Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202400475/2/R2

Uitspraak 202400475/2/R2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5453
Datum uitspraak
16 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft de raad van de gemeente Asten het bestemmingsplan "Asten, Prins Bernhardstraat 1, 2022" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex bestaande uit maximaal 21 appartementen en winkelruimte op de begane grond aan de Prins Bernhardstraat 1. Tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan bij besluit van 31 oktober 2023 zijn bij de Afdeling twee beroepen ingesteld. Naar aanleiding van deze beroepen heeft de raad het bestemmingsplan bij herstelbesluit van 23 september 2025 gewijzigd vastgesteld. Deze aanpassing heeft onder meer betrekking op het toevoegen en aanpassen van diverse onderzoeken, het bijwerken, toevoegen en verwijderen van planregels, het aanpassen van de verbeelding en het uitsluiten van de functie wonen op de begane grond van het gebouw, met uitzondering van ondergeschikte functies ten behoeve van de functie wonen.
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Noord-Brabant

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202400475/2/R2.
Datum uitspraak: 16 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend in Asten,
verzoeker,

en

de raad van de gemeente Asten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2023 heeft de raad het bestemmingsplan "Asten, Prins Bernhardstraat 1, 2022" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] beroep ingesteld.

Bij besluit van 23 september 2025 heeft de raad dit bestemmingsplan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. (hierna: het herstelbesluit).

[verzoeker] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[verzoeker], de raad en P&R projectontwikkeling B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 2 september 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door mr. L.J.M. Peeters, advocaat in Someren, en de raad, vertegenwoordigd door L. Vijverberg, bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat in Nijmegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting P&R projectontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Omdat het ontwerpbestemmingsplan op 18 november 2022 ter inzage is gelegd blijft voor de beoordeling van het beroep en het verzoek voorlopige voorziening het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing.

Het oordeel in deze uitspraak is niet bindend

2.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Inleiding

3.       Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van een appartementencomplex bestaande uit maximaal 21 appartementen en winkelruimte op de begane grond aan de Prins Bernhardstraat 1. Tegen de vaststelling van dit bestemmingsplan bij besluit van 31 oktober 2023 zijn bij de Afdeling twee beroepen ingesteld. Naar aanleiding van deze beroepen heeft de raad het bestemmingsplan bij herstelbesluit van 23 september 2025 gewijzigd vastgesteld. Deze aanpassing heeft onder meer betrekking op het toevoegen en aanpassen van diverse onderzoeken, het bijwerken, toevoegen en verwijderen van planregels, het aanpassen van de verbeelding en het uitsluiten van de functie wonen op de begane grond van het gebouw, met uitzondering van ondergeschikte functies ten behoeve van de functie wonen.

4.       [verzoeker] is eigenaar van de percelen [locatie 1]-[locatie 2]. Hij is bewoner en verhuurder van de panden op deze percelen. Als bewoner vreest hij voor een onaanvaardbare aantasting van zijn woongenot door de bouw van een 21 woningen en de toename van winkelruimte, waarin het plan voorziet. Als ondernemer vreest hij dat er door de toename van het oppervlak aan winkelruimte leegstand zal ontstaan.

Beroep van rechtswege

5.       Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

Het herstelbesluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel van dit geding. Het beroep van [verzoeker] is van rechtswege gericht tegen het herstelbesluit. Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van het bestemmingsplan, zoals dit luidt na het herstelbesluit.

Verzoek om voorlopige voorziening

6.       Het verzoek strekt tot het schorsen van het bestemmingsplan totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure.

Op 23 april 2026 is een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de bouw van het appartementencomplex bestaande uit maximaal 21 appartementen en winkelruimte op de begane grond, waar op korte termijn een besluit op moet worden genomen. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingediend na afloop van de beroepstermijnen, zodat het bestemmingsplan in werking is getreden. Het bestemmingsplan beoogt de ontwikkeling waarvoor de omgevingsvergunning is aangevraagd mogelijk te maken. Indien op basis van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning wordt verleend voordat het bestemmingsplan onherroepelijk is geworden, kan dit leiden tot onomkeerbare gevolgen.

Beoordeling van het verzoek

De ladder voor duurzame verstedelijking

7.       [verzoeker] betoogt dat het plan in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: het Bro) is vastgesteld, omdat ten onrechte niet is toegelicht dat er behoefte is aan nieuwe winkelruimte. Hij voert hiertoe aan dat in strijd met provinciaal beleid ten onrechte niet is gemotiveerd dat toevoeging van winkelruimte passend is in de omgeving. Volgens [verzoeker] is er geen sprake van behoefte aan nieuwe winkelruimte, omdat de Hema - die zich in het nieuwe gebouw zal vestigen - elders in Asten een groot winkelpand achterlaat.

7.1.    Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro bepaalt dat de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling bevat.

7.2.    De voorzieningenrechter overweegt dat de raad in paragraaf 3.1.2 van de plantoelichting de behoefte aan nieuwe winkelruimte en de appartementen heeft beschreven. Het plan voorziet in een uitbreiding van 615 m² winkelvloeroppervlak. In paragraaf 3.1.2 wordt verwezen naar het rapport "Behoefteonderzoek aanvullende detailhandel centrum Asten" van 16 april 2025 van het bureau BRO (hierna: rapport BRO), dat als bijlage 13 bij de plantoelichting is opgenomen. De plantoelichting vermeldt dat uit het onderzoek BRO blijkt dat door deze toevoeging van het winkelvloeroppervlak geen negatieve effecten worden verwacht.

In het rapport BRO is het behoefteonderzoek uitgevoerd met betrekking tot de toevoeging van 615 m² aan winkelvloeroppervlak in het plangebied. Het rapport BRO vermeldt dat op basis van de kwantitatieve berekening blijkt dat er voldoende kwantitatieve behoefte is voor de uitbreiding van 615 m² aan winkelvloeroppervlak in het centrum van Asten. Volgens het rapport BRO is er voldoende omzet te behalen voor winkels om goed te kunnen functioneren. Ook na de beoogde uitbreiding. Als gevolg van de beoogde uitbreiding wordt daarom geen extra leegstand verwacht. In het rapport BRO staat dat de bestaande leegstand in het hart van het centrum relatief beperkt is. Er is met name leegstand in de Prins Bernhardstraat. Eén van deze panden is Prins Bernhardstraat 1. Deze leegstand verdwijnt door de met het plan beoogde ontwikkeling en de verplaatsing van de Hema naar deze locatie. Het rapport BRO vermeldt dat de verplaatsing van de Hema niet resulteert in extra leegstand. De Hema is namelijk al enige tijd gevestigd in een tent aan de rand van het centrum. Het winkelcentrum Midas, waar Hema voorheen gevestigd was, kent volgens het rapport BRO momenteel geen leegstand. Ook is er geen enkel leegstaand pand beschikbaar dat mogelijkheden biedt voor de vestiging van de Hema in het centrum van Asten. De twee grootste leegstaande panden in het centrum hebben slechts een winkelvloeroppervlak van ruim 400 m². Het winkelvloeroppervlak van de andere leegstaande panden is nog kleiner en varieert tussen 50 en 285 m². Om de Hema een permanente plek te bieden in het centrum van Asten wordt gebruik gemaakt van één van de twee grootste leegstaande panden aan de Prins Bernhardstraat. Maar dit pand is niet groot genoeg om de Hema te huisvesten. Een uitbreiding van 615 m² aan winkelvloeroppervlak is volgens het rapport BRO daarom noodzakelijk. Dit biedt mogelijkheden om de Hema te verplaatsen naar het centrum en tegelijkertijd uit te breiden en te moderniseren. In het rapport BRO staat dat door de beoogde ontwikkeling de leegstand in het centrum van Asten zelfs afneemt, omdat één van de grootste leegstaande panden in het centrum onderdeel is van de ontwikkeling en na de realisatie door de Hema in gebruik zal worden genomen.

Over de kwalitatieve behoefte staat in het rapport BRO onder meer dat de beoogde uitbreiding van detailhandel een moderne en toekomstbestendige Hema in het centrum faciliteert. Dit draagt bij aan de beleidsmatig gewenste kwalitatieve versterking van het centrum. Het aantal grote winkelpanden in het centrum van Asten is zeer beperkt. Hierdoor is het lastig om grotere winkels zoals de Hema, te huisvesten. Maar dergelijke winkelformules trekken wel veel bezoekers en zijn hierdoor belangrijk voor het functioneren van het centrum. De beoogde uitbreiding van detailhandel biedt volgens het rapport BRO mogelijkheden voor de verplaatsing van een publiekstrekker als de Hema naar een centrale locatie in het centrum van Asten. De raad wijst erop dat de locatie vrijwel direct zal worden ingevuld door de Hema.

De voorzieningenrechter ziet in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de behoefte aan een uitbreiding van 615 m² aan winkelvloeroppervlak in het centrum van Asten niet heeft onderbouwd en zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte.

Het betoog slaagt niet.

Het pand aan de Markt 19

8.       Volgens [verzoeker] is bij de planvaststelling ten onrechte geen rekening gehouden met het beeldbepalende pand op het perceel Markt 19. Dit pand grenst aan het perceel Prins Bernhardstraat 1 in het plangebied. [verzoeker] betoogt dat het plan ten onrechte een bouwhoogte van 13,30 m toestaat direct naast het pand aan de Markt 19. Deze toegestane bouwhoogte is volgens hem te hoog en tast het straatbeeld ter plaatse aan.

8.1.    De raad stelt dat in het plan wel degelijk rekening is gehouden met het pand op het perceel Markt 19 en het straatbeeld ter plaatse. Het perceel Markt 19 grenst aan de zuidzijde van het plangebied. In de verbeelding van het voorliggende plan is te zien dat voor het plandeel dat grenst aan het perceel Markt 19 een maximaal toegestane bouwhoogte van 7,10 meter is opgenomen. Het voorheen geldende plan "Asten Centrumgebied" stond daar bebouwing toe met een maximale goothoogte van 7 m en een maximale bouwhoogte van 12 m. Met het voorliggende plan wordt volgens de raad vanaf de straat bezien dus juist geen afbreuk gedaan aan het beeldbepalende karakter van het pand op het perceel Markt 19.

In wat [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt mocht stellen dat in het plan op dit punt voldoende rekening is gehouden met het beeldbepalende pand op het perceel Markt 19.

Het betoog slaagt niet.

Bezonning

9.       [verzoeker] betoogt dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de bebouwing die het plan mogelijk maakt, zorgt voor onaanvaardbare schaduwhinder en vermindering van de zonuren op zijn perceel.

9.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bestaan geen wettelijke normen voor een minimumaantal zonuren per dag in een woning of op een perceel. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. Dat neemt niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening een afweging moet plaatsvinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Schaduwhinder kan een negatieve invloed op dit woon- en leefklimaat hebben. De voorzieningenrechter wijst als voorbeeld op de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5625, onder 6.3.

9.2.    Niet ter discussie staat dat het plan zal leiden tot enige toename van schaduw op het perceel van [verzoeker]. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de raad zich op het standpunt heeft mogen stellen dat die toename van de schaduw niet onaanvaardbaar is, waardoor er geen strijd met een goede ruimtelijke ordening is. De raad heeft in dit geval de zogenoemde lichte TNO-norm gebruikt om de aanvaardbaarheid van de vermindering van de bezonning als gevolg van het plan te beoordelen. De lichte TNO-norm houdt in twee bezonningsuren per dag op het midden van de vensterbank aan de binnenkant van het raam in de periode van 19 februari tot en met 21 oktober. Uit een bezonningsstudie, die is uitgevoerd door bureau Aelmans en als bijlage 11 bij de plantoelichting is opgenomen, blijkt dat aan deze norm wordt voldaan. Daarin staat dat nader onderzoek heeft uitgewezen dat wat betreft de zonlichtinval voor de percelen [locatie 1]-[locatie 2] van [verzoeker] geldt dat op alle te toetsen data aan deze norm wordt voldaan. Voor deze percelen geldt verder dat ook bij de achtertuin van de percelen [locatie 1]-[locatie 2] aan de lichte TNO-norm wordt voldaan.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat uit de bezonningsstudie volgt dat het plan niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat van [verzoeker] als gevolg van een toename van schaduwhinder en vermindering van de zonuren op zijn perceel.

Het betoog slaagt niet

Ingang parkeergarage en verkeersveiligheid

10.     [verzoeker] vreest dat het plan zal leiden tot verkeersonveiligheid vanwege het laden en lossen bij de ingang van de parkeergarage. Hij betoogt dat de raad hiermee bij de voorbereiding van het plan ten onrechte geen rekening heeft gehouden.

10.1.  In de verbeelding is de in-/uitgang van de parkeergarage aan de noordoostzijde van het plangebied weergegeven met de aanduiding "specifieke vorm van centrum in-/uitgang parkeervoorziening".

Artikel 3.1, aanhef en onder l, van de planregels luidt:

"De voor "Centrum" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

l. een ontsluiting van de parkeervoorzieningen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum - in-/uitgang parkeervoorziening".

10.2.  De raad wijst erop dat in paragraaf 2.4. van de plantoelichting is ingegaan op het aspect laden en lossen en verkeersveiligheid bij de parkeergarage. De plantoelichting vermeldt dat het plangebied wordt ontsloten door de Prins Bernhardstraat (eenrichtingsverkeer), de langzaam verkeersverbinding tussen de Prins Bernhardstraat en het Burgemeester Ruttenplein en het parkeerterrein naast de Lidl. Het plan leidt niet tot gemotoriseerd verkeer op de langzaam verkeersverbinding zelf. In de beoogde situatie doorkruist een auto de langzaam verkeersverbinding als deze vanuit het parkeerterrein naast de Lidl de parkeergarage in- of uitrijdt. In de verbeelding is er één in-/uitgang van de parkeergarage vastgelegd aan de noordoostzijde van het plangebied, namelijk aan de zijde van de verbinding tussen de Prins Bernhardstraat en het Burgemeester Ruttenplein. In de plantoelichting staat dat ervoor is gekozen om in het plangebied geen laad- en losruimte te projecteren om het laden en lossen voor de commerciële dienstverlening niet te laten doorkruisen met de langzaam verkeersverbinding. Het doorkruisen van vrachtwagens met de langzaam verkeersverbinding heeft de raad namelijk niet wenselijk geacht met het oog op de verkeersveiligheid. Daarom is ervoor gekozen om het laden en lossen te voorzien op de al bestaande algemene laad- en losstrook aan de zijkant van het pand waarin de Lidl is gevestigd. Vrachtwagens kunnen op het parkeerterrein steken om vooruit of achteruit de laad- en losruimte te bereiken, zonder de langzaam verkeersverbinding te doorkruisen. Hiervoor is met maximaal twee extra verkeersbewegingen per dag rekening gehouden. Verder is in paragraaf 2.4.1, onder het kopje "Verkeersveiligheid" beschreven hoe de verkeersveiligheid bij de in-/uitgang van de parkeergarage kan worden geregeld. Er is beschreven dat er een vlak opstelplek van 6 m komt voor de deur van de parkeergarage. Ook komt er een stoplicht op de muur bij de in-/uitgang die wordt verbonden met een sensor aan de deur. Verder komt er een witte lijn op de grond, die laat zien waar de auto’s uit de parkeergarage stoppen, zo vermeldt de plantoelichting. Een en ander is ook geborgd in artikel 3.2.5 van de planregels, en de daarbij behorende bijlage 3.

Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in wat [verzoeker] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad bij de voorbereiding van het plan onvoldoende is ingegaan op het aspect verkeersonveiligheid vanwege het laden en lossen bij de ingang van de parkeergarage.

Het betoog slaagt niet.

Geluid

11.     [verzoeker] vreest voor onaanvaardbare geluidsoverlast bij zijn woning als gevolg van het plan.

11.1.  De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het plan wat betreft het aspect geluid niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Bij de voorbereiding van het plan heeft er akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar de gevolgen van het bestemmingsplan van (onder meer) het woon- en leefklimaat bij de woning van [verzoeker]. De resultaten zijn opgenomen in het akoestische rapport "Akoestisch onderzoek RO Prins Berhardstraat 1 te Asten" van 2 juli 2025 van bureau Aelmans. In dat akoestische rapport, dat als bijlage 15 bij de plantoelichting is opgenomen, wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning van [verzoeker] als gevolg van het bestemmingsplan. Dit rapport bevestigt het standpunt van de raad bij de planvaststelling dat het plan geen onaanvaardbare akoestische gevolgen heeft voor [verzoeker]. De voorzieningenrechter overweegt hierbij dat [verzoeker] niet heeft aangevoerd wat er niet deugt aan het akoestische rapport en dat hij ook geen tegenrapport van een deskundige heeft overgelegd. De voorzieningenrechter ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de raad zich niet op dit akoestische rapport heeft mogen baseren.

Het betoog slaagt niet.

Privaatrechtelijke belemmering

12.     [verzoeker] betoogt dat een in 2002 met de gemeente gesloten overeenkomst, waarin onder andere afspraken zijn gemaakt over de in het plangebied toe te laten bouwhoogte, in de weg staat aan het plan. Volgens [verzoeker] volgt uit die overeenkomst dat het de gemeente niet vrijstaat een hogere bouwhoogte toe te laten dan destijds is afgesproken.

12.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bestaat voor het oordeel dat een privaatrechtelijke belemmering aan de vaststelling van een bestemmingsplan in de weg slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is namelijk de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, onder 7.2.

12.2.  De voorzieningenrechter stelt vast dat in de bedoelde overeenkomst de gemeente zich destijds tegenover onder meer [verzoeker] en de toenmalige eigenaren van het plangebied heeft verplicht om medewerking te verlenen aan de destijds door hen gewenste bestemmingsplanwijziging. Die wijziging heeft haar beslag gekregen in het in 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Asten Centrumgebied". In wat [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor de veronderstelling dat de in 2002 gemaakte afspraken ook na 2014 nog betekenis zouden hebben, en dat het de raad niet zou vrijstaan om later nog meer bouwmogelijkheden ter plaatse mogelijk te maken.

Het betoog slaagt niet.

Overige beroepsgronden

13.     De voorzieningenrechter ziet op voorhand ook geen aanknopingspunten voor de verwachting dat de overige aangevoerde beroepsgronden over onder meer het gemeentelijke woonbeleid, de waterberging en de omgevingsdialoog in de bodemprocedure zullen leiden tot het oordeel dat de bestreden besluiten niet in stand zullen blijven.

Conclusie

14.     Gelet op het voorgaande ziet de voorzieningenrechter in het aangevoerde geen aanleiding om vooruitlopend op de beoordeling in de bodemzaak een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

15.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.S.D. Ramrattansing, griffier.

w.g. Besselink
voorzieningenrechter

w.g. Ramrattansing
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2026

408


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon