Uitspraak 202600139/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5634
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de BSA-commissie een verzoek van [appellant] om uitstel van het bindend studieadvies afgewezen en aan hem een negatief bindend studieadvies (NBSA) gegeven. [appellant] volgde in het cursusjaar 2024/2025 de bacheloropleiding Economie en Bedrijfseconomie. Hij heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de BSA-commissie van 14 augustus 2025 en heeft de voorzitter van het het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (CBE) verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij, ondanks die beslissing, aan het onderwijs kan blijven deelnemen. De BSA-commissie heeft op 9 september 2025 te kennen gegeven [appellant] dit toe te staan. [appellant] heeft vervolgens desgevraagd het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en het CBE verzocht de examencommissie te veroordelen in de proceskosten van het verzoek.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Studentenzaken
Toon inhoud
202600139/1/A2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats] (Curaçao),
appellant,
en
het college van beroep voor de examens van de Universiteit van Amsterdam (CBE),
verweerder.
Procesverloop
Bij beslissing van 14 augustus 2025 heeft de BSA-commissie een verzoek van [appellant] om uitstel van het bindend studieadvies afgewezen en aan hem een negatief bindend studieadvies (NBSA) gegeven.
Bij beslissing van 4 december 2025 heeft het CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard en bepaald dat de BSA-commissie de bij [appellant] in verband met de behandeling van een door hem ingediend verzoek om voorlopige voorziening opgekomen proceskosten vergoedt.
Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het CBE heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door C.J.A. van Vliet, rechtsbijstandverlener in Markelo, en het CBE, vertegenwoordigd door A. van der Weerd-Kramer LLB, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding en besluitvorming
1. [appellant] volgde in het cursusjaar 2024/2025 de bacheloropleiding Economie en Bedrijfseconomie. Hij heeft administratief beroep ingesteld tegen de beslissing van de BSA-commissie van 14 augustus 2025 en heeft de voorzitter van het CBE verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij, ondanks die beslissing, aan het onderwijs kan blijven deelnemen. De BSA-commissie heeft op 9 september 2025 te kennen gegeven [appellant] dit toe te staan. [appellant] heeft vervolgens desgevraagd het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en het CBE verzocht de examencommissie te veroordelen in de proceskosten van het verzoek.
2. Het CBE heeft, voor zover hier relevant, aan de beslissing van 4 december 2025 ten grondslag gelegd dat [appellant] aan het einde van het eerste jaar van inschrijving voor de opleiding 42 van de vereiste 48 studiepunten van het studieprogramma van het eerste jaar heeft behaald. Het CBE heeft verder vastgesteld dat een relatiebreuk met zijn vriendin de oorzaak is geweest van de gestelde mentale problematiek van [appellant]. Hij heeft echter geen bewijsstukken overgelegd die de gestelde mentale problematiek en de gevolgen daarvan op de studiebelastbaarheid duidelijk maken. Bovendien onderbouwt de gestelde mentale problematiek onvoldoende dat de studieresultaten van [appellant] gedurende het studiejaar fluctueren en dat hij de zogenoemde zwaardere vakken niet haalde. De BSA-commissie heeft volgens het CBE op goede gronden geconcludeerd dat het causale verband tussen de aangedragen persoonlijke omstandigheden en de behaalde studieresultaten ontbreekt.
3. De BSA-commissie is volgens het CBE uit praktische overwegingen geheel tegemoetgekomen aan het verzoek om een voorlopige voorziening van [appellant]. Artikel 8:75a van de Awb biedt een grondslag voor vergoeding van de proceskosten voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Beroep
4. [appellant] betoogt dat het CBE zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat causaal verband ontbreekt tussen de door hem aangedragen persoonlijke omstandigheden en het tekort aan studiepunten. Het CBE heeft deze conclusie onvoldoende onderbouwd en heeft niet onderkend dat de BSA-commissie een onvoldoende op de persoon toegesneden beoordeling heeft uitgevoerd en daarmee in strijd met artikel 7.8b, derde lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) heeft gehandeld. Het CBE heeft verder onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaring van de oom van [appellant] als psycholoog onvoldoende bewijs is voor het causale verband.
4.1. Het CBE heeft zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt gesteld dat de BSA-commissie een NBSA heeft mogen geven. Niet valt in te zien dat de beslissing van 14 augustus 2025 een onvoldoende op de persoon toegesneden beoordeling bevat. De stukken die [appellant] ter ondersteuning van zijn betoog heeft overgelegd, bieden onvoldoende handvatten voor het oordeel dat de mentale problemen waarmee hij kampte zodanig zijn, dat zij in de weg staan aan de beoordeling of hij geschikt moet worden geacht voor de opleiding.
4.2. De verklaring van de oom van [appellant], die psycholoog is in de Verenigde Staten, leidt niet tot een ander oordeel. Uit de verklaring blijkt namelijk dat de gesprekken met name plaatsvonden in de maanden oktober en november van 2024. [appellant] heeft evenwel gedurende het gehele jaar vakken niet gehaald. Verder blijkt uit die verklaring dat [appellant] zich aan het einde van november 2024 beter voelde. Tot slot is niet duidelijk welk verband de door de oom van [appellant] genoemde academische problemen hielden met de mentale problemen van [appellant]. Ook uit de overgelegde berichten van de huisarts blijkt niet dat de gestelde psychische problematiek de oorzaak is van het tekort aan studiepunten. [appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zijn persoonlijke omstandigheden de studieresultaten nadelig hebben beïnvloed.
5. [appellant] betoogt verder dat niet het CBE, maar de voorzitter van het CBE had moeten beslissen op het verzoek om vergoeding van proceskosten voor het indienen van het verzoek om een voorlopige voorziening.
5.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4628, is het CBE bevoegd te beslissen op het verzoek om vergoeding van de proceskosten in de voorlopige voorzieningsprocedure.
6. Het beroep is ongegrond.
7. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier.
w.g. Borman
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Loon
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
284-1175