Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202403284/1/R3

Uitspraak 202403284/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5677
Datum uitspraak
23 september 2026
Inhoudsindicatie
In het besluit van 22 september 2022 heeft het collegevan burgemeester en wethouders van Den Haag een last onder dwangsom opgelegd in verband met het bouwen en in stand laten van drie balkons zonder geldige omgevingsvergunning op het perceel aan het [locatie] in Den Haag (perceel). [appellant] woont op het perceel met zijn echtgenote. De woning die op het perceel staat is een gemeentelijk monument. Op 11 juli 2019 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor het realiseren van twee balkons op de tweede en derde verdieping aan de achterzijde van zijn woning en het gedeeltelijk aanpassen van het bestaande balkon op de eerste verdieping. Het college heeft de aanvraag in het besluit van 14 oktober 2019 geweigerd. Naar aanleiding van een melding heeft er op 29 maart 2022 een inspectie plaatsgevonden op het perceel waarbij onder andere is geconstateerd dat de balkons alsnog zonder omgevingsvergunning en in strijd met artikel 9 van de Monumentenverordening Den Haag 2010 gerealiseerd zijn.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202403284/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 maart 2024 in zaak nr. 23/4289 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

Procesverloop

In het besluit van 22 september 2022 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd in verband met het bouwen en in stand laten van drie balkons zonder geldige omgevingsvergunning op het perceel aan het [locatie] in Den Haag (perceel).

In het besluit van 11 mei 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 22 september 2022 onder aanvullende motivering in stand gelaten.

In de uitspraak van 25 maart 2024 heeft de rechtbank onder meer het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 20 juli 2026, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schmitz, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

In het besluit van 22 september 2022 heeft het college aan [appellant] de last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [appellant] woont op het perceel met zijn echtgenote. De woning die op het perceel staat is een gemeentelijk monument. Op 11 juli 2019 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor het realiseren van twee balkons op de tweede en derde verdieping aan de achterzijde van zijn woning en het gedeeltelijk aanpassen van het bestaande balkon op de eerste verdieping. Het college heeft de aanvraag in het besluit van 14 oktober 2019 geweigerd.

Naar aanleiding van een melding heeft er op 29 maart 2022 een inspectie plaatsgevonden op het perceel waarbij onder andere is geconstateerd dat de balkons alsnog zonder omgevingsvergunning en in strijd met artikel 9 van de Monumentenverordening Den Haag 2010 gerealiseerd zijn.

In het besluit van 21 april 2022 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd vanwege strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en h, artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder b, en artikel 2.3a, eerste lid van de Wabo. Deze dwangsom is volledig verbeurd op 1 december 2022.

Omdat er op 7 februari 2022 en 2 juni 2022 is geconstateerd dat de overtreding niet is beëindigd, heeft het college in het besluit van 22 september 2022 een tweede last onder dwangsom opgelegd. Hiermee draagt het college [appellant] op om de balkons alsnog vóór 30 november 2022 te verwijderen.

Hoger beroep

Bevoegdheid tot handhaven

3.       De Afdeling overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van een overtreding. Het geschil beperkt zich ten aanzien van het besluit van 22 september 2022 dan ook tot de vraag of het college vanwege bijzondere omstandigheden had moeten afzien van handhavend optreden.

Evenredigheid van handhavend optreden

4.       [appellant] heeft verschillende gronden aangevoerd waarmee hij betoogt dat handhavend optreden in zijn situatie onevenredig is. De Afdeling zal deze gronden hieronder bespreken.

5.       Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.

Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.

Concreet zicht op legalisatie

6.       [Appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat hij door middel van verschillende vergunningsaanvragen heeft geprobeerd om een groot deel van de bouwwerken te legaliseren. Daarbij acht [appellant] ook van belang dat de rechtbank niet heeft onderkend dat er vanwege ziekte en afwezigheid bij het college, maar ook door belemmeringen tijdens de coronaperiode, onvoldoende duidelijkheid was over het aanvragen van een omgevingsvergunning. Er had niet gehandhaafd moeten worden terwijl hij nog actief bezig was met het legaliseren van een deel van de balkons. Zeker aangezien inmiddels een omgevingsvergunning is verleend voor een gedeelte van de bouwwerken.

6.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat er ten tijde van het besluit op bezwaar geen concreet zicht op legalisatie van de balkons bestond. Daarbij acht de Afdeling van belang dat het college al in het besluit van 14 oktober 2019 heeft geweigerd om de omgevingsvergunning voor de balkons in de huidige vorm te verlenen. Dat er op 23 mei 2023 alsnog een omgevingsvergunning is verleend voor de balkons in een aangepaste vorm, doet daar niet aan af.

Het betoog slaagt niet.

Medische en overige omstandigheden

7.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het besluit tot handhavend optreden onevenredig is ten opzichte van de daarmee te dienen doelen. Zo had er bij de afweging van de betrokken belangen een zwaarder gewicht toegekend moeten worden aan de omstandigheid dat de balkons van belang zijn voor de behandeling van de gezondheidsproblematiek van zijn echtgenote. De rechtbank heeft ten onrechte de medische verklaring van Mental Health Center Beeklaan van 2 februari 2024 niet meegenomen in haar overweging. Daarnaast had meer gewicht toegekend moeten worden aan de omstandigheid dat het college al meerdere handhavingsbesluiten aan hem had opgelegd.

Verder voert [appellant] aan dat het besluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel nu het college bij gelijkwaardige overtredingen van balkons niet handhaaft. Ten slotte stelt [appellant] dat de rechtbank zijn pleitnota ten onrechte niet heeft meegenomen in haar oordeel over de evenredigheid van het handhavend optreden.

7.1.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank niet onderkend dat het college de belangen van [appellant] onvoldoende heeft afgewogen ten opzichte van de daarmee te dienen doelen. [appellant] heeft in zijn bezwaarschrift kenbaar gemaakt dat het afbreken van de balkons directe gevolgen heeft voor de gezondheidssituatie, en daarmee de terugval, van zijn echtgenote. [appellant] heeft de noodzaak van de balkons voor zijn echtgenote onderbouwd door middel van de medische verklaring van 2 februari 2024. In de verklaring staat onder meer het volgende: "Dreiging van het verwijderen van de overkapping/balkons en aantasting van haar leefomgeving zeer recent, onder dwang van de Gemeente heeft ernstige gevolgen voor de mentale gezondheid van patiënte, met een weerslag op haar fysieke gezondheid". Ook staat er over eerdere verwijdering van een deel van de buitenruimtes: "Patiënte heeft als gevolg hiervan ernstige vormen van decompensatie". Daarom speelt de instandhouding van de balkons, met name die op de hogere verdieping, volgens de medische verklaring een belangrijke rol in het voorkomen van psychische decompensaties en het dragelijk maken van het leven van de echtgenote van [appellant].

Het college heeft op zitting desgevraagd laten weten dat hij geen aanleiding heeft gezien voor het meewegen van de medische belangen van de echtgenote van [appellant] en dat de medische verklaring daar ook niet toe aanzet. Gezien de zwaarte van het belang, zoals beschreven in het psychiatrisch rapport, had het college deze persoonlijke omstandigheden van de echtgenote van [appellant] bij zijn belangenafweging moeten betrekken. Nu het college hier geen aanleiding toe heeft gezien, heeft hij bij het besluit onvoldoende alle betrokken belangen afgewogen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank dit gebrek niet onderkend.

In zoverre slaagt het betoog.

7.2.    Wat het betoog over de onevenredigheid van het handhavend optreden vanwege de hoeveelheid handhavingsbesluiten betreft, overweegt de Afdeling het volgende. Het opleggen van een last onder dwangsom heeft tot doel de overtreder te bewegen tot naleving van de voor hem geldende regels. Dat ten tijde van het besluit van 22 september 2022 al eerder een last onder dwangsom was opgelegd voor dezelfde overtreding, betekent niet dat deze latere last onder dwangsom onevenredig is. Ten tijde van de latere last onder dwangsom was de eerdere last onder dwangsom namelijk uitgewerkt zonder dat de overtreding was beëindigd. Dat de vergunningsaanvragen van [appellant] herhaaldelijk buitenbehandeling zijn gesteld of afgewezen, maakt de ernst van de overtreding niet minder en maakt ook niet dat het opleggen van een tweede last onder dwangsom onevenredig is.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

7.3.    Voor de overige gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, verwijst de Afdeling naar wat de rechtbank daarover reeds heeft overwogen. De Afdeling volgt het oordeel van de rechtbank en wijst daarbij in het bijzonder op rechtsoverweging 14.3 en voegt daar nog het volgende aan toe. Voor zover [appellant] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte de gronden uit zijn pleitnota niet heeft meegenomen, leidt dit niet tot een ander oordeel. De Afdeling wijst er op dat de rechtbank in de uitspraak niet op alle aangevoerde argumenten en rechtspraak afzonderlijk in hoeft te gaan, maar zich mag beperken tot de kern daarvan. Niet is gebleken dat bepaalde argumenten of jurisprudentie niet in de overwegingen zijn betrokken. [appellant] heeft bovendien niet geconcretiseerd om welke argumenten of rechtspraak dit gaat en op welke manier deze betrokken hadden moeten worden bij haar oordeel. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank de aangevoerde gronden onvoldoende heeft besproken in de aangevallen uitspraak.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

8.       Voor zover [appellant] zijn in beroep aangevoerde gronden in hoger beroep heeft herhaald en ingelast, overweegt de Afdeling dat de rechtbank in haar uitspraak op die gronden is ingegaan. [appellant] heeft, behalve wat hiervoor is besproken, geen redenen aangevoerd waarom de rechtbank dat onjuist of onvolledig zou hebben gedaan. Gelet hierop kan de enkele verwijzing naar wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Conclusie en bestuurlijke lus

9.       Gelet op wat onder 7.1 is overwogen, is het besluit van 11 mei 2023 genomen in strijd met artikel 3:4 van de Awb.

10.     Met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling het college op grond van artikel 8:51d van de Awb opdragen om binnen 12 weken na verzending van deze uitspraak het onder 7.1 omschreven gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Het college moet alsnog het belang van de echtgenote van [appellant] gemotiveerd meewegen bij de vraag of handhavend optreden in dit geval niet onevenredig is, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit nemen. Daarbij dient het college ook de medische verklaring van 2 februari 2024 in acht te nemen. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, blijft op een gewijzigd of nieuw besluit het recht, zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 januari 2024, van toepassing.

Proceskosten en griffierecht

11.     In de einduitspraak wordt beslist over vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt het college van burgemeesters en wethouders van Den Haag op om binnen 12 weken van deze tussenuitspraak:

-        met inachtneming van overweging 7.1 en 9 het daar omschreven gebrek in het besluit van 11 mei 2023, met kenmerk B.2.22.3319.001, te herstellen, en

-        de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.W.L. van der Heijden, griffier.

w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Van der Heijden
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

884-1200


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon