Uitspraak 202401934/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3171
- Datum uitspraak
- 3 juni 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de raad van de gemeente Leiden het bestemmingsplan "Plesmanlaan 100" vastgesteld. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en het uitbreiden van een voormalig kantoorgebouw naar een woongebouw met 420 woningen en ondersteunend commercieel en maatschappelijk programma op de locatie Plesmanlaan 100. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor 420 huurappartementen met een woonoppervlakte tot 75 m2, waarvan 103 voor de sociale huur. Verder voorziet het plan in 750 m2 aan ondersteunende, commerciële voorzieningen in de plint van het gebouw. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Plesmanlaan, aan de westzijde aan de Haagse Schouwweg, aan de zuidzijde aan de Van Ravelingenstraat en aan de oostzijde aan de Verbeekstraat. De belangenvereniging stelt zich ten doel de leefbaarheid van de wijk Bockhorst te verhogen en de collectieve belangen van haar leden te behartigen, voor zover deze betrekking hebben op de algemene wijkvoorzieningen en woonhuizen en aanhorigheden. De wijk Bockhorst ligt ten zuiden van het plangebied. De belangenvereniging vindt de bebouwing te hoog en vreest dat het plan een negatieve impact heeft op de woonomgeving van de wijk. Zo leidt het plan volgens de belangenvereniging tot parkeerhinder.
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Zuid-Holland
Toon inhoud
202401934/1/R3.
Datum uitspraak: 3 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
Bewoners Belangenvereniging Bockhorst,
gevestigd in Leiden,
appellante,
en
1. het college van burgemeester en wethouders van Leiden,
2. de raad van de gemeente Leiden,
verweerders.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Plesmanlaan 100" vastgesteld.
Bij besluit van 15 februari 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het verbouwen en het uitbreiden van een voormalig kantoorgebouw naar een woongebouw met 420 woningen en ondersteunend commercieel en maatschappelijk programma op de locatie Plesmanlaan 100.
De besluiten zijn met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) gecoördineerd voorbereid en bekend gemaakt.
Tegen deze besluiten heeft de belangenvereniging beroep ingesteld.
Bij besluit van 17 april 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Plesmanlaan 100" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
De belangenvereniging heeft een zienswijze over het herstelbesluit naar voren gebracht.
De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend.
De belangenvereniging, de raad en het college en Urban Interest Vastgoed B.V. hebben een nader stuk ingediend.
De belangenvereniging heeft een verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn ingediend.
De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties) (hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 november 2025, waar Bewoners Belangenvereniging Bockhorst, vertegenwoordigd door mr. R. Olivier, advocaat in Den Haag, en mr. J. Olivier, en de raad en het college, vertegenwoordigd door M. Staverman, mr. J. Zweers en mr. D.C.M. Vleeskens, beiden advocaat in Den Haag, zijn verschenen. Verder is op de zitting Urban Interest Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], en mr. J. Mohuddy, advocaat in Breda, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Het ontwerpplan is op 18 augustus 2023 ter inzage gelegd en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 22 juli 2021. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Omschrijving van de besluiten en de belangen van de belangenvereniging
2. Het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning maken de transformatie van een kantoorpand naar een woongebouw aan de Plesmanlaan 100 in het Morsdistrict in Leiden mogelijk. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor 420 huurappartementen met een woonoppervlakte tot 75 m2, waarvan 103 voor de sociale huur. Verder voorziet het plan in 750 m2 aan ondersteunende, commerciële voorzieningen in de plint van het gebouw. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Plesmanlaan, aan de westzijde aan de Haagse Schouwweg, aan de zuidzijde aan de Van Ravelingenstraat en aan de oostzijde aan de Verbeekstraat.
3. De belangenvereniging stelt zich ten doel de leefbaarheid van de wijk Bockhorst te verhogen en de collectieve belangen van haar leden te behartigen, voor zover deze betrekking hebben op de algemene wijkvoorzieningen en woonhuizen en aanhorigheden. De wijk Bockhorst ligt ten zuiden van het plangebied. De belangenvereniging vindt de bebouwing te hoog en vreest dat het plan een negatieve impact heeft op de woonomgeving van de wijk. Zo leidt het plan volgens de belangenvereniging tot parkeerhinder.
Herstelbesluit
4. De raad heeft bij besluit van 17 april 2025 het bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Het herstelbesluit wijzigt, voor zover van belang, ten opzichte van het oorspronkelijke besluit het volgende: de groene invulling van het binnenterrein en de groene daken is vastgelegd; geborgd is dat de commerciële ruimte uitsluitend aan de zijde van de Plesmanlaan mag worden gerealiseerd; aan de gronden met de bestemming "Wonen" is de functieaanduiding ‘parkeergarage’ toegekend; en de categorieën huurwoningen (sociaal/middelduur) en daarbij behorende percentages worden geborgd in de planregels.
5. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan voor de belangenvereniging. De Afdeling zal eerst het beroep van de belangenvereniging van rechtswege tegen het besluit van 15 februari 2025 beoordelen en vervolgens bezien of er nog belang bestaat bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen het besluit van 1 februari 2024.
6. De Afdeling overweegt dat met het herstelbesluit tegemoet is gekomen aan een aantal beroepsgronden van de belangenvereniging tegen het besluit van 1 februari 2024. Dit is ook op de zitting besproken. De Afdeling ziet voor die beroepsgronden daarom af van een inhoudelijke beoordeling. Dat geldt voor de beroepsgronden dat het plan leidt tot onevenredige geluidhinder in de wijk en dat in het bestemmingsplan geen voorwaardelijke verplichting over de programmering van de woningen is opgenomen.
Ingetrokken beroepsgronden
7. Op de zitting heeft de belangenvereniging de volgende gronden die zij tegen het bestemmingsplan heeft aangevoerd, ingetrokken: de grond over de planbegrenzing, de laddertoets, klimaatverandering, de algemene afwijkingsbevoegdheid, bezonning, en de gronden dat het plan niet uitvoerbaar is omdat een definitief besluit hogere waarden ontbreekt en omdat het soortenbeschermingsregime van de Wnb daaraan in de weg staat. Verder heeft de belangenvereniging op de zitting toegelicht dat haar beroepsgrond met betrekking tot de bestemming ‘Water’ beperkt wordt tot de afwijkingsmogelijkheid voor het realiseren van een horecaterras.
8. Op de zitting heeft de belangenvereniging de volgende gronden die zij tegen de omgevingsvergunning heeft aangevoerd ingetrokken: de grond over de aanhakende natuurtoestemming, de uitwegen, en de strijdigheid van het bouwplan met artikel 5.5.1 van de planregels.
Opzet van de uitspraak
9. Hieronder zal de Afdeling eerst de beroepsgronden bespreken die betrekking hebben op het bestemmingsplan (overwegingen 12- 38). Daarna komen de beroepsgronden aan de orde die betrekking hebben op de verleende omgevingsvergunning (overwegingen 39 - 47).
Wettelijk kader
10. Het wettelijk kader en de planregels zijn, voor zover van belang, opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Voor de leesbaarheid van de uitspraak is ook een aantal bepalingen opgenomen in de overwegingen van de uitspraak.
Het bestemmingsplan
Toetsingskader
11. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Stedenbouwkundige bezwaren
12. De belangenvereniging betoogt dat het bestemmingsplan te hoge bebouwing mogelijk maakt. De bebouwing sluit daardoor niet goed aan bij de woonwijk Bockhorst. Het verschil tussen de bebouwing binnen het plangebied en de woonwijk is groot. Zoals in één van de zienswijzen tegen het ontwerp van het bestemmingsplan inzichtelijk is gemaakt, is dit in strijd met de stedenbouwkundige eisen en de Nota van Uitgangspunten (NvU).
12.1. De Afdeling stelt vast dat het bestemmingsplan bouwhoogtes mogelijk maakt variërend van 18 m aan de Van Ravelingenstraat en de Verbeekstraat tot maximaal 42 m richting de Plesmanlaan en de Haagse Schouwweg. In de huidige situatie is het bestaande kantoorgebouw op zijn hoogste punt 25 m. Het gebouw wordt opgetopt met twee tot vier bouwlagen. De bouwhoogtes nemen trapsgewijs toe richting de Plesmanlaan en de Haagse Schouwweg. De laagste delen van het gebouwen grenzen aan de Verbeekstraat en aan de Van Ravelingenstraat, de straat die het dichtst bij de wijk Bockhorst ligt. De maximale bouwhoogte van de woningen in Bockhorst bedraagt 10 m.
12.2. De Afdeling overweegt dat de raad beleidsruimte heeft voor de beoordeling of bebouwing stedenbouwkundig inpasbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad, gegeven die beleidsruimte, voldoende gemotiveerd waarom de toegestane bebouwing past in de omgeving. De in de NvU genoemde hoogte van maximaal 18 m aan de zijde van de Van Ravelingenstraat is een streefwaarde en niet een maximum. Dat een deel van die zijde van het gebouw een maximale hoogte van 21 m kent betekent daarom niet dat het plan in stedenbouwkundig opzicht niet aanvaardbaar is. In de NvU is als opgave opgenomen dat een goede overgang tussen het stedelijke karakter langs de Plesmanlaan en het luwere karakter van Bockhorst moet worden gemaakt. Dit heeft de raad gedaan door een trapsgewijze toename in de hoogte mogelijk te maken richting de Plesmanlaan en de Haagse Schouwweg, wat volgens de raad het belangrijkste uitgangspunt is uit de NvU. Deze trapsgewijze toename van bouwhoogten is in artikel 5.2.1, onder b, van de planregels in samenhang met de verbeelding geborgd. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat de voorziene bouwhoogtes uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar zijn.
Het betoog slaagt niet.
Loopbrug
13. De belangenvereniging betoogt dat de bestemmingsomschrijvingen van de bestemmingen "Groen" en "Water" in respectievelijk artikel 3.1, aanhef en onder d, en artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels ten onrechte geen beperking van het aantal toegestane loopbruggen bevat. Ook ontbreekt een aanduiding van de plaats waar de loopbruggen moeten worden gerealiseerd. De belangenvereniging vreest dat een loopbrug tussen het plangebied en Bockhorst zal leiden tot meer parkeerproblemen.
13.1. Artikel 3.1, aanhef en onder d, van de planregels luidt:
"De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…] oeververbinding in de vorm van een loopbrug;[…]".
Artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels luidt:
"De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…] oeververbinding in de vorm van een loopbrug;[…]".
13.2. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het aantal loopbruggen inderdaad niet vaststaat, maar dat wordt uitgegaan van één loopbrug. De raad kan instemmen met een aanpassing van artikelen 3.1, aanhef en onder d, van de planregels en artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels, namelijk door deze zo te wijzigen dat op de voor ‘Groen’ en ‘Water’ aangewezen gronden slechts één loopbrug kan worden gerealiseerd. De Afdeling begrijpt de toelichting van de raad zo, dat de raad in het betoog van de belangenvereniging aanleiding heeft gezien om zijn standpunt hierover te wijzigen. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
De Afdeling zal later nog ingaan op de vrees van de belangenvereniging dat een loopbrug tussen het plangebied en Bockhorst zal leiden tot meer parkeerproblemen.
Het betoog slaagt.
Horecaterras
14. De belangenvereniging betoogt dat ingevolge artikel 4.3.2 van de planregels ten onrechte voor de gehele bestemming "Water" kan worden afgeweken van artikel 4.1, onder e, van de planregels voor het toestaan van een steiger met een horecaterras op andere locaties dan ter plaatse van de aanduiding ‘steiger’. Er is echter geen onderzoek verricht naar de planologische aanvaardbaarheid van de door toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid mogelijk gemaakte ontwikkelingen. De criteria in artikel 4.3.2 van de planregels zijn te onduidelijk en daarmee in strijd met de rechtszekerheid.
14.1. Op de zitting heeft de belangenvereniging toegelicht dat zij vreest dat artikel 4.3.2 van de planregels onvoldoende waarborg biedt dat bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid het belang van omwonenden bij het voorkomen van onevenredige geluidhinder van horecaterrassen wordt meegewogen. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat onder ‘de belangen van derden’ in artikel 4.3.2, aanhef en onder c, van de planregels ook ruimtelijk relevante belangen van omwonenden moeten worden geschaard. De Afdeling begrijpt het standpunt van de raad op de zitting zo dat daaronder ook het belang van omwonenden valt om niet onevenredig in hun (akoestisch) woon- en leefklimaat te worden geschaad. Naar het oordeel van de Afdeling biedt de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voldoende waarborg dat het belang van omwonenden bij het voorkomen van onevenredige geluidhinder wordt meegewogen bij toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 4.3.2, aanhef en onder c, van de planregels rechtsonzeker is, omdat ‘belangen van derden’ enige beoordelingsruimte laat. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de planologische aanvaardbaarheid van hetgeen met de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid mogelijk kan worden gemaakt, voldoende is geregeld.
De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de planregels het mogelijk maken dat een omgevingsvergunning voor het toestaan van een horecaterras op andere locaties dan ter plaatse van de aanduiding ‘steiger’ kan worden verleend, zonder dat daarbij de belangen van omwonenden worden meegewogen.
Het betoog slaagt niet.
Bestemming "Wonen"
Functieaanduiding ‘gemengd’
15. De belangenvereniging betoogt dat het plan rechtsonzeker is. Daartoe voert zij aan dat, gelet op het bepaalde in artikel 1.27 in samenhang gelezen met artikel 1.55, 1.34, en 1.70 van de planregels, de definitie van "commerciële en maatschappelijke functies" te onbepaald is. Omdat het plangebied direct naast een woonwijk is gelegen, was een meer afgebakende en minder omvattende regeling passender geweest.
Verder voert de belangenvereniging aan dat in de uitgevoerde onderzoeken onvoldoende rekening is gehouden met dat wat het plan bij recht mogelijk maakt, in het bijzonder de gevolgen daarvan ten aanzien van parkeren, geluid en verkeer.
Ook voert de belangenvereniging aan dat er tal van activiteiten bij recht zijn toegestaan, waarvoor in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die bij het bestemmingsplan is gevoegd, langere richtafstanden zijn opgenomen. De belangenvereniging noemt onder andere sportscholen, fitnesscentra, sauna’s en verpleeghuizen, waarvan de richtafstand 30 m bedraagt. Ook is geen rekening gehouden met de richtafstanden uit de VNG-brochure.
15.1. Op grond van artikel 5.1 aanhef en onder c, van de planregels zijn
de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’ tevens bestemd voor commerciële en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I*.
Op grond van artikel 5.3.1, aanhef en onder b, van de planregels mag het totale bedrijfsvloeroppervlakte ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’ in zijn totaliteit 750 m2 BVO bedragen, waarbij voor horeca een maximum van 400 m2 BVO geldt.
15.2. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan rechtsonzeker is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de omstandigheid dat artikel 1.27 in samenhang met artikelen 1.34, 1.55 en 1.70 van de planregels een veelheid aan activiteiten toelaat, niet betekent dat de definitie zo ruim is omschreven dat dit tot rechtsonzekerheid leidt. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de invulling van de brede definitie op deze locatie aanvaardbaar is gezien de beperkte omvang en de situering van de gronden met de functieaanduiding ‘gemengd’.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
15.3. De Afdeling overweegt dat de raad in het herstelbesluit de bestemmingsomschrijving voor de functie ‘Wonen’ in artikel 5.1 van de planregels zo heeft aangepast, dat de commerciële en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I* alleen nog ter plaatse van de functieaanduiding ‘gemengd’ mogen worden gerealiseerd. Voorts overweegt de Afdeling dat de kortste afstand tussen de gronden met de functieaanduiding ‘gemengd’ en de dichtstbijzijnde woning in Bockhorst zo’n 40 m bedraagt. Dat het plan functies mogelijk maakt waarvoor langere VNG-richtafstanden gelden dan 30 m, leidt er dan ook niet toe dat de raad de gevolgen van de aanduiding ‘gemengd’ in verband met geluid, geur en stof voor het woon- en leefklimaat van de bewoners van Bockhorst ten onrechte aanvaardbaar heeft geacht. Voor zover de belangenvereniging aanvoert dat in de uitgevoerde onderzoeken onvoldoende rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor parkeren en verkeer, overweegt de Afdeling dat zij hierop ingaat bij de beroepsgronden over parkeren en verkeer.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
15.4. De belangenvereniging betoogt verder ten onrechte dat het vaststellingsbesluit en de verbeelding tegenstrijdig zijn. Op de verbeelding is de functieaanduiding ‘gemengd’ toegekend aan de gronden aan de noordwestzijde van het gebouw, aan de kant van de Haagsche Schouwweg. In het vaststellingsbesluit staat dat deze aanduiding aan de zijde van de Plesmanlaan is gesitueerd. De raad heeft toegelicht dat dit komt omdat, vanuit het gehele pand beschouwd, de aanduiding ‘gemengd’ overwegend aan de zijde van de Plesmanlaan is gelegen.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
15.5. De belangenvereniging betoogt verder dat wat achter artikel 5.1, aanhef en onder b, c, d, e en f, staat, achter de passage tussen f en g ("met de daarbij behorende voorzieningen") had moeten staan in plaats van daarvoor. Concreet betekent dit dat de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden volgens de belangenvereniging bestemd moeten worden voor wonen, met de daarbij behorende voorzieningen, genoemd onder b tot en met r. Het gaat dan onder meer om commerciële en maatschappelijke functies. Daartoe voert zij aan dat het de bedoeling van de raad was om de functies genoemd onder b tot en met f ondersteunend aan de hoofdfunctie ‘wonen’ mogelijk te maken.
De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de huidige redactie van artikel 5 van de planregels geen aanpassing behoeft. Dat de omvang van de woonfunctie groter is dan de omvang van commerciële en/of maatschappelijke functies betekent niet dat die functies ondersteunend aan de woonfunctie zijn. Uit paragraaf 2.2.3 van de plantoelichting volgt dat de commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen in de plint van het gebouw ook voorzien in de behoeften van direct omwonenden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat daarmee niet is bedoeld dat de commerciële en/of maatschappelijke voorzieningen uitsluitend voorzien in de behoeften van direct omwonenden.
Het betoog slaagt niet.
Invulling functies
16. De belangenvereniging betoogt dat artikel 5.3.1 van de planregels onduidelijk is. Het is onduidelijk hoe onder 1 t/m 3, onder b, zich tot elkaar verhouden. In de oorspronkelijke formulering van de planregel was het totaal toegestane BVO voor commerciële functies 750 m2, waarvan maximaal 400 m2 horeca. De planregel is in het herstelbesluit minder scherp geformuleerd. De planregel zou namelijk ook zo kunnen worden uitgelegd dat het totaal toegestane BVO 750 m2 BVO mag zijn met daar bovenop maximaal 400 m2 BVO voor horeca. Een dergelijke interpretatie zou ertoe leiden dat de belangenvereniging door het herstelbesluit in een slechtere positie is beland. De gevolgen van deze ruimere mogelijkheden zijn niet (kenbaar) onderzocht.
16.1. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 5.3.1 van de planregels onduidelijk is. Uit de planregels volgt duidelijk dat het totale BVO maximaal 750 m2 mag bedragen, inclusief 400 m2 BVO voor horeca. In artikel 5.3.1, onder b, onder 1, van de planregels wordt immers vermeld dat het BVO in zijn totaliteit 750 m2 mag bedragen. Artikel 5.3.1, onder b, sub 2, van de planregels geeft daar enkel een nadere invulling van.
Het betoog slaagt niet.
Afwijken van maximale bouwhoogte
17. De belangenvereniging betoogt dat artikel 5.2.1, onder d, van de planregels, ten onrechte toestaat dat de maximale bouwhoogte wordt overschreden ten behoeve van dakterrassen en daktuinen, met dien verstande dat de hoogte van hekwerken rond de dakterrassen maximaal 1,2 m mogen bedragen. De gevolgen hiervan zijn ten onrechte niet meegenomen in de onderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het bestemmingsplan.
17.1. De Afdeling ziet in wat de belangenvereniging heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat een hekwerk van 1,2 m bovenop de maximale bouwhoogte van 48 m van invloed kan zijn op de uitgevoerde onderzoeken. Het betoog slaagt niet.
Aanpassing bouwhoogten
18. De belangenvereniging klaagt over het volgende. De raad heeft ervoor gekozen om de strijdigheid van de omgevingsvergunning met het bestemmingsplan weg te nemen door het bouwvlak met een hoogte van
21 m te vergroten, ten koste van het bouwvlak met een maximale hoogte van 18 m. Daargelaten dat deze aanpassing niet expliciet volgt uit het vaststellingsbesluit, is deze op geen enkele wijze gemotiveerd. Ook zijn de uitgevoerde onderzoeken niet toegesneden op de gewijzigde bouwhoogten. Daarnaast is de aanpassing in strijd met de NvU. Uit afbeelding 10 in de NvU blijkt dat aan de zijde van de Van Ravelingenstraat 60% van de lengte van de desbetreffende gevel vijf bouwlagen heeft en 40% zes bouwlagen. Met de aanpassing van de verbeelding en de verleende omgevingsvergunning is dit omgekeerd: 40% van de gevel heeft nu vijf en 60% zes bouwlagen.
18.1. In het verweerschrift heeft de raad toegelicht dat de verbeelding is aangepast naar aanleiding van de beroepsgrond dat de omgevingsvergunning voor het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, omdat een deel van het bouwplan met zes bouwlagen (bouwhoogte 20,04 m) voor een deel (circa 4 m) in het gebied ligt waar de maximale bouwhoogte 18 m is. Met de aanpassing is het bouwplan in overeenstemming met het bestemmingsplan.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit niet had mogen doen. Anders dan de belangenvereniging betoogt, volgt naar het oordeel van de Afdeling niet uit afbeelding 10 in de NvU dat het deel van de gronden met een maximale bouwhoogte van 21 m maximaal 40% van de lengte van die gevel mag bedragen. Los van de omstandigheid dat geen cijfers en percentages bij de afbeelding in de NvU zijn genoemd en dat de hoogtes die in de NvU zijn genoemd streefhoogtes zijn, dient de afbeelding waar de belangenvereniging naar verwijst vooral als illustratie van hoe de bouwhoogte van het gebouw trapsgewijs op moet lopen, laag beginnend aan de kant van Bockhorst, aan de Van Ravelingenstraat, naar hoger richting de Plesmanlaan en Haagse Schouwweg. Verder volgt de Afdeling de raad dat in de onderzoeken is uitgegaan van het bouwplan zoals die waar nu een omgevingsvergunning voor is verleend. Dat de verbeelding is aangepast doet daarom niet af aan de uitkomsten van de onderzoeken. Verder overweegt de Afdeling dat ook met deze wijziging nog steeds wordt voldaan aan het uitgangspunt dat de bouwhoogte langzaam en trapsgewijs oploopt tot 43 m.
Het betoog slaagt niet.
Balkons
19. De belangenvereniging betoogt dat in het plan ten onrechte geen regels zijn opgenomen voor balkons die binnen het bouwvlak worden gerealiseerd.
19.1. De belangenvereniging heeft niet onderbouwd waarom daarvoor regels nodig zouden zijn. Het betoog slaagt niet.
Verkeer
20. De belangenvereniging betoogt dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het plan niet zal leiden tot onevenredige verkeershinder. Uit de verkeersonderzoeken die ten grondslag zijn gelegd aan het besluit wordt namelijk niet duidelijk of rekening is gehouden met de bijzondere kenmerken van het plan, namelijk dat de bewoners van de appartementen geen parkeervergunningen kunnen krijgen en volledig gebruik zullen moeten maken van de fiets en/of OV. Verder is niet kenbaar onderzocht of de gedachte dat bewoners geen parkeervergunning krijgen ertoe leidt dat het haal- en brengverkeer door derden groter is dan bij ‘standaard’ appartementen (vier vervoersbewegingen in plaats van twee). Dit is aannemelijk, gelet op de directe nabijheid van de A44 en de provinciale wegen. Ook is onduidelijk of rekening is gehouden met de vervoersbewegingen van de niet-woonfuncties. Ten slotte is niet onderzocht of de beschikbare wegcapaciteit voldoende is om de verkeerstoename als gevolg van het plan te verwerken.
Over het onderzoek "Verkeersstudie Plesmanlaan - Verbeekstraat Planjaar 2024" van 11 maart 2025 van CityFlow (hierna: de verkeersstudie), dat als bijlage 15 bij het herstelbesluit is gevoegd, en dat naar aanleiding van de beroepsgrond van de belangenvereniging is uitgevoerd, voert zij het volgende aan. De kruispuntsimulatie kan niet ten grondslag worden gelegd aan het standpunt dat het plan niet zal leiden tot onevenredige verkeerhinder. In de kruispuntsimulatie is het jaar 2040 onderzocht. Blijkens paragraaf 2.3 is dat ingegeven door de aanname dat HOV-lijnen 30 en 31 van Leiden naar Katwijk en Noordwijk in 2040 vaker gaan rijden. Dit is een onzekere, toekomstige situatie. Mede gelet op de lange periode tussen het moment van vaststellen van het herstelbesluit en het jaar 2040 is onduidelijk of die situatie zich zal voordoen. De kruispuntsimulatie had moeten worden toegesneden op het huidige aanbod van openbaar vervoer. Verder is ook met deze simulatie geen sprake van een integrale verkeersstudie voor het gehele plangebied en de ontsluiting via de Verbeekstraat. De verkeersbewegingen voor mogelijk honderden woningen blijven daarmee ten onrechte buiten beschouwing. Dit klemt te meer omdat de simulatie als peildatum een moment in de verre toekomst hanteert. Dat brengt met zich dat ook rekening moet worden gehouden met andere veranderingen in de periode tot 2040; niet alleen met een toename van het aanbod van openbaar vervoer.
De belangenvereniging vreest verder dat het plan tot onevenredige fietsverkeerhinder zal leiden. Uit het verkeersonderzoek blijkt niet dat de ontsluiting van het plangebied via de Verbeekstraat op de Verbeektunnel geschikt is om grote aantallen fietsers te verwerken. Uit de indicatieve fietsparkeerbalans blijkt dat er 1.033 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. Dat is niet in overeenstemming met de aanname in het verkeersonderzoek dat 200 fietsers per uur worden verondersteld.
20.1. De Afdeling overweegt dat in de verkeersstudie een verkeerssimulatie is opgenomen die is gebaseerd op het laatste verkeersmodel. In het verweerschrift wordt vermeld dat daarin alle voldoende concrete ruimtelijke ontwikkelingen zijn meegenomen. Hoewel voor het gebied Plesmanlaan/Verbeekstraat een volledige herontwikkeling wordt beoogd, liggen de ontwikkelingen aan de Verbeekstraat 1 - 9 en 2 - 12 op dit moment stil. De raad heeft op de zitting toegelicht dat de besluitvorming voor deze projecten nog niet is afgerond en dat deze projecten naar verwachting de komende jaren nog zullen stilliggen. Daarom zijn deze projecten ook niet meegenomen in de verkeersstudie. De Afdeling kan dit standpunt volgen. Daartoe overweegt de Afdeling, zoals ook eerder overwogen in haar uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2486, onder 11.2, dat de raad toekomstige ontwikkelingen, die nog onvoldoende zeker zijn, niet in de verkeersstudie hoeft te betrekken. Zoals ook op de zitting is besproken, zal in het geval dat de andere plannen die deel uitmaken van de herontwikkeling voor het gebied Plesmanlaan/Verbeekstraat, tot ontwikkeling zullen worden gebracht, de effecten van dit plan op de kruising van de Plesmanlaan en de Verbeekstraat als een gegeven moeten worden beschouwd. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen integraal verkeersonderzoek heeft uitgevoerd. Verder overweegt de Afdeling dat in de verkeersstudie in tabel 1 bij de verkeersgeneratie ook verkeersbewegingen zijn berekend voor de horecafunctie en de commerciële en/of functie. In het herstelbesluit is in zoverre tegemoetgekomen aan deze beroepsgrond.
De Afdeling ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de HOV-lijnen 30 en 31 van Leiden naar Katwijk en Noordwijk, die vanaf 2040 vaker zullen rijden, niet in de verkeersstudie had mogen betrekken omdat dit een onzekere, toekomstige situatie is. Het voornemen om de HOV-verbinding tussen Leiden, Katwijk en Noordwijk vaker te laten rijden blijkt uit verschillende beleidsdocumenten van de provincie Zuid-Holland. In het verweerschrift wordt vermeld dat de raad door uit te gaan van deze extra verkeersbewegingen in de kruispuntensimulatie is uitgegaan van een worst-case situatie. Zelfs als de HOV-lijnen uiteindelijk niet vaker zullen rijden, dan nog zal dat de conclusie uit de verkeersstudie dat het kruispunt Plesmanlaan - Verbeekstraat voldoende ruimte biedt voor de ontwikkeling, waarbij de doorstroming van het verkeer binnen de normen blijft, niet wijzigen. Er is immers sprake van een worst-case berekening. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad voor het berekenen van de worst-case situatie niet ook uit mocht gaan van de extra verkeersbewegingen in 2040 als gevolg van de HOV-lijnen omdat die nog onvoldoende zeker zijn.
De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad ten onrechte geen onderzoek heeft gedaan naar de veronderstelling dat - omdat bewoners geen parkeervergunning krijgen - het haal- en brengverkeer door derden groter zal zijn. De belangenvereniging heeft de veronderstelling dat het plan mogelijk tot meer haal- en brengverkeer leidt ook niet onderbouwd. De Afdeling volgt het standpunt van de belangenvereniging niet dat dit aannemelijk is, gelet op de directe nabijheid van de A44 en de provinciale wegen. De raad heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat de parkeereis voor bewoners van de appartementen op 0 is gesteld, juist ook vanuit het idee dat alternatieve mobiliteit wordt gebruikt en niet met de verwachting dat de bewoners structureel zullen worden opgehaald en gebracht door derden met een auto.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
20.2. In wat de belangenvereniging daarover heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat het plan niet tot onevenredige fietsverkeerhinder zal leiden. Dat de fietsparkeerbehoefte, die is berekend op 1.033 fietsparkeerplaatsen, meer bedraagt dan de 200 fietsverkeersbewegingen per uur die in de verkeersstudie worden genoemd, maakt dat niet anders. De Afdeling kan het standpunt van de raad volgen dat de 1.033 geparkeerde fietsen niet in één keer allemaal tegelijkertijd de weg op zullen gaan. De Afdeling ziet in wat verder is aangevoerd evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad met 200 fietsverkeerbewegingen per uur de fietsverkeersgeneratie van het plan heeft onderschat. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de verkeerskundige 200 fietsverkeerbewegingen per uur een redelijke aanname heeft geacht, gelet op de hoeveelheid woningen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit een onderschatting is en dat heteigenlijk om 400 fietsverkeerbewegingen per uur had moeten gaan omdat men tegelijkertijd naar het werk fietst, zoals de belangenvereniging op de zitting heeft gesteld.
De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat de ontsluiting van het plangebied via de Verbeekstraat op de Verbeektunnel de fietsverkeersgeneratie van het plan niet zal kunnen verwerken.
De betogen slagen in zoverre niet.
Parkeren
21. De belangenvereniging heeft verschillende beroepsgronden over parkeren aangevoerd tegen zowel het bestemmingsplan als tegen de omgevingsvergunning. De belangenvereniging vreest dat het plan zal leiden tot onevenredige parkeerhinder voor de huidige bewoners van de wijk.
21.1. Bij de verlening van de omgevingsvergunning heeft het college toepassing gegeven aan de afwijkingsregeling van artikel 12.1, onder c van de planregels in verbinding met de afwijkingsregeling uit de ‘Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020’, en is aldus de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners op 0 parkeerplaatsen gesteld. De parkeervraag van werknemers van de commerciële functies en hun bezoekers, alsmede van de bezoekers van de toekomstige bewoners wordt in de bestaande ondergrondse parkeergarage opgelost, die voorziet in 168 parkeerplaatsen.
In het hiernavolgende deel van de uitspraak zal de Afdeling beoordelen of het standpunt kon worden ingenomen dat dat niet tot onevenredige parkeerhinder in de wijk Bockhorst leidt.
21.2. De Afdeling overweegt dat een vraagsturend parkeerbeleid wordt gehanteerd. Uitgangspunt bij vraagsturend parkeerbeleid is dat niet (geheel) wordt voorzien in de parkeerbehoefte volgens de CROW-kentallen, die een nieuwe ontwikkeling genereert. De Afdeling ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de toepassing van een parkeernorm die aanzienlijk lager is dan de CROW-kentallen, in overeenstemming kan worden geacht met een goede ruimtelijke ordening. In dat kader moet het betrokken bestuursorgaan zich ervan vergewissen dat de te hanteren lagere parkeernormering geen onaanvaardbare parkeeroverlast in de directe omgeving van het betrokken plangebied tot gevolg heeft. Daarbij moet worden gemotiveerd welk belang gediend is met het vraagsturend parkeerbeleid en welke factoren maken dat een goede ruimtelijke ordening is gegarandeerd, ondanks dat een parkeernorm van 0 voor bewoners wordt gehanteerd.
21.3. De Afdeling wijst erop dat artikel 12.1, onder a van de planregels voorschrijft dat voor activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist, ten behoeve van parkeren van auto’s, fietsen en het laden en lossen voldoende ruimte dient te zijn aangebracht in, op of onder het gebouw of het bijbehorende perceel, dan wel op of onder het betreffende terrein. Op grond van artikel 12.1, onder c, van de planregels in verbinding met de Beleidsregels parkeernormen Leiden 2020 kan daarvan worden afgeweken.
21.4. Artikel 1.75 van de planregels definieert ‘voldoende ruimte voor parkeergelegenheid’ als parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoen aan de Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden, zoals die gelden ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en - indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd - aan die wijziging.
21.5. De Afdeling zal eerst ingaan op de vraag of ervan mocht worden uitgegaan dat de parkeergarage over 168 bruikbare parkeerplaatsen beschikt. Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de berekende parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners van de appartementen. Daarna zal de Afdeling de parkeerbehoefte die uitgaat van de bezoekers van de woningen, de bezoekers en werknemers van de commerciële functies en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I*, en de behoefte aan fietsparkeerplaatsen beoordelen.
Afwijken NEN 2443 voor maatvoering parkeerplaatsen
22. De belangenvereniging betoogt dat onvoldoende is gemotiveerd dat van een afwijking van de NEN 2443 mocht worden uitgegaan voor wat betreft de hoogte van de garage en de maatvoering van de parkeervakken. Het effect van de afwijking van de NEN 2443 op het aantal beschikbare parkeerplaatsen in de parkeergarage is onvoldoende gemotiveerd. Als blijkt dat de parkeerplaatsen (deels) onbruikbaar zijn of dat auto’s meer dan één parkeerplaats gebruiken, zijn er meer parkeerplaatsen nodig dan wordt verondersteld. Het is onduidelijk wat de grondslag voor de afwijking van artikel 8, tweede lid, van de parkeerbeleidsregels is geweest. Voor zover de afwijking al in overeenstemming is met het parkeerbeleid moet een dergelijke afwijking zorgvuldig worden gemotiveerd. Mede gelet op de dynamische verwijzing naar het parkeerbeleid is bovendien niet duidelijk of blijvend mag worden afgeweken van de NEN 2443. Ook is onduidelijk hoe wordt omgegaan met de situatie dat een nieuwe versie van de NEN-norm wordt vastgesteld.
22.1. Uit artikel 8 van de parkeerbeleidsregels volgt dat de parkeerplaatsen moeten voldoen aan NEN 2443 voor parkeren op eigen terrein. De Afdeling overweegt dat artikel 8 van de parkeerbeleidsregels als doel heeft om te waarborgen dat parkeerplaatsen die op eigen terrein worden gerealiseerd ook daadwerkelijk bruikbaar zijn.
22.2. In de plantoelichting wordt onder paragraaf 4.7.1.3 vermeld dat het qua hoogte van de garage en de maatvoering van de parkeervakken niet mogelijk is om te voldoen aan de NEN 2443. In de vergadering van
13 juli 2021 in het kader van de aanvraag om de omgevingsvergunning, heeft het college besloten om een afwijking van de NEN 2443 toe te staan. Een afschrift van dit besluit is als bijlage 18 bij de plantoelichting gevoegd. In het verweerschrift wordt verder vermeld dat de afwijking is verleend voor de hoogte van de garage. Die varieert van 2,43 m tot 2,35 m, en incidenteel is er sprake van een hoogte van 2,18 m. De NEN 2443 stelt een hoogte van 2,3 m, waarbij incidenteel sprake mag zijn van 2,20 m. In dit geval wordt de incidentele afwijking dus net niet gehaald, met 2 cm. Daarnaast is er een afwijking in de afmeting van de parkeervakken. De parkeervakken die tussen de kolommen zijn gesitueerd hebben een afmeting van 2,4 m bij 5,05 m. De breedte zou volgens de NEN 2,55 m moeten zijn en de lengte 5,13 m.
22.3. Op de zitting is toegelicht dat het college met het besluit van 13 juli 2021 toepassing heeft gegeven aan artikel 4:84 van de Awb, om af te wijken van de vereisten van artikel 8 van de parkeerbeleidsregels. Daarmee is een beperking van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan weggenomen en was het voor de raad bij zijn besluit tot het vaststellen van het bestemmingsplan niet nodig om hier nader bij stil te staan.
De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit ten onrechte heeft gedaan. De Afdeling kan het standpunt volgen dat sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen om van artikel 8 van de parkeerbeleidsregels af te wijken. Daartoe overweegt de Afdeling dat een deel van de parkeerplaatsen op slechts een paar cm na niet voldoen aan de NEN 2443. Het gaat om zeer klein afwijkingen en toepassing van de beleidsregel zou ertoe leiden dat de parkeergarage deels niet bruikbaar is, dan wel dat deze opnieuw zou moeten worden ingericht. De Afdeling kan het standpunt volgen dat de kosten die daarmee gepaard gaan onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doel. De Afdeling overweegt dat hiermee voldoende is komen vast te staan dat de vormgeving van de parkeervoorziening niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
22.4. De belangenvereniging betoogt ten onrechte dat het niet duidelijk is of blijvend mag worden afgeweken van de NEN 2443 en hoe wordt omgegaan met de situatie dat een nieuwe versie van de NEN-norm wordt vastgesteld. De raad heeft zich op het standpunt mogen stellen dat een wijziging van die norm geen invloed heeft op een reeds verleende bouw- of afwijkingsvergunning.
Het betoog slaagt niet.
Parkeerbehoefte toekomstige bewoners appartementen
23. De belangenvereniging betoogt dat de parkeerbehoefte van de bewoners van de 420 appartementen ten onrechte op 0 parkeerplaatsen is gesteld. Met toepassing van artikel 11, lid 1, onder c, van de "Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020" (hierna: de parkeerbeleidsregels) is afgeweken van de indicatief berekende parkeerbehoefte. Volgens de belangenvereniging is onvoldoende onderbouwd dat bij toepassing van de afwijkingsregeling geen onevenredige parkeerhinder zal ontstaan. De belangenvereniging voert aan dat er ten onrechte vanuit wordt gegaan dat de parkeervraag die uitgaat van de woningen alleen wordt veroorzaakt door de bezoekers van de bewoners.
De belangenvereniging voert daartoe aan dat het, gelet op het grote aantal appartementen, onrealistisch is om te veronderstellen dat geen enkele parkeervergunning aan bewoners zal worden verleend. De belangenvereniging stelt dat bij de vaststelling van de parkeerbeleidsregels niet onder ogen is gezien dat de parkeerverordening naast bewonersparkeervergunningen en bezoekersparkeervergunningen ook andere soorten parkeervergunningen kent. Daarnaast is in artikel 33, elfde lid, van de "Verordening op het gebruik van parkeerplaatsen en de verlening van vergunningen voor het parkeren gemeente Leiden 2024" (hierna: de parkeerverordening) een hardheidsclausule opgenomen. Verder wijst de belangenvereniging erop dat in artikel 3a van de parkeerverordening is bepaald dat het college enkele categorieën van parkeervergunningen weigert als het gaat om woningen die na 2 oktober 2019 zijn gerealiseerd, maar dat in dat artikel niet alle categorieën van parkeervergunningen worden genoemd.
Verder voert de belangenvereniging aan dat niet is onderkend dat toekomstige bewoners tegen betaling op de openbare weg kunnen parkeren en daarmee een onevenredige parkeerdruk veroorzaken. Bij de totstandkoming van het plan is ten onrechte verondersteld dat geen van de bewoners van de 420 appartementen dat zal doen. Volgens de belangenvereniging vormen de parkeertarieven in de praktijk geen serieuze belemmering om als bewoners van het geprojecteerde appartementencomplex één of meer auto’s te hebben. De aanname dat geen enkele bewoner een auto zal hebben en dat parkeren voor bewoners geen effect zal hebben op de parkeerbehoefte is dan ook niet realistisch. Zelfs als het beleid op zichzelf genomen redelijk is, leidt het er in dit specifieke geval toe dat niet is onderzocht en onderbouwd hoe met het voorgaande is omgegaan. Daarbij komt dat het parkeerbeleid de parkeernormen in het gebied waar het om gaat ingevolge artikel 7, zesde lid, van de parkeerbeleidsregels als minimale parkeereisen ziet. Hoewel artikel 11 van de parkeerbeleidsregels de mogelijkheid biedt om ook in die situatie af te wijken, is ten onrechte niet gemotiveerd hoe beide beleidslijnen zich tot elkaar verhouden.
Ook voert de belangenvereniging aan dat onvoldoende is gemotiveerd welke gereedschappen voor handen zijn om te sturen in het geval dat de parkeerdruk in de omgeving onevenredig stijgt. Het is lastig voorstelbaar dat deze maatregelen niet ook op Bockhorst zullen zien. De parkeerproblemen veroorzaakt door het bestemmingsplan mogen niet worden afgeschoven op de aangrenzende woonwijk.
Verder voert de belangenvereniging het volgende aan. In het handboek Parkeerkencijfers 2024 van CROW wordt opgemerkt dat, hoewel voor wonen geen kencijfer van 0 is opgenomen, dit niet impliceert dat een parkeernorm van 0 niet toepasbaar is, maar dat er wel substantiële maatregelen vereist zijn die ook op de langere termijn houdbaar zijn. Volgens de belangenvereniging is van substantiële maatregelen geen sprake: er zijn geen volwaardige alternatieven voor personenauto’s, de fietspaden zijn niet toegespitst op een forse toename van fietsers en het aantal busverbindingen neemt op zijn vroegst pas in 2040 enigszins toe.
De belangenvereniging voert voorts aan dat onvoldoende informatie is verschaft over de in het verweerschrift opgenomen parkeerdrukmetingen. Het is onduidelijk wanneer die zijn uitgevoerd, zodat niet duidelijk is of het onderzoek op een representatieve dag heeft plaatsgevonden. Ook is niet duidelijk wat het onderzoeksgebied is geweest. Blijkens het verweerschrift is de bezettingsgraad op het drukste moment 73,3% en resteren dan nog 25 parkeerplaatsen. Dan hoeft maar 5,9% van de bewoners een auto in Bockhorst te parkeren om tot een parkeerdruk van boven de 85% te komen. De belangenvereniging vreest dat de gemeente dan maatregelen zal nemen die de bewoners van Bockhorst zullen treffen.
23.1. De raad heeft erop gewezen dat het college toepassing heeft gegeven aan de afwijkingsregeling van artikel 12.1, onder c, van de planregels in verbinding met artikel 11, eerste lid, onder c, van de parkeerbeleidsregels. Op grond daarvan kan een parkeernorm van 0 worden gehanteerd voor toekomstige bewoners, als is voldaan aan de volgende drie voorwaarden: i) de woningen zijn gelegen binnen een betaald parkeren zone, op een loopafstand van minimaal 500 m tot de dichtstbijzijnde gelegen openbare parkeergelegenheid buiten een betaald parkeren zone; ii) ten minste het bezoekersaandeel van de autoparkeereis wordt op eigen terrein gerealiseerd; iii) toekomstige bewoners kunnen niet in aanmerking komen voor een bewoners- en/of bezoekersparkeervergunning. Niet in geschil is dat aan de drie voorwaarden uit artikel 11, eerste lid, onder c, van de parkeerbeleidsregels, wordt voldaan.
23.2. Geoordeeld is dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Gelet op enerzijds het totaalpakket aan maatregelen dat het parkeren van toekomstige bewoners in de openbare ruimte moet voorkomen en anderzijds de beschikbaarheid van (hoogwaardig) openbaar vervoer, fietsroutes en fietsparkeervoorzieningen, zal het projectgebied bij voorbaat geen autoafhankelijke bewoners aantrekken of op termijn creëren.
Op de zitting is toegelicht waarom ervoor gekozen is om toepassing te geven aan de afwijkingsregeling van artikel 12.1, onder c, van de planregels in verbinding met artikel 11, eerste lid, van de parkeerbeleidsregels en waarom ervoor is gekozen om de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners op 0 te stellen. Daarbij is erop gewezen dat dit is gedaan vanwege de wens uit de Mobiliteitsnota 2020-2030 om een verschuiving naar meer schone mobiliteit te bereiken. Daarnaast speelt een rol dat moet worden voorzien in de woningbouwopgave.
23.3. Naar het oordeel van de Afdeling is het standpunt niet onredelijk dat het plan ondanks de gehanteerde lagere parkeernormering in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en niet aan de uitvoering van het plan in de weg staat. De Afdeling ziet in wat de belangenvereniging heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de keuze om de parkeerbehoefte van de bewoners van de voorziene appartementen op 0 te stellen zal leiden tot onevenredige parkeerhinder in de wijk. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
Toegelicht is dat meerdere mogelijkheden bestaan om aanvullend te sturen als blijkt dat de parkeerdruk onevenredig hoog wordt in de wijk. Zo kan het parkeertarief op verschillende wijzen worden aangepast, bijvoorbeeld door een bepaald tarief te hanteren voor de eerste uren parkeren, in combinatie met een nog hoger tarief voor langer parkeren. Hiermee worden kortparkeerders ontzien en wordt voorkomen dat plekken voor bijvoorbeeld bestaande vergunninghouders worden gebruikt als parkeerplekken door toekomstige bewoners zonder parkeervergunning. Ook kan de periode waarvoor betaald parkeren geldt, worden uitgebreid, bijvoorbeeld met (ook) de nacht. Op de zitting is toegezegd dat deze aanvullende maatregelen niet ten koste gaan van de parkeermogelijkheden voor de huidige bewoners van Bockhorst en dat dit geen weerslag heeft op de kosten van de parkeervergunningen voor bewoners of hun bezoekers. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat, in het geval dat de parkeerdruk te hoog is, en het daarom nodig is om maatregelen te treffen om de die te verminderen, geenmogelijkheden voor handen zijn om dit te kunnen realiseren.
Verder acht de Afdeling van belang dat het plangebied op 10 minuten fietsafstand ligt van hoogwaardig openbaar vervoer, namelijk Station Leiden Centraal, en dat het direct is gelegen bij de bushalte Bio Science Park-Oost met verschillende HOV-verbindingen. De Afdeling kan ook het standpunt volgen dat het plan voorziet in hoogwaardige fietsroutes. Zoals de Afdeling onder 20.2 heeft overwogen, heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het plan niet leidt tot onevenredige fietsverkeerhinder.
De Afdeling ziet evenmin aanleiding voor het oordeel dat de parkeerbehoefte van de bewoners niet op 0 mocht worden gesteld omdat de parkeerverordening naast bewoners- en bezoekersparkeervergunningen ook andere soorten parkeervergunningen kent. Op de zitting is toegelicht dat die speciale vergunningen niet tot een verhoogde parkeerdruk in de omgeving zullen leiden omdat dit maar een zeer beperkt aantal betreft. De Afdeling kan dit standpunt volgen. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, zoals hierna onder 24.9 wordt overwogen, er nog 74 parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de parkeergarage, nadat al is voorzien in parkeerplaatsen voor bezoekers van de bewoners en de bezoekers en werknemers van de commerciële functies en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I*. Voorts acht de Afdeling van belang dat, zoals hierna onder 29.1 wordt overwogen, artikel 12.1 van de planregels zo wordt gewijzigd dat ten behoeve van het parkeren van auto’s en fietsen voldoende ruimte moet zijn aangebracht en in stand moet worden gehouden. Daarmee is geborgd dat de parkeerbehoefte die uitgaat van de bezoekers van bewoners en de bezoekers en werknemers van de commerciële functies en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I* ook in stand wordt gehouden.
Na ingebruikname van de woningen en voorzieningen zal de gemeente de parkeerdruk monitoren om te controleren of mogelijkerwijs sprake is van onevenredige parkeerdruk. In de toelichting op de parkeerbeleidsregels staat wanneer daarvan sprake is, namelijk als de parkeerdruk in de openbare ruimte overdag (van 6.00 uur - 18.00 uur) meer dan of gelijk is aan 85%, en 90% op de overige momenten van de dag. Blijkens de laatste meting bedraagt de parkeerdruk op het drukste moment 73,3%. Op de zitting is toegelicht dat de parkeerdruk minstens één keer per jaar wordt gemeten. Deze tellingen vinden plaats op verschillende momenten van de week, waarbij de gemeente wordt opgedeeld in secties. Mocht de situatie zich voordoen dat de parkeerdruk lager is dan 85%, maar wijkbewoners toch parkeeroverlast ervaren, dan kan ook worden gemonitord op basis van klachten. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat, als de woningen eenmaal in gebruik zijn genomen, er geen mogelijkheden zijn om te onderzoeken of de parkeerdruk in de wijk onevenredig wordt.
Gelet op het bovenstaande kon het standpunt worden ingenomen dat de huidige bewoners van Bockhorst geen onevenredige parkeerhinder zullen ondervinden als gevolg van de keuze om de parkeerbehoefte van de toekomstige bewoners van de appartementen op 0 te stellen.
Het betoog slaagt niet in zoverre.
Parkeerbehoefte overig
24. De belangenvereniging betoogt dat onvoldoende is onderbouwd dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte kan worden voorzien. Met een indicatieve parkeerbalans is het standpunt onderbouwd dat de bestaande parkeergarage, die in 168 parkeerplaatsen voorziet, kan voorzien in de parkeerbehoefte van 208 parkeerplaatsen. Ten onrechte is geen deugdelijk parkeeronderzoek aan het besluit ten grondslag gelegd. Een tabel met een parkeerberekening zoals opgenomen in bijlage 16 bij het bestemmingsplan is voor dit omvangrijke plan ontoereikend. Het is onduidelijk waar de aanname op is gebaseerd dat voor het bezoekersdeel van de woningen 0,1 parkeerplaats per woning voldoende is. Deze norm volgt niet uit het parkeerbeleid en is ook anderszins niet het resultaat van onderzoek. Verder is uitgegaan van een onjuiste omvang van het aantal vierkante meters commerciële functies, namelijk 648 m2 BVO in plaats van 750 m2 BVO. Ook is het terras niet meegenomen en zijn de norm en aanwezigheidspercentages ten onrechte niet aan de hand van de planologische mogelijkheden bepaald, maar is er indicatief berekend met de parkeerbehoefte van horeca, aldus de belangenvereniging. De andere functies zijn in zijn geheel niet onderzocht. Voor fietsparkeren is gerekend met een onjuiste omvang van het aantal vierkante meters voor commerciële functies, en er is geen rekening gehouden met wat het bestemmingsplan mogelijk maakt.
Over de nieuwe parkeerbalans die met het verweerschrift is overlegd, voert de belangenvereniging aan dat ook die niet aan het standpunt ten grondslag kan worden gelegd dat de parkeergarage kan voorzien in de parkeerbehoefte. Er is gerekend met de parkeerbehoefte van kantoor zonder baliefunctie, maar het bestemmingsplan staat bij recht ook andere functies toe met een hogere norm, bijvoorbeeld een sauna, met een parkeernorm van 4,10 per 100 m2 BVO. Hierbij zullen ook de aanwezigheidspercentages afwijken. Daarnaast is de parkeerbehoefte onderschat omdat is gerekend met 103 sociale huurwoningen tot 65 m2. In het herstelbesluit is echter een voorwaardelijke verplichting opgenomen, waardoor 84 sociale huurwoningen met een oppervlakte tot 65 m2 mogelijk worden gemaakt. Het plan staat ook toe dat er andere soorten woningen met een hogere parkeervraag kunnen worden gerealiseerd. Verder voert de belangenvereniging aan dat ook de andere twee categorieën woningen niet zijn geborgd in het plan, en dat voor géén van de categorieën is geborgd dat de woningen ook op langere termijn in de categorie blijven waarmee is gerekend. Verder volgt niet uit de parkeerbalans met welke aanwezigheidspercentages is gerekend.
24.1. In de plantoelichting wordt onder 4.7.2.2 over autoparkeren het volgende vermeld:
"In het kader van dit bestemmingsplan is een indicatieve parkeerbalans opgesteld, om te onderzoeken of de bestaande parkeergarage die benut zal worden, voldoende ruimte biedt voor het benodigde aantal parkeerplaatsen.
[…]
Uit de indicatieve parkeerbalans blijkt dat met de 168 parkeerplaatsen in de parkeergarage ruimschoots aan deze afwijkingsmogelijkheid voldaan kan worden. Wanneer uitsluitend gekeken wordt naar bezoekersparkeren voor de functie wonen en daarnaast de volledige parkeerbehoefte van de niet-woonfuncties (commerciële ruimte in de plint), dan is de zaterdagavond het maatgevende moment met een parkeerbehoefte van 94 parkeerplaatsen. Dit betekent dat er nog 74 parkeerplaatsen resteren voor bewoners van het complex."
24.2. Zoals hierboven is vermeld, is een indicatieve parkeerbalans als bijlage bij de plantoelichting gevoegd. In het verweerschrift wordt vermeld dat met die indicatieve parkeerbalans een worst-case berekening is gemaakt. Bij het bepalen van de parkeerbehoefte voor de 2e schil rond de binnenstad is aangesloten bij de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381. De parkeervraag voor de bezoekers van de bewoners bedraagt 42 parkeerplaatsen bij 420 woningen (0,1 parkeerplaats per woning). Verder is uitgegaan van 648 m2 aan avondhoreca, met een norm van 8,00 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO.
Na de indicatieve parkeerbalans is een geactualiseerde parkeerbalans opgesteld. De geactualiseerde parkeerbalans van 30 juli 2025 is als bijlage bij het verweerschrift gevoegd. Daarin is uitgegaan van het maximale aantal m2 (750 m2 BVO) ten behoeve van commerciële functies, en van de maximering die in het herstelbesluit is aangebracht ten aanzien van de horecafunctie (maximaal 400 m2 BVO). Voor het restaurant is uitgegaan van 400 m2 BVO, met een norm van 8 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO, en van 350 m2 BVO voor kantoor zonder baliefunctie, met een norm van 0,9 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. Met verrekening van de bewonersparkeerplaatsen bedraagt de parkeereis 74 parkeerplaatsen op het maatgevende moment. Dit betekent dat er nog 94 parkeerplaatsen over zouden zijn voor bewoners van het complex.
Uit het nader stuk van initiatiefnemer van 10 november 2025 blijkt dat het de bedoeling is dat naast de 400 m2 BVO voor horeca een fitnesstudio van 248 m2 BVO zal worden gerealiseerd. Voor een fitnessstudio geldt een parkeernorm van 2,9 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO in de 2e schil rond de binnenstad.
24.3. Hierna zal de Afdeling beoordelen of de indicatieve parkeerbalans die ten grondslag ten grondslag is gelegd aan het plan het standpunt kan rechtvaardigen dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte kan worden voorzien.
24.4. Zoals de Afdeling hiervoor onder 23.1 heeft overwogen, heeft het college toepassing gegeven aan de afwijkingsmogelijkheid van artikel 12.1, onder c, van de planregels in verbinding met artikel 11, eerste lid, onder c, van de parkeerbeleidsregels, en is niet in geschil dat aan de drie vereisten uit dat artikel is voldaan. Naar het oordeel van de Afdeling hoefde bij het berekenen van de parkeerbehoefte van het plan alleen rekening te worden gehouden met de parkeerbehoefte die uitgaat van de bezoekers van de woningen en de bezoekers en werknemers van de commerciële functies. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat daarvoor niet op eigen terrein in die parkeerbehoefte kan worden voorzien. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
- Bezoekers van de woningen
24.5. Naar het oordeel van de Afdeling mocht voor de functie wonen uitgegaan worden van het bezoekersaandeel van 0,1 parkeerplaatsen per woning. Er is aangesloten bij de parkeerkencijfers uit CROW-publicatie 381 en de raad heeft op de zitting toegelicht dat het bezoekersaandeel in lijn is met de CROW-norm. De Afdeling overweegt dat blijkens de parkeerkencijfers van de CROW de parkeereis voor bezoekers 0,1 parkeerplaats per woning bedraagt, ongeacht het soort of de grootte van de woning. Dit is het geval voor woningen die vallen in ‘schil centrum’ in matig tot zeer sterk stedelijk gebied, zoals de woningen die met het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dat het soort appartementen niet planologisch is vastgelegd, en dat de planregels er niet aan in de weg staan dat het plan een andere soort of grotere woningen mogelijk maakt waarvoor hogere parkeernormen gelden dan waarvan in de parkeerbalans is uitgegaan, kan daarom in zoverre niet leiden tot het oordeel dat de parkeerbehoefte, uitgaande van de woningen van het plan, onjuist is berekend.
24.6. Gelet op het bovenstaande mocht voor de bezoekers van de woningen worden uitgegaan van een parkeerbehoefte van 0,1 parkeerplaats per woning, wat neerkomt op 42 parkeerplaatsen op het piekmoment. Dat betekent dat er in de parkeergarage op het piekmoment nog 124 parkeerplaatsen over zijn voor de parkeerbehoefte die uitgaat van de commerciële functies. Naar het oordeel van de Afdeling kan het standpunt worden ingenomen dat de parkeergarage ook in die behoefte kan voorzien. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.
- Bezoekers en werknemers van de commerciële functies
24.7. Zoals uit artikel 5.1 in samenhang gelezen met artikel 5.3.1 van de planregels volgt, mag op de voor ‘Wonen’ aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’, horeca worden gerealiseerd met een maximum van 400 m2 BVO, en de overige 350 m2 voor commerciële en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen. Voor de functie ‘restaurant’ is de raad uitgegaan van 648 m2 BVO, met een norm van 8 parkeerplaatsen per 100 m2 BVO. Op het piekmoment bedraagt de parkeerbehoefte die uitgaat van de commerciële functies 52 parkeerplaatsen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de parkeerbehoefte aldus is onderschat. Daartoe overweegt de Afdeling dat in het herstelbesluit de maximale oppervlakte voor horeca is begrensd tot 400 m2 BVO, maar dat in de indicatieve parkeerbalans is gerekend met 648 m2 BVO horeca, en dat voor horeca een hogere parkeernorm geldt dan voor andere functies die op de gronden zijn toegestaan.
Voor het berekenen van de parkeerbehoefte bij het restaurant behoefde geen rekening te worden gehouden met het terras. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3413, onder 13.2, wordt het bruto vloeroppervlak in de betrokken CROW-publicaties gedefinieerd als de oppervlakte van het gebied dat wordt begrensd door de buitenomtrek van de omringende opgaande scheidingsconstructies, gemeten op vloerniveau(s). Dit betekent dat alleen de binnenruimte en niet ook het terras in aanmerking wordt genomen bij het bepalen van de parkeervraag. Zoals volgt uit uitspraken van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1047, onder 14.3, en van 15 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:78, onder 7.1, kunnen er omstandigheden zijn op grond waarvan een terras wel van betekenis moet worden geacht voor het bepalen van de parkeervraag, maar die zijn hier niet aan de orde.
24.8. Gelet op het bovenstaande mocht voor de bezoekers en werknemers van de commerciële functies worden uitgegaan van een parkeerbehoefte van 52 parkeerplaatsen op het piekmoment. Dat betekent dat de totale parkeerbehoefte van de bezoekers van de woningen en de parkeerbehoefte van de bezoekers en werknemers van de commerciële functies op het piekmoment 94 parkeerplaatsen bedraagt.
24.9. Gelet op de capaciteit van de parkeergarage van 168 parkeerplaatsen zijn op het piekmoment na aftrek van de parkeerbehoefte van de bezoekers van de woningen en de parkeerbehoefte van de bezoekers en werknemers van de commerciële functies nog 74 parkeerplaatsen over. Dit surplus is zo groot dat het standpunt gevolgd kan worden dat in de parkeerbehoefte die uitgaat van het bestemmingsplan op eigen terrein kan worden voorzien. Naar het oordeel van de Afdeling is het, gelet op artikel 5.1, aanhef en onder c, van de planregels, niet aannemelijk dat er een alternatieve invulling van de commerciële functies van het bestemmingsplan bestaat waarbij al deze 74 parkeerplaatsen worden opgesoupeerd.
- Conclusie autoparkeerplaatsen
24.10. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat redelijkerwijs had moeten worden geoordeeld dat het bestemmingsplan na toepassing van artikel 12.1, onder c, van de planregels in verbinding met artikel 11, eerste lid, onder c, van de parkeerbeleidsregel door het college leidt tot onevenredige parkeerhinder in de wijk en dat het plan om die reden in zoverre niet strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij acht de Afdeling van belang dat, zoals hierna onder 29.1 wordt overwogen, de raad heeft ingestemd met een aanpassing van de voorwaardelijke verplichting uit artikel 12, eerste lid, onder a, van de planregels. De planregel over parkeren wordt zo gewijzigd dat ook voldoende ruimte in stand moet worden gelaten ten behoeve van het parkeren van auto’s.
Overigens heeft initiatiefnemer in het nadere stuk van |
10 november 2025 nog aangegeven dat zij voornemens is om - onverplicht - 11 deelautoparkeerplaatsen aan te leggen. Deze deelautoparkeerplaatsen worden onverplicht gerealiseerd en zijn, gelet op wat hiervoor is overwogen, niet noodzakelijk uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening.
Voor zover er structureel parkeerplekken beschikbaar zijn in de parkeergarage, zullen die pas kunnen worden verhuurd aan de bewoners van de appartementen nadat de parkeerplaatsen voor de bezoekers van de woningen en de bezoekers en werknemers van de commerciële functies zijn gerealiseerd. Verder acht de Afdeling van belang op de zitting is toegelicht dat met het parkeermanagementsysteem wordt gewaarborgd dat er altijd ruimte is in de parkeergarage voor de (op het maatgevende moment) 94 parkeerplaatsen bedoeld voor de bezoekers en werknemers van de commerciële functies en de bezoekers van de woningen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
- Fietsparkeerplaatsen
25. Over de fietsparkeerplaatsen overweegt de Afdeling als volgt. De raad heeft een indicatieve fietsparkeerbalans opgesteld en deze als bijlage 16 bij de plantoelichting gevoegd. Daaruit volgt dat de behoefte die uitgaat van het plan 1.033 fietsparkeerplaatsen bedraagt. De fietsparkeerbehoefte voor de bezoekers en de werknemers van de commerciële functies bedraagt 54 fietsparkeerplaatsen. Voor het berekenen van de behoefte voor de commerciële functies is uitgegaan van een oppervlakte voor commerciële functies van 648 m2 BVO, en niet 750 m2. Dat maakt naar het oordeel van de Afdeling echter niet dat de raad zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het plan voorziet in voldoende fietsparkeerplaatsen. Los van de omstandigheid dat slechts is gerekend met 102 m2 BVO minder, wat neerkomt op een onderschatting van een paar fietsparkeerplaatsen, staat het bestemmingsplan er niet aan in de weg dat kan worden voorzien in een gestapelde stallingsvoorziening, zodat op dezelfde oppervlakte het dubbele aantal fietsparkeerplaatsen kan worden gerealiseerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie parkeerbehoefte overig
26. Gelet op het bovenstaande is kunnen oordelen dat het bestemmingsplan kan voorzien in de behoefte aan parkeerplaatsen voor auto’s en fietsen als gevolg van de ontwikkeling, en dat het plan niet tot onevenredige parkeerhinder in de wijk Bockhorst zal leiden. Omdat de Afdeling geen aanleiding ziet voor het oordeel dat het plan tot onevenredige parkeerhinder leidt, ziet de Afdeling ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de ligging van de onder 13.2 genoemde loopbrug ten onrechte niet in de verbeelding heeft vastgelegd.
27. Over het betoog van de belangenvereniging dat het onderwerp parkeren ten onrechte pas in het verweerschrift uitgebreid is gemotiveerd, overweegt de Afdeling als volgt.
27.1. In hoofdstuk 4.7.2.2 van de plantoelichting wordt vermeld dat niet wordt voldaan aan de normen uit het gemeentelijke parkeerbeleid, omdat de bestaande parkeergarage voorziet in 168 parkeerplaatsen en de parkeervraag op het piekmoment 208 parkeerplaatsen bedraagt. Verder wordt in de plantoelichting vermeld dat het gemeentelijke parkeerbeleid voorziet in de mogelijkheid om af te wijken van de normen die daarin zijn opgenomen, en dat één van die mogelijkheden is om wat betreft de parkeervraag van de woningen te volstaan met het aantal parkeerplaatsen dat afdoende is om het bezoekersparkeren op te vangen. Als de afwijkingsregeling wordt toegepast voorziet de parkeergarage in voldoende parkeerplaatsen.
De Afdeling overweegt dat het realiseren van ten minste het bezoekersaandeel van de autoparkeereis op eigen terrein één van de drie voorwaarden voor toepassing van de afwijkingsmogelijkheid uit artikel 11, eerste lid, van de parkeerbeleidsregels is. Weliswaar is de conclusie in de plantoelichting dat aan de afwijkingsmogelijkheid uit de parkeerbeleidsregels kan worden voldaan niet onjuist, maar naar het oordeel van de Afdeling is dit standpunt onvoldoende gemotiveerd. De raad heeft namelijk pas in het verweerschrift, dat dateert van na het herstelbesluit, onderbouwd dat aan de drie voorwaarden uit artikel 11, eerste lid, onder c, van de parkeerbeleidsregels is voldaan. In de zienswijzennota worden deze eisen wel genoemd, maar de raad heeft verder niet in bijvoorbeeld de plantoelichting beargumenteerd en geconcretiseerd welke maatregelen en voorzieningen die randvoorwaardelijk zijn voor de toepassing van de afwijkingsregeling uit artikel 11, eerste lid, van de parkeerbeleidsregels, zijn geborgd of anderszins zijn verzekerd. Naar het oordeel van de Afdeling had dit wel gemoeten, gelet op de omstandigheid dat is uitgegaan van vraagsturend parkeerbeleid en daarbij is gekozen voor een parkeernorm die uitkomt op 0. Ook is pas op de zitting toegelicht welk belang de toepassing van de afwijkingsregeling rechtvaardigt en welke factoren maken dat een goede ruimtelijke ordening is gegarandeerd. Nu dit pas in het verweerschrift voor het eerst heeft is toegelicht, komt de Afdeling tot het oordeel dat het besluit in strijd met het motiveringsbeginsel is genomen.
Het betoog slaagt.
Planregel parkeren
28. De belangenvereniging betoogt dat artikel 12.1 van de planregels te vrijblijvend is geformuleerd. Daar staat namelijk niet in dat aan de parkeernormen moet worden voldaan door het realiseren van parkeerplaatsen, maar slechts dat daar ruimte voor moet zijn aangebracht. Verder merkt de belangenvereniging op dat in artikel 12.1, onder a, van de planregels naar de Wabo wordt verwezen. Dit kan ertoe leiden dat discussie mogelijk is over de vraag of artikel 12.1 ook ziet op aanvragen onder de Omgevingswet. Daarbij komt dat artikel 12.1, onder b en c, van de planregels verwijst naar het ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan geldende beleidsregels parkeernormen van de Gemeente Leiden. Aangezien deze beleidsregels zijn gebaseerd op het nu vervallen artikel 3.1.2, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), kan de gedachte opkomen dat de grondslag onder de beleidsregels is komen te vervallen.
28.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat in de planregels is geborgd dat voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. Uit artikel 12.1 van de planregels volgt dat voldoende ruimte moet worden aangebracht ten behoeve van het parkeren van auto’s, fietsen en laden en lossen. Blijkens artikel 1.74 van de planregels wordt onder ‘voldoende ruimte’ de daadwerkelijke parkeerplaatsen zelf bedoeld, en niet slechts een voor parkeren vrijgemaakte, maar verder niet als parkeerplaatsen ingerichte ruimte. De open norm "voldoende ruimte" wordt, zoals blijkt uit artikel 12.1, onder b, van de planregels, ingevuld door middel van de parkeerbeleidsregels of de opvolgers daarvan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen is een dynamische verwijzing naar parkeerbeleidsregels op grond van artikel 3.1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening in beginsel toegestaan. Vergelijk de uitspraak van 8 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:607.
Verder wijst de Afdeling erop dat, zoals hiervoor onder 1 al is overwogen, in dit geval het recht van toepassing is zoals dat gold vóór 1 januari 2024. De raad heeft bij de vaststelling van het plan dan ook geen rekening hoeven houden met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels. Ten overvloede overweegt de Afdeling nog dat in artikel 12.1 van de planregels weliswaar wordt verwezen naar de grondslag van de vergunningplichten in de Wabo, maar dat dit er niet aan afdoet dat deze vergunningplichten, zij het in een andere vorm, ook bestaan onder de Omgevingswet en in zoverre hun werking behouden. Ten aanzien van de parkeerbeleidsregels overweegt de Afdeling verder dat het vervallen van artikel 3.1.2 van het Bro niet afdoet aan de geldigheid van de beleidsregels.
Het betoog slaagt niet.
Instandhoudingsverplichting parkeerplaatsen
29. De belangenvereniging betoogt dat in het bestemmingsplan ten onrechte geen verplichting is opgenomen dat de parkeergarage beschikbaar moet worden gehouden voor de parkeerbehoefte van het plan. Hoewel hierover in de omgevingsvergunning wel een voorschrift is opgenomen, had een vergelijkbare planregel ook in het bestemmingsplan moeten worden opgenomen, omdat het bestemmingsplan zich voor herhaalde toepassing leent. In de plantoelichting wordt ingegaan op artikel 10 van het bestemmingsplan, waarin staat dat in de algemene gebruiksregels een verbod is opgenomen om bestaande parkeergelegenheid te verwijderen. De belangenvereniging leidt uit die toelichting af dat de raad een regeling heeft willen treffen om te voorkomen dat parkeren in Bockhorst aantrekkelijker wordt. Dat verbod is echter ten onrechte niet in artikel 10 van het bestemmingsplan opgenomen.
29.1. De Afdeling overweegt dat in de planregels geen verplichting is opgenomen voor het in stand houden van voldoende parkeerplaatsen. Op de zitting heeft de raad toegelicht dat het in kan stemmen met een aanpassing van artikel 12.1 van de planregels, in die zin dat in de planregels wordt geborgd dat niet alleen voldoende ruimte voor parkeergelegenheid voor auto’s moet worden aangebracht, maar ook dat die in stand moet worden gehouden. De Afdeling begrijpt de toelichting van de raad zo, dat de raad in het betoog van de belangenvereniging aanleiding heeft gezien om zijn standpunt hierover te wijzigen. Omdat de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
29.2. Omdat het betoog van de belangenvereniging slaagt dat de raad ten onrechte geen verplichting heeft opgenomen voor het in stand houden van voldoende parkeerplaatsen, behoeven de volgende twee betogen van de belangenvereniging geen bespreking meer: het betoog dat in artikel 10 van de planregels ten onrechte geen verbod om bestaande parkeergelegenheid te verwijderen is opgenomen en het betoog dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat met vergunningvoorschrift 10 en artikel 2, vierde lid, van de erfpachtovereenkomst afdoende is geborgd dat de openbare bezoekersparkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar moeten worden gehouden.
Privacy
30. De belangenvereniging betoogt dat het plan leidt tot aantasting van privacy van de bewoners van de wijk. Het plan maakt aanzienlijke bouwkundige ingrepen mogelijk, zoals dakterrassen en balkons. Daarbij speelt een rol dat een groot aantal kleine appartementen en commerciële activiteiten mogelijk wordt gemaakt, waardoor een groot aantal personen zicht zal hebben op de bestaande woningen in Bockhorst. Dat geen sprake is van onevenredige inbreuk op privacy van bewoners van Bockhorst volgt zij niet. Daartoe wijst de belangenvereniging erop dat de strook groen tussen het complex en Bockhorst slechts gras en een enkele loofboom bevat, waardoor er ongeveer de helft van het jaar amper groen is. Daarnaast leidt de hoogbouw er juist toe dat de nieuwe bewoners eenvoudig over deze groenstrook heen kunnen kijken.
30.1. De Afdeling stelt vast dat de kortste afstand tussen de dichtstbij het plangebied gelegen woning en de gronden waarop appartementen kunnen worden gerealiseerd ongeveer 21 m bedraagt. Deze zuidzijde van het plangebied heeft deels een maximale bouwhoogte van
21 m, en deels een maximale bouwhoogte van 18 m.
30.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat het bestemmingsplan niet leidt tot een onevenredige verslechtering van de privacy van bewoners van Bockhorst. Niet is uitgesloten dat er vanuit de woningen en/of de balkons gesitueerd aan de Van Ravelingenstraat enige inkijk in de woningen en tuinen van een deel van de bewoners van Bockhorst mogelijk zal zijn. Naar het oordeel van de Afdeling is dit verlies van privacy echter niet zo onevenredig dat de raad op dat deel van het gebouw geen balkons of minder woningen had moeten toestaan. De kortste afstand tussen de appartementen en de woningen in Bockhorst bedraagt immers minstens 21 m. Verder acht de Afdeling van belang dat de ontwikkeling die met het plan mogelijk wordt gemaakt in stedelijk gebied ligt en dat enig verlies van privacy niet volledig is uit te sluiten. Dat de bomen op de groenstrook niet het hele jaar door hun blad behouden, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat daarom sprake is van een onevenredige verslechtering van de privacy van bewoners van Bockhorst.
Het betoog slaagt niet.
Windhinder
31. De belangenvereniging vreest dat het plan leidt tot onaanvaardbare windhinder. De raad heeft ten onrechte geen windonderzoek conform NEN 8100 ten grondslag gelegd aan het bestemmingsplan. Dat had wel in de rede gelegen, gelet op de hoge bouwhoogten die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Dat aan de omgevingsvergunning een windonderzoek ten grondslag is gelegd, doet er niet aan af dat het bestemmingsplan op dit punt gebrekkig is. Het is ook onduidelijk of het windonderzoek is gebaseerd op de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan. Verder voert de belangenvereniging aan dat het gebied tussen het plangebied en Bockhorst te maken krijgt met een toename van windhinder in kwaliteitsklasse C. Dit betekent dat het verwachte windklimaat matig is voor de activiteit "slenteren" en slecht voor de activiteit "langdurig zitten". In het windonderzoek wordt het hele gebied aangeduid als slentergebied. Daarmee wordt miskend dat in het gebied ook de achtertuinen van een aantal woningen zijn gelegen en dat daar moet worden uitgegaan van de activiteit "langdurig zitten", waarvoor een slecht windklimaat geldt. De raad heeft dit niet kenbaar bij de vaststelling van het bestemmingsplan betrokken.
31.1. De raad heeft toegelicht dat het windonderzoek is gebaseerd op de maximale invulling van het bestemmingsplan. In het windonderzoek is verder een aantal locaties nader belicht, waaronder gebied "B". Deze locatie omvat het gebied tussen de bebouwing en de woonwijk. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan tot onaanvaardbare windhinder voor bewoners van de wijk zal leiden. Weliswaar valt een deel van gebied "B" in kwaliteitsklasse C, waarbij het verwachte windklimaat slecht is voor de activiteit "langdurig zitten", maar de achtertuinen van de woningen die de belangenvereniging noemt, liggen buiten dat deel van gebied "B". Zoals op de zitting ook is vastgesteld is het verwachte windklimaat daar voor de activiteit "langdurig zitten" goed of matig. De Afdeling ziet in zoverre geen aanleiding voor het oordeel dat het plan gebrekkig is omdat de raad onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar windhinder.
Het betoog slaagt niet.
Uitvoerbaarheid
Financiële uitvoerbaarheid
32. De belangenvereniging betoogt dat de raad op voorhand had moeten inzien dat het plan om financieel-economische redenen niet uitvoerbaar is. In de gesprekken met de belangenvereniging heeft de raad het standpunt ingenomen dat de programmering met een groot aantal relatief kleine woningen noodzakelijk is om de business case van de ontwikkelaar rond te krijgen. Sinds die uitlatingen zijn de bouwkosten fors gestegen en is sprake geweest van hoge inflatie.
32.1. In het kader van een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat de raad op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen niet uitvoerbaar is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de financiële aspecten van het plan niet aan de uitvoerbaarheid daarvan in de weg staan. In hoofdstuk 6 van de plantoelichting wordt vermeld dat uit berekeningen is gebleken dat het bouwplan voldoende opbrengstpotentie heeft om de kosten die gemoeid zijn met het realiseren van de bestemming te dragen. Naast een overeenkomst waarin het gemeentelijk kostenverhaal is geborgd is een planschadeovereenkomst gesloten. De belangenvereniging heeft de gestelde financiële onuitvoerbaarheid ook niet aannemelijk gemaakt.
Het betoog slaagt niet.
Aanpassing kruispunt
33. De belangenvereniging betoogt dat onduidelijk is of het plan vanuit verkeerskundig oogpunt uitvoerbaar is omdat uit het verkeersonderzoek van 28 november 2019 blijkt dat aanpassingen aan het kruispunt nodig zijn voor een goede doorstroming. De raad heeft toegelicht dat het kruispunt alleen functioneel zal worden gewijzigd, maar dat dit niet vereist is voor het bestemmingsplan. Het kruispunt ligt naast het plangebied. Het ter plaatse van het kruispunt geldende bestemmingsplan biedt voldoende ruimte voor een verkeerskundige oplossing. De definitieve inrichting van het gebied betreft een uitvoeringsaspect dat geen plaats heeft in deze procedure. De Afdeling kan deze toelichting volgen.
Het betoog slaagt niet.
Milieueffectbeoordeling
34. De belangenvereniging betoogt dat het m.e.r.-beoordelingsbesluit niet aan het besluit ten grondslag kan worden gelegd. Daartoe voert de belangenvereniging aan dat de onderzoeken die daaraan ten grondslag liggen gebrekkig zijn. Ten aanzien van het onderwerp stikstof stelt de belangenvereniging dat ten tijde van de vaststelling van het plan een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar was die niet bij de besluitvorming is betrokken, waardoor dat deel van de motivering evident gebrekkig is.
34.1. Rho Adviseurs heeft in het rapport "Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling" van 9 mei 2023 (hierna: de vormvrije mer-beoordeling) onderzocht of een milieueffectrapportage moet worden gemaakt voor het bestemmingsplan. Daarin wordt vermeld dat de beoogde ontwikkeling van 420 appartementen en maximaal 750 m2 BVO aan commerciële voorzieningen ruim onder de drempelwaarde blijft. Dit betekent dat kan worden volstaan met een vormvrije mer-beoordeling. In de vormvrije mer-beoordeling is geconcludeerd dat de aard en omvang van het plan niet tot nadelige milieugevolgen leidt. Het college heeft vervolgens in het m.e.r.-beoordelingsbesluit van 14 juni 2023 besloten dat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt.
34.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat geen milieueffectrapportage gemaakt hoefde te worden voor het plan. Anders dan de belangenvereniging ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de onderzoeken die aan het m.e.r.-beoordelingsbesluit ten grondslag zijn gelegd gebrekkig zijn. Voor wat betreft het betoog over stikstof overweegt de Afdeling dat met het herstelbesluit een actuele AERIUS-berekening aan de plantoelichting is toegevoegd. Daarin staat dat significante effecten op Natura 2000-gebieden in de realisatie- en gebruiksfase zijn uitgesloten
Het betoog slaagt niet.
Conclusie over het herstelbesluit en zelf in de zaak voorzien
35. Gelet op wat is overwogen onder 13.2, 27.1 en 29.1 is het beroep van de belangenvereniging tegen het herstelbesluit gegrond. Het besluit van 17 april 2025 wordt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd, voor zover het betreft de artikelen 3.1, aanhef en onder d, artikel 4.1, aanhef en onder d, en de voorwaardelijke verplichting in artikel 12, eerste lid, onder a, van de planregels.
Het besluit van 17 april 2025 wordt ook wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb vernietigd, omdat niet is toegelicht dat is voldaan aan de afwijkingsregeling uit de parkeerbeleidsregels en omdat de raad niet heeft toegelicht welke factoren maken dat een goede ruimtelijke ordening is gegarandeerd, ook al wordt een parkeernorm van 0 gehanteerd voor de toekomstige bewoners.
36. Ten aanzien van het motiveringsgebrek dat is geconstateerd in overweging 27.1 overweegt de Afdeling in het verweerschrift en op de zitting alsnog is toegelicht waarom het college heeft voldaan aan de afwijkingsregeling uit de parkeerbeleidsregels en welke maatregelen en voorzieningen die voor de raad randvoorwaardelijk zijn voor de toepassing van de afwijkingsregeling in het plan zijn geborgd of anderszins zijn verzekerd.
De Afdeling ziet verder aanleiding om te onderzoeken of ten aanzien van de overige gebreken, geconstateerd in 13.2 en 29.1, de planregels kunnen worden aangepast en of deze uitspraak in zoverre in de plaats kan treden van het herstelbesluit, voor zover dat is vernietigd. Dat is het geval. Wat artikel 3.1, aanhef en onder d, en artikel 4.1, aanhef en onder d, van de planregels betreft: de Afdeling zal het woord "een" vervangen door "één". Wat artikel 12, eerste lid, onder a, van de planregels betreft, zal de Afdeling daaraan toevoegen dat ten behoeve van het parkeren van auto's, fietsen en het laden en lossen voldoende ruimte in stand moet worden gehouden.
37. De Afdeling ziet aanleiding om de raad en het college op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
Het besluit van 1 februari 2024
38. Onder deze omstandigheden en omdat niet is gebleken van enig belang bij een beoordeling van het beroep van de belangenvereniging tegen het besluit van 1 februari 2024, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat zij geen belang meer heeft bij een inhoudelijke bespreking van haar beroep tegen dit besluit. Het beroep van de belangenvereniging tegen het besluit van 1 februari 2024 is daarom niet-ontvankelijk.
De omgevingsvergunning
39. Bij besluit van 15 februari 2024 het college een omgevingsvergunning verleend aan Urban Interest Vastgoed B.V. voor het bouwen van een bouwwerk.
Toetsingskader activiteit bouwen
40. Het toetsingskader voor de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van het nieuwe appartementencomplex is opgenomen in artikel 2.10 van de Wabo. Gelet op artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo moet het college uitsluitend beoordelen of zich voor de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk een van de in artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet de omgevingsvergunning worden verleend.
41. Uit artikel 3.30, derde lid, van de Wro volgt dat bij de beoordeling of de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, wordt getoetst aan het bestemmingsplan dat gecoördineerd is voorbereid met de omgevingsvergunning. Dat is dus het hiervoor besproken bestemmingsplan "Plesmanlaan 100".
Gebreken hersteld met het herstelbesluit
42. Op de zitting heeft de belangenvereniging bevestigd dat met het herstelbesluit twee gebreken in het bouwplan, namelijk de bouwhoogte aan de kant van de Van Ravelingenstraat en dat een deel van de bestaande parkeergarage buiten het bouwvlak valt, zijn hersteld. De Afdeling zal deze beroepsgronden dan ook niet inhoudelijk beoordelen.
Voorschrift voorwaardelijke verplichting ‘parkeren’
43. De belangenvereniging klaagt over voorschrift 10, dat regelt dat de gebouweigenaar moet garanderen dat er altijd voldoende openbare parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn om de vraag naar bezoekersparkeren te kunnen faciliteren. De beperking tot ‘bezoekersparkeren’ is onjuist. Er zijn ook niet-bezoekers die een parkeervergunning kunnen krijgen, en ook kan de parkeerverordening wijzigen. Verder klaagt de belangenvereniging dat in voorschrift 11 ten onrechte geen instandhoudingsverplichting voor het toegangssysteem is opgenomen.
43.1. Eén van de voorwaarden die aan de omgevingsvergunning is verbonden ten aanzien van de voorwaardelijke verplichting ‘parkeren’ is neergelegd in voorschrift 10. Dat voorschrift verplicht de gebouweigenaar te garanderen dat er altijd voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn om de vraag naar bezoekersparkeren te kunnen faciliteren. Zoals hiervoor onder 24.8 is overwogen, gaat er ook een parkeerbehoefte uit van de bezoekers van de commerciële functies en de bezoekers van de maatschappelijke en andere functies, toegestaan ingevolge artikel 5.1, onder c, van de planregels. Omdat voorschrift 10 zo kan worden begrepen dat de gebouweigenaar alleen verplicht is om voldoende parkeerplaatsen voor bezoekers van de bewoners van de appartementen te garanderen, en niet ook van de bezoekers van de commerciële functies en de bezoekers van de maatschappelijke en andere ingevolge artikel 5.1, onder c, van de planregels toegestane functies, is de omgevingsvergunning wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
Het betoog slaagt.
44. De tweede voorwaarde die aan de omgevingsvergunning is verbonden ten aanzien van de voorwaardelijke verplichting ‘parkeren’ is neergelegd in voorschrift 11. Daarin is opgenomen dat er tijdig, in ieder geval voor ingebruikname, een opzet van het toegangssysteem ter goedkeuring aan het college dient te worden overlegd waaruit blijkt hoe parkeerplaatsen van zowel bezoekers van bewoners als gebruikers en bezoekers van de commerciële functies kunnen worden gefaciliteerd, evenals de inrichting van de voorgeschreven MiVA-plekken. De Afdeling overweegt dat met het toegangssysteem wordt gewaarborgd dat de parkeerplaatsen niet zullen worden misbruikt door bijvoorbeeld de bewoners van de appartementen. Op die manier kan worden gegarandeerd dat er altijd parkeerplaatsen beschikbaar zijn voor de bezoekers van bewoners en de gebruikers en bezoekers van de commerciële functies, zodat die niet in de wijk Bockhorst zullen parkeren, waar dat kan leiden tot parkeeroverlast. Op de zitting heeft vergunninghouder toegezegd dat het parkeersysteem zal worden geïnstalleerd en in stand zal worden gehouden. Op de zitting heeft het college zich op het standpunt gesteld dat voorschrift 10 al voldoende waarborg biedt dat er voldoende parkeerplaatsen voor de bezoekers van bewoners en gebruikers en bezoekers van de commerciële functies worden gefaciliteerd, en dat voorschrift 11 daarvoor niet noodzakelijk is, maar meer een uitwerking is van voorschrift 10. De Afdeling kan dit standpunt volgen. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat voorschrift 11 rechtsonzeker is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie omgevingsvergunning activiteit bouwen
45. Het beroep van de belangenvereniging tegen de omgevingsvergunning is gegrond. Het besluit van 15 februari 2024 wordt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd, voor zover het betreft de voorwaarde in voorschrift 10 die aan de omgevingsvergunning is verbonden ten aanzien van de voorwaardelijke verplichting ‘parkeren’.
46. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb, zelf in de zaak te voorzien door de voorwaarde in voorschrift 10 die aan de omgevingsvergunning is verbonden ten aanzien van de voorwaardelijke verplichting ‘parkeren’ aan te passen en te bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaatst treedt van de omgevingsvergunning. De Afdeling zal aan dat voorschrift toevoegen dat voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar moeten zijn om ook de vraag naar parkeerplaatsen van bezoekers en werknemers van de commerciële functies en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I* te kunnen faciliteren.
47. De Afdeling bepaalt als volgt.
Voorschrift 10 van de omgevingsvergunning wordt gewijzigd in:
"De gebouweigenaar garandeert dat er altijd voldoende openbare parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn om de vraag naar parkeerplaatsen van zowel bezoekers van bewoners als gebruikers en bezoekers van de commerciële functies en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I* te kunnen faciliteren."
Proceskosten
48. De raad en het college moeten de proceskosten vergoeden.
Overschrijding redelijke termijn
49. De belangenvereniging heeft verzocht om een schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn.
49.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling.
49.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van de belangenvereniging ontvangen op 27 maart 2024. De redelijke termijn is in deze procedure dus met meer dan twee maanden overschreden.
49.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,00.
49.4. De Staat moet de proceskosten vergoeden die de belangenvereniging heeft gemaakt in verband met het verzoek om schadevergoeding. De Afdeling rekent daarvoor één punt met een wegingsfactor van 0,5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep van Bewoners Belangenvereniging Bockhorst tegen het besluit van 17 april 2025 van de raad van de gemeente Leiden tot de opnieuw en gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Plesmanlaan 100" gegrond;
II. vernietigt het besluit van 17 april 2025 waarbij de raad van de gemeente Leiden het bestemmingsplan "Plesmanlaan 100" heeft vastgesteld;
III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder II vernietigde besluit in stand blijven, met uitzondering van de hierna in het dictumonderdeel IV genoemde planregels;
IV. bepaalt dat:
• artikel 3.1, onder d, van de planregels, als volgt komt te luiden:
"oeververbinding in de vorm van één loopbrug";
• artikel 4.1, onder d, van de planregels, als volgt komt te luiden:
"oeververbinding in de vorm van één loopbrug";
• artikel 12, eerste lid, onder a, van de planregels, als volgt komt te luiden:
"Bij activiteiten waarvoor een 'omgevingsvergunning voor het bouwen' (art. 2.1, lid a Wabo) en/of een 'omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan' (art. 2.1, lid c, Wabo) is vereist, dient ten behoeve van het parkeren van auto's, fietsen en het laden en lossen in voldoende ruimte te zijn voorzien in, op of onder het gebouw of het bijbehorende perceel, dan wel op of onder het betreffende terrein, en dient dit ook in stand te worden gehouden;";
V. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 17 april 2025, voor zover dat betreft de in dictumonderdeel IV beschreven planregelingen;
VI. draagt de raad van de gemeente Leiden op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen IV en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VII. verklaart het beroep van Bewoners Belangenvereniging Bockhorst tegen het besluit van 1 februari 2024 van de raad van de gemeente Leiden tot vaststelling van het bestemmingsplan "Plesmanlaan 100" niet-ontvankelijk;
VIII. verklaart het beroep van Bewoners Belangenvereniging Bockhorst tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden van 15 februari 2024 tot verlening van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk gegrond;
IX. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het onder VIII vernietigde besluit in stand blijven, met uitzondering van het hierna in het dictumonderdeel X genoemde voorschrift;
X. bepaalt dat voorschrift 10 van de omgevingsvergunning als volgt komt te luiden:
"De gebouweigenaar garandeert dat er voldoende openbare parkeerplaatsen op eigen terrein beschikbaar zijn om de vraag naar parkeerplaatsen van zowel bezoekers van bewoners als gebruikers en bezoekers van de commerciële functies en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I* te kunnen faciliteren.";
XI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 15 april 2024, voor zover dat betreft het in dictumonderdeel X beschreven voorschrift;
XII. veroordeelt de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden tot vergoeding van bij Bewoners Belangenvereniging Bockhorst in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.335,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
XIII. gelast dat de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden aan Bewoners Belangenvereniging Bockhorst het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van
€ 371,00 vergoedt;
XIV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 aan Bewoners Belangenvereniging Bockhorst;
XV. veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) tot vergoeding van bij
Bewoners Belangenvereniging Bockhorst in verband met de behandeling van het verzoek om schadevergoeding opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. K.M. Arneri, griffier.
w.g. Knol
voorzitter
w.g. Arneri
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2026
1010
BIJLAGE
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 4:84 luidt als volgt:
"Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen."
Artikel 8:72, derde lid, luidt als volgt:
"De bestuursrechter kan bepalen dat:
a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan."
Bestemmingsplan ‘Plesmanlaan 100’
Artikel 1.27 definieert commerciële en maatschappelijke functies als volgt:
"functies in de vorm van maatschappelijke voorzieningen, dienstverlening, en horeca. Niet zijnde detailhandel;".
Artikel 1.34 definieert dienstverlening als volgt:
"het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een belwinkel, internetcafé, uitzendbureau, bank, stomerij, wasserette, apotheek, kapsalon, schoonheidssalon, schoenmaker of reisbureau;".
Artikel 1.55 definieert maatschappelijk als volgt:
"voorzieningen zoals gezondheidszorg, (para)medische en verpleegvoorzieningen, bejaardenvoorzieningen, verzorgingshuizen, welzijnsvoorzieningen, cultuurvoorzieningen, sociale voorzieningen, religieuze voorzieningen, musea, bibliotheken, openbare dienstverlening en verenigingsleven, met dien verstande dat voorzieningen voor kinderopvang en onderwijsvoorzieningen hieronder niet worden begrepen;".
Artikel 1.70 definieert sport- en wellnessvoorzieningen als volgt:
"voorzieningen gericht op sport en lichamelijke ontspanning, zoals een sportschool, fitnesscentrum, dojo, sauna, zonnebankstudio en daarmee gelijk te stellen voorzieningen;".
Artikel 1.74 definieert voldoende ruimte voor parkeergelegenheid als volgt: "parkeergelegenheid voor auto's en fietsen, waarvan het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan voldoen aan de Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden zoals die gelden ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en -indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd- aan die wijziging".
Artikel 1.43 definieert een horeca inrichting als bedoeld in categorie I en categorie I* als volgt:
"I: Horeca inrichting, die uitsluitend tussen 6:00 uur en 22:00 uur geopend is, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar:
• hoofdzakelijk kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt.
Voorbeelden: thee- en koffieconcepten, brood- en lunchconcepten, ijs- en yoghurtconcepten.
I*: Horeca inrichting, die uitsluitend tussen 6:00 uur en 22:00 uur geopend is, niet zijnde een horeca inrichting als bedoeld in categorie II, waar:
• hoofdzakelijk, ten behoeve van een brood- of lunchconcept, kleine etenswaren en/of alcoholvrije dranken worden verstrekt, en waar
• ondergeschikt daaraan eventueel wijn en/of zwak alcoholhoudende dranken worden verstrekt.
Voorbeelden: brood- en lunchconcepten."
Artikel 4.1 van de planregels luidt:
"De voor ‘Water’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
b. nutsvoorzieningen;
c. kunstobjecten;
d. oeververbinding in de vorm van een loopbrug;
e. ter plaatse van de aanduiding 'steiger' tevens bestemd voor een steiger met een horecaterras."
Artikel 4.2.2, aanhef en onder d, van de planregels luidt:
"Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:[…]
d. ter plaatse van de aanduiding 'steiger' geldt voor steigers:
1. het aanduidingsvlak mag volledig worden bebouwd met steigers; en
2. het plaatsen van en geplaatst houden van de steiger in overeenstemming is met de waterbeheerder."
Artikel 4.3.2 van de planregels luidt:
"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van het bepaalde in 4.1 onder e voor het toestaan van steigers met horecaterras op andere locaties dan ter plaatse van de aanduiding 'steiger' mits:
a. dit aanvaardbaar is binnen de stedenbouwkundige structuur en karakteristiek van de omgeving; en
b. het plaatsen van en geplaatst houden van de steiger in overeenstemming is met de waterbeheerder; en
c. de belangen van derden niet onevenredig worden geschaad."
Artikel 5.1, aanhef en onder c en d, van de planregels, luidt als volgt:
"De voor ‘Wonen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:
[…] c. ter plaatse van de aanduiding ‘gemengd’ tevens voor commerciële en maatschappelijke functies, kantoor, sport- en wellnessvoorzieningen en horeca van categorie I en I*;
d. ondergrondse en gebouwde parkeervoorzieningen, inclusief fietsenstallingen, ter plaatse van de aanduiding ‘parkeergarage’; […]"
Artikel 5.3.1 van de planregels luidt als volgt:
"Invulling functies
a. het maximum aantal woningen bedraagt 420 woningen;
b. ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' geldt dat:
1. het totale bedrijfsvloeroppervlakte bedraagt in zijn totaliteit 750 m2 bvo en bevindt zich uitsluitend op de begane grond;'
2. horeca uitsluitend in categorie I en I* is toegestaan met een maximum van 400 m2 bvo;
3. detailhandel is niet toegestaan.
c. de totale oppervlakte aan in stand te houden groenvoorzieningen bedraagt ten minste 750 m2."
Artikel 12.1, van de planregels luidt als volgt:
"Voorwaardelijk verplichting parkeren
a. Bij activiteiten waarvoor een 'omgevingsvergunning voor het bouwen' (art. 2.1, lid a Wabo) en/of een 'omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan' (art. 2.1, lid c Wabo) is vereist, dient ten behoeve van het parkeren van auto's, fietsen en het laden en lossen in voldoende ruimte te zijn aangebracht in, op of onder het gebouw of het bijbehorende perceel, dan wel op of onder het betreffende terrein;
b. Bij het bepalen of voldoende ruimte voor parkeergelegenheid is aangebracht voor auto's, fietsen en het laden en lossen wordt gebruikt gemaakt van de Beleidsregels Parkeernormen van de gemeente Leiden zoals die gelden ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan en -indien deze beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd- aan die wijziging;
c. Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in lid a in gevallen zoals genoemd in de onder lid b bedoelde gemeentelijke beleidsregels op het gebied van parkeren."
Beleidsregels Parkeernormen Leiden 2020
Artikel 2 luidt als volgt:
"Parkeren algemeen
1. Indien een ruimtelijke activiteit daartoe aanleiding geeft, dient ten behoeve van het parkeren van fietsen en/of auto’s in voldoende mate ruimte te zijn aangebracht op eigen terrein.
2. Indien door een ruimtelijke activiteit openbare autoparkeerplaatsen komen te vervallen, dienen deze in de openbare ruimte binnen de maximale loopafstanden (bijlage 4) gecompenseerd te worden."
Artikel 8 luidt als volgt:
"Kwaliteitseis autoparkeren
De in artikel 2, lid 1 bedoelde ruimte ten behoeve van het parkeren van auto’s moet voldoen aan:
• De maximale loopafstanden (bijlage 4);
• NEN 2443 voor parkeren op eigen terrein;
• Handboek Kwaliteit Openbare Ruimte van de gemeente Leiden voor parkeren in de openbare ruimte;
• Parkeerplaatsen mogen niet eerder voor andere bouwplannen zijn toegerekend."
Artikel 11 luidt als volgt:
"1. Het bevoegd gezag kan wat betreft het parkeren van auto’s, geheel of gedeeltelijk afwijken van het bepaalde in artikel 2, lid 1, indien:
a. met behulp van een onderbouwing aannemelijk wordt gemaakt dat met minder autoparkeerplaatsen kan worden volstaan dan hetgeen volgt uit de berekende autoparkeereis, of
b. voor ruimtelijke activiteiten, niet zijnde wonen (woningen) in de gebieden 2e schil rond de binnenstad, Overgangsgebied en Woonwijken (bijlage 8), voldoende openbare parkeercapaciteit beschikbaar is binnen de maximale loopafstanden (bijlage 4), of;
c. de ruimtelijke activiteit, zijnde wonen (woningen):
i. gelegen is binnen een betaald parkeren zone, als bedoeld in de Parkeerverordening, op een loopafstand van minimaal 500 meter tot de dichtstbijzijnde gelegen openbare parkeergelegenheid buiten een betaald parkeren zone, en
ii. ten minste het bezoekersaandeel (bijlage 9) van de autoparkeereis op eigen terrein gerealiseerd wordt, wanneer het bouwplan gelegen is buiten de gebieden Historische binnenstad en Stationsomgeving (bijlage 8), en
iii. toekomstige bewoners niet in aanmerking kunnen komen voor een bewoners- en/ of bezoekersparkeervergunning;
d. het voldoen aan artikel 2 lid 1, volgens het bevoegd gezag, op zodanig zwaarwegende bezwaren stuit, dat aan deze bezwaren een doorslaggevende betekenis moet worden gegeven."
Woningbouw in Leiden
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Plesmanlaan 100’ dat de gemeenteraad van Leiden heeft vastgesteld. De uitspraak gaat ook over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft verleend voor de bouw van 420 woningen. Bewoners Belangenvereniging Bockhorst is het niet eens met het woningbouwproject en is daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens de vereniging leidt het bestemmingsplan onder meer tot parkeerproblemen en geluidsoverlast en is onduidelijk of het bestemmingsplan uit verkeerskundig oogpunt wel uitvoerbaar is. Zij vindt ook dat de gebouwen te hoog mogen worden wat een negatieve impact heeft op de woonomgeving in de wijk. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 21 november 2025 op zitting behandeld.