Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.26.003298

Uitspraak BRS.26.003298

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5462
Datum uitspraak
17 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 13 juni 2026 is aan appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.26.003298
ECLI:NL:RVS:2026:5462
Datum uitspraak: 17 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 juni 2026 in zaak nr. NL26.33337 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2026 is aan appellant een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.

Bij uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank het met een kennisgeving daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nadere reactie ingediend.

Overwegingen

1.        Bij besluit van 13 juni 2026 is aan appellant de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Op 15 juni 2026 heeft de minister de rechtbank hiervan in kennis gesteld. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister die kennisgeving tijdig heeft verstuurd.

2.        Op deze zaak is het recht van toepassing dat geldt met ingang van 12 juni 2026.

De uitspraak van de rechtbank

3.        De rechtbank heeft overwogen dat appellant niet heeft betwist dat door een technische storing de kennisgeving niet op de gebruikelijke wijze is doorgezet aan het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) van de rechtspraak. De rechtbank heeft overwogen dat, wat daarvan ook zij, zij onverwijld in kennis is gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel. De maatregel is ondertekend op 13 juni 2026, om 13:47 uur, en de kennisgeving is op 15 juni 2026, om 13:37 uur, en daarmee binnen twee dagen, naar het CIV gemaild. Dit acht de rechtbank onder deze omstandigheden onverwijld. Volledigheidshalve merkt de rechtbank daarbij op dat de ratio achter artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 is dat de rechtbank zo snel mogelijk in staat wordt gesteld een oordeel te geven over een opgelegde vrijheidsontnemende maatregel. Daaraan is voldaan, omdat het CIV binnen twee dagen in kennis is gesteld. Uit artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000 volgt immers dat de rechtbank uitspraak moet doen in ten hoogste vijftien dagen, dan wel ten hoogste eenentwintig dagen in uitzonderlijke omstandigheden, na de dag van de oplegging van de maatregel. Dat is hier onmiskenbaar gedaan, aldus de rechtbank.

Grief

4.        Appellant klaagt in zijn enige grief over dit oordeel van de rechtbank. Dat de kennisgeving wegens een technische storing niet op de gebruikelijke wijze is doorgestuurd naar het CIV, maar pas twee dagen later per e-mail is verstuurd, moet volgens appellant voor risico van de minister komen. Een kennisgeving na twee dagen verhoudt zich volgens appellant niet tot het begrip ‘onverwijld’, ook niet onder de gegeven omstandigheden.

Beoordeling

4.1.        Appellant klaagt terecht over het oordeel van de rechtbank dat de kennisgeving onverwijld is verstuurd. Een kennisgeving die twee dagen na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel is verstuurd, kan niet als onverwijld worden aangemerkt.

Hoewel de klacht dus terecht is voorgedragen, leidt de grief niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling licht dit hierna toe.

4.2.        Artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 luidt:

"Onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in de artikelen 6, 6a, 58, 59, 59a en 59b, stelt Onze Minister de rechtbank hiervan in kennis. Zodra de rechtbank de kennisgeving heeft ontvangen wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Het beroep strekt tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding."

4.3.        In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2025/26, 36 781, nr. 3), onderdeel BR, staat hierover onder meer het volgende:

"De verplichting om onverwijld na het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel een kennisgeving te doen uitgaan naar de rechtspraak, moet ervoor zorgen dat de rechtbank zo snel als mogelijk op de hoogte wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. De termijn voor de rechtbank om ambtshalve uitspraak te doen binnen 15 dan wel 21 dagen in het geval van uitzonderlijke omstandigheden vangt ingevolge artikel 11, derde lid, van de herschikte Opvangrichtlijn immers aan na aanvang van de bewaring, dus spoed van de zijde van de Minister van Asiel en Migratie is geboden. Bij de invoering van deze handelwijze zal de tijdigheid van de kennisgeving prioriteit krijgen. De regering loopt thans uit dat de bewaringsmaatregel automatisch bij oplegging door de AVIM, KMar, DTenV of de IND zelf, via de IND (procesvertegenwoordiging) direct bij de rechtspraak aankomt. Op deze wijze is geborgd dat de bewaringsrechter onverwijld op de hoogte komt van de oplegging van de bewaringsmaatregel en deze ambtshalve toetst. De noodzaak om de mogelijkheid open te houden dat de vreemdeling ook zelf beroep kan indienen, komt daarmee dan te vervallen."

4.4.        Uit de memorie van toelichting volgt dus dat de wetgever in dit geval voor ogen heeft gehad dat de rechtbank via de kennisgeving direct in kennis wordt gesteld van het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel, zodat zij de termijnen om uitspraak te doen ten volle kan benutten. Dat is ook in lijn met de betekenis van het woord ‘onverwijld’ in het dagelijks taalgebruik, namelijk ‘meteen, zonder uitstel’.

4.5.        De verplichting om de rechtbank zonder uitstel in kennis te stellen van een vrijheidsontnemende maatregel weegt des te zwaarder, omdat de wetgever geen aanleiding heeft gezien om de mogelijkheid open te houden dat een vreemdeling zelf beroep kan instellen. Het in kennis stellen van de rechtbank van een vrijheidsontnemende maatregel is daarom een handeling die geen uitstel duldt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, ligt de verantwoordelijkheid voor het verzenden van de kennisgeving ten volle bij de minister. Zie de uitspraak van 23 maart 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BH8487, onder 2.1.3 en 2.1.4.

4.6.        De Afdeling is daarom van oordeel dat een kennisgeving alleen als onverwijld kan worden aangemerkt, als deze direct na het opleggen van de maatregel aan de rechtspraak wordt verstuurd, of in ieder geval zo kort daarna dat dit redelijkerwijs nog als gelijktijdig kan worden aangemerkt. Daarvan is sprake als de kennisgeving binnen zes uur na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel naar de rechtbank is verstuurd. Deze uitleg van het begrip ‘onverwijld’ geldt ongeacht de omstandigheden van het geval en de aanleiding voor een eventueel uitstel. Uit de schriftelijke uiteenzetting van de minister leidt de Afdeling overigens af dat de minister het proces rond de kennisgeving zo heeft ingericht dat aan dit aantal uren voldaan kan worden, als zich geen technische storing voordoet.

4.7.        Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister haar onverwijld in kennis heeft gesteld van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit maakt de vrijheidsontnemende maatregel op zichzelf nog niet onrechtmatig. De verplichting om de rechtbank onverwijld in kennis te stellen van een vrijheidsontneming is weliswaar van belang voor een adequate rechtsbescherming, maar raakt niet de rechtmatigheid van de maatregel zelf. Het niet nakomen daarvan maakt de vrijheidsontnemende maatregel daarom alleen onrechtmatig als de maatregel, gelet op de ernst van het gebrek en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen, niet meer gerechtvaardigd is. Bij die belangenafweging is in het bijzonder van belang in hoeverre appellant door de gang van zaken is geschaad in zijn verdediging.

4.8.        In de voorliggende zaak valt deze belangenafweging in het voordeel van de minister uit. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat de minister de rechtbank binnen 48 uur na oplegging van de maatregel hiervan in kennis heeft gesteld. Dat is weliswaar niet onverwijld, maar binnen een aanvaardbare termijn om het beroep tijdig te kunnen behandelen. De rechtbank heeft op 19 juni 2026, dus zes dagen na de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel, het beroep op een zitting behandeld, en heeft twaalf dagen na oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel uitspraak gedaan. Dat is dus binnen de termijn bedoeld in artikel 94, vijfde lid, van de Vw 2000. Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat hij door het niet onverwijld versturen van de kennisgeving in zijn verdediging is geschaad.

4.9.        Op zichzelf komt de Afdeling dus tot dezelfde conclusie als de rechtbank, maar via een iets andere redenering, gelet op wat is overwogen onder 4.6 tot en met 4.8. Dit betekent dat de grief faalt.

5.        Er zijn in deze zaak geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31).

Conclusie

6.        De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de grensdetentie onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.W.A. Weber, griffier.

w.g. Sevenster
voorzitter

w.g. Weber
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026

846


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon