of het is in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen;
ii) de ontwikkeling is door de gemeente bijzonder gewenst vanwege de locatie, de functie of de doelgroep.
14.2. De Afdeling is van oordeel dat de raad deugdelijk heeft gemotiveerd dat aan deze vereisten is voldaan. Dat legt de Afdeling hierna uit.
Dat het niet mogelijk is om op eigen terrein aan de parkeereis te voldoen, volgt uit het rapport van Goudappel. Daarin staat dat er vanwege de beoogde oppervlakte van de Hoge Wiek geen ruimte meer beschikbaar is voor parkeerplaatsen op eigen terrein. Ook strekt het te ver om een parkeergarage op eigen terrein te realiseren. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de hoge kosten die de realisatie van een parkeergarage met zich meebrengt ertoe zouden leiden dat de totale kosten niet meer in verhouding staan tot het ontwikkelen van studentenwoningen en de woningen niet meer als zodanig ontwikkeld kunnen worden. [appellant] heeft deze door de raad gestelde feiten niet bestreden. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid daarvan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad voldoende gemotiveerd waarom het in dit geval niet mogelijk is om geheel op eigen terrein aan de parkeereis te voldoen.
14.3. De raad heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het plan dat voorziet in de toevoeging van 189 studentenwoningen bijzonder wenselijk wordt geacht vanwege de doelgroep. Als reden hiervoor stelt de raad in paragraaf 3.2.2 van de plantoelichting dat met het plan een bijdrage wordt geleverd aan het terugdringen van het tekort aan studentenwoningen in Rotterdam en de provincie Zuid-Holland. De raad heeft hierover op de zitting toegelicht dat dit ook als doel in verschillende beleidsstukken, waaronder de Rotterdamse Woonvisie, is opgenomen. Gelet op de omstandigheid dat het beleid van de gemeente Rotterdam is gericht op het terugdringen van het tekort aan studentenwoningen, is de Afdeling van oordeel dat de raad het plan als bijzonder gewenst heeft mogen vinden vanwege de doelgroep. De enkele door [appellant] gestelde omstandigheid dat de gemeente Rotterdam kamerverhuur aan studenten verbiedt, dan wel beperkt, wat hiervan ook zij, betekent niet dat de raad de in het plan voorziene ontwikkeling van studentenwoningen daarom niet bijzonder wenselijk heeft mogen vinden.
Wat [appellant] heeft aangevoerd over de verwijzing in de motivering naar artikel 11 van de Beleidsregeling 2022 brengt de Afdeling niet tot een andere conclusie. De raad heeft ter beantwoording van de vraag of de realisatie van studentenwoningen bijzonder gewenst is vanwege de doelgroep verwezen naar artikel 11 van de Beleidsregeling 2022. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat het in dit geval weliswaar niet gaat om transformatie, maar dat het gaat om een vergelijkbare situatie waarvoor dezelfde uitgangspunten als in artikel 11 gehanteerd kunnen worden. Het gaat namelijk om dezelfde doelgroep en de realisatie van studentenhuisvesting is een bijzonder gemeentelijk belang. In wat daartegen door [appellant] is aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad zich in dit geval niet op dat standpunt mocht stellen.
Het argument over de borging van bewoning door studenten kan evenmin slagen, omdat deze factor geen onderdeel is van de vereisten in artikel 15, onder b, van de Beleidsregeling 2022.
14.4. Dat de raad deugdelijk heeft gemotiveerd dat aan de vereisten in artikel 15, onder b, van de Beleidsregeling 2022 is voldaan, betekent echter niet, zoals [appellant] terecht aanvoert en ook de raad op de zitting heeft erkend, dat met toepassing van deze afwijkingsregeling de parkeereis tot nul kon worden verlaagd. Artikel 15, onder b, biedt alleen de mogelijkheid om af te wijken van artikel 3, zesde lid, van de Beleidsregeling 2022, waarin staat dat de parkeereis volledig op eigen terrein wordt gerealiseerd. De Afdeling ziet daarom aanleiding voor het oordeel dat het besluit op dit punt in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet deugdelijk is gemotiveerd en in strijd met artikel 4:84 van de Awb is genomen. Zij ziet evenwel aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Zij overweegt in dit verband als volgt.
De raad dient bij de vaststelling van het plan al te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Artikel 10.1 van de planregels voorziet erin dat bij de vergunningverlening moet worden getoetst aan de Beleidsregeling 2022 of een nieuwere versie daarvan. De raad heeft op de zitting toegelicht dat inmiddels de "Beleidsregeling Parkeernormen auto en fiets gemeente Rotterdam 2025" (Beleidsregeling 2025) geldt. In artikel 16 van de Beleidsregeling 2025 is wel de mogelijkheid opgenomen om geheel van de parkeereis af te wijken. Op 12 november 2024 is een omgevingsvergunning voor de bouw van de Hoge Wiek aangevraagd. In artikel 23 van de Beleidsregeling 2025 is neergelegd dat als een aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Beleidsregeling 2025, deze wordt afgedaan op grond van de Beleidsregeling 2022, tenzij de aanvrager aangeeft dat de Beleidsregeling 2025 tot een gunstigere regeling leidt. De raad heeft toegelicht dat de aanvrager dat heeft gedaan en dat de aanvraag dus is getoetst aan de Beleidsregeling 2025. Op 21 november 2025 is de omgevingsvergunning verleend. De Afdeling stelt vast dat tussen de vereisten uit artikel 15, onder b, van de Beleidsregeling 2022 en de vereisten uit artikel 16, onder a, van de Beleidsregeling 2025 materieel geen verschil bestaat. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. De motivering van de raad, dat de afwijking van de parkeereis voldoet aan de vereisten die zijn gesteld in artikel 15, onder b, van de Beleidsregeling 2022, rechtvaardigt dan ook het oordeel dat die motivering in overeenstemming is met artikel 16, onder a, van de Beleidsregeling 2025. Gelet hierop ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de parkeereis niet op nul kon stellen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
14.5. De Afdeling ziet verder in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze om de parkeereis voor de bewoners van de studentenwoningen op nul te stellen zal leiden tot onevenredige parkeerhinder in de wijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad met zijn verwijzing naar de aanwezigheid in de nabijheid van het plangebied van onder meer station Blaak als hoogwaardig openbaar vervoerverbinding, het feit dat toekomstige bewoners niet in aanmerking komen voor een bewonersparkeervergunning terwijl het plangebied in een zone voor betaald parkeren ligt, in dit geval voldoende gemotiveerd dat de parkeereis voor de bewoners kan worden gereduceerd. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraak van 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3171, onder 23.3. De stelling van [appellant] dat in de bestaande situatie al een parkeerprobleem bestaat, maakt niet dat de raad geen aansluiting mocht zoeken bij de afwijkingsregeling uit de Beleidsregeling 2025 waarmee wordt ingezet op verkeersreductie in en om het plangebied.
Gelet op het voorgaande kon de raad het standpunt innemen dat [appellant] geen onevenredige parkeerhinder zal ondervinden als gevolg van de keuze om de parkeereis voor de studentenwoningen op nul te stellen.
Het betoog slaagt ook in zoverre niet.
Gebreken in de plantoelichting
15. Tot slot heeft [appellant] betoogd dat de reacties van de raad op de door hem ingebrachte zienswijze niet op de juiste manier in de plantoelichting zijn verwerkt. De Afdeling overweegt dat eventuele gebreken in de plantoelichting, wat daar ook van zij, niet kunnen leiden tot vernietiging van het plan omdat de plantoelichting geen juridisch bindend onderdeel van het plan vormt. Over de door [appellant] genoemde aspecten zelf heeft hij beroepsgronden naar voren gebracht, die hierboven zijn beoordeeld.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
16. Het beroep is ongegrond. Gelet op wat onder 14.4 is overwogen, moet de raad de proceskosten en het griffierecht vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep ongegrond;
II. veroordeelt de raad van de gemeente Rotterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. gelast dat de raad van de gemeente Rotterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.R. Mosterd, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Mosterd
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
1091
Bestemmingsplan voor het verbouwen van studentenflat Hoge Wiek in Rotterdam
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Hoge Wiek’ dat de gemeenteraad van Rotterdam heeft vastgesteld. Het plan maakt het mogelijk om studentenflat de Hoge Wiek aan de Oostmolenwerf in Rotterdam te verbouwen. Het plan maakt vierhonderd studentenwoningen mogelijk in de nieuw te bouwen woontoren. Daarnaast biedt het bestemmingsplan ruimte voor de vestiging van kantoren en bedrijven en voor horeca. Een man die op ongeveer 170 meter van de nieuwe woontoren woont, vreest dat door het bestemmingsplan de parkeerdruk in de omgeving onaanvaardbaar hoog wordt. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 31 juli 2026 op zitting behandeld.