Uitspraak 202500054/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5671
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat besloten dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet verstrekt hoeft te worden. [appellant] is eigenaar van de vrijstaande woning met aanbouw aan de [locatie]. De woning staat in een gebied waar aardbevingen voorkomen. In de expert opinion is uiteengezet dat de oorspronkelijke bouw van de woning het uitgangspunt is voor de beantwoording van de vraag of een woning moeten worden opgenomen in het versterkingsprogramma. De expert opinion richt zich daarom op het in kaart brengen van afwijkingen - zoals verbouwingen, verzakkingen en schades - ten opzichte van de oorspronkelijke situatie en de beoordeling of die afwijkingen van invloed zijn op de seismische capaciteit (de mate waarin de woning tegen aardbevingen bestand is). Volgens Zonneveld is er in dit geval gerede twijfel of de stabiliteit van de constructie voldoende is gewaarborgd vanwege de interne verbouwingen - waaronder de verwijdering van dragende muren, diverse doorbraken en het herstel van de draagstructuur door onder meer het plaatsen van een stalen ligger om de eerste verdiepingsvloer te ondersteunen - en de te verwachten seismiciteit (0,146g). Zonneveld heeft daarom geadviseerd om nader onderzoek te laten doen.
- Eerste aanleg - meervoudig
- Schadevergoeding
Toon inhoud
202500054/1/A2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
en
de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 25 april 2024 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat besloten dat de woning van [appellant] voldoet aan de veiligheidsnorm en niet verstrekt hoeft te worden.
Bij besluit van 30 oktober 2024 heeft de staatssecretaris Herstel Groningen het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De staatssecretaris Herstel Groningen heeft een verweerschrift ingediend.
De minister heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 augustus 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. G.H. Poort-van Drempt en A. Snippe, vergezeld door J. Voermans en R. Kamer, is verschenen.
Overwegingen
1. Onder de minister worden hierna ook zijn rechtsvoorgangers verstaan.
2. [appellant] is eigenaar van de vrijstaande woning met aanbouw aan de [locatie].
3. De woning staat in een gebied waar aardbevingen voorkomen.
4. Naar aanleiding van de aanvraag van [appellant] bij het Loket Opname op Verzoek, heeft de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) Zonneveld ingenieurs B.V. de opdracht gegeven om de woning op te nemen. Zonneveld heeft zijn bevindingen neergelegd in een opnamerapport van 23 april 2021 en een expert opinion van 16 februari 2021.
5. In de expert opinion is uiteengezet dat de oorspronkelijke bouw van de woning het uitgangspunt is voor de beantwoording van de vraag of een woning moeten worden opgenomen in het versterkingsprogramma. De expert opinion richt zich daarom op het in kaart brengen van afwijkingen - zoals verbouwingen, verzakkingen en schades - ten opzichte van de oorspronkelijke situatie en de beoordeling of die afwijkingen van invloed zijn op de seismische capaciteit (de mate waarin de woning tegen aardbevingen bestand is). Volgens Zonneveld is er in dit geval gerede twijfel of de stabiliteit van de constructie voldoende is gewaarborgd vanwege de interne verbouwingen - waaronder de verwijdering van dragende muren, diverse doorbraken en het herstel van de draagstructuur door onder meer het plaatsen van een stalen ligger om de eerste verdiepingsvloer te ondersteunen - en de te verwachten seismiciteit (0,146g). Zonneveld heeft daarom geadviseerd om nader onderzoek te laten doen.
6. De NCG heeft vervolgens W2N Groningen B.V. de opdracht gegeven om te onderzoeken of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm voor gebouwen in het aardbevingsgebied als bedoeld in artikel 1 van de Tijdelijke wet Groningen (TwG). Deze zogenoemde Meijdam-norm schrijft de maximaal aanvaardbare kans voor dat iemand bij een aardbeving komt te overlijden door instorting van een woning. De kans dat iemand overlijdt door het bezwijken van (een deel van) een bouwwerk door een aardbeving mag niet groter zijn dan 1 op de 100.000. Dit is gelijk aan de landelijke veiligheidsnorm die voor alle gebouwen in Nederland geldt.
7. W2N heeft op 16 februari 2024 een opnamerapport en op 25 maart 2024 een beoordelingsrapport uitgebracht. In het beoordelingsrapport is vermeld dat de woning aan de hand van de Nederlandse Praktijkrichtlijn (NPR) is beoordeeld. De NPR beschrijft uitgangspunten en rekenmethodes waarmee kan worden bepaald of nieuwe en bestaande gebouwen bestand zijn tegen aardbevingen in het gebied van het Groningengasveld. Constructeurs kunnen met deze richtlijn berekenen hoe sterk een gebouw moet zijn om te voldoen aan de veiligheidsnorm. De woning van [appellant] is beoordeeld met de NPR 9998:2020 (T5). De conclusie van het beoordelingsrapport is dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm. Dit betekent volgens het rapport dat de woning veilig is bij (zware) aardbevingen. De woning hoeft daarom niet seismisch versterkt te worden.
8. De minister heeft het beoordelingsrapport van 25 maart 2024 ten grondslag gelegd aan het besluit van 25 april 2024.
9. Naar aanleiding van het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister W2N verzocht om een nader advies. W2N heeft in het nader advies van 23 september 2024 de conclusie gehandhaafd dat de woning voldoet aan de veiligheidsnorm en voldoende bestand is tegen aardbevingen.
10. De minister heeft dit advies ten grondslag gelegd aan het besluit van 30 oktober 2024.
Het beroep van [appellant]
11. [appellant] betoogt dat de minister het beoordelingsrapport niet aan het besluit van 30 oktober 2024 ten grondslag mocht leggen. Het beoordelingsrapport bevat feitelijke onjuistheden en is onvolledig. Het besluit van 30 oktober 2024 is daarom in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel.
12. De Afdeling gaat hieronder in op de gronden die hij daartoe aanvoert.
Fundering van de aanbouw
13. [appellant] stelt dat volgens het beoordelingsrapport zowel de fundering van het hoofdverblijf als de aanbouw bestaat uit een gemetselde getrapte strokenfundering van baksteen. Dit is feitelijk onjuist, omdat hij zelf heeft waargenomen dat de fundering van de aanbouw bestaat uit gestort beton op 30 x 30 cm tegels. De minister had hier nader onderzoek naar moeten laten doen.
13.1. In het beoordelingsrapport staat dat het funderingssysteem van zowel het hoofdverblijf als de aanbouw uit een gemetselde getrapte strokenfunderingen van baksteen bestaat. De minister heeft naar aanleiding van dit eerder in bezwaar aangevoerde betoog van [appellant] W2N om een reactie gevraagd. In het nader advies is vermeld dat tijdens het opgraven van de fundering de bovenkant niet goed is schoongemaakt. W2N acht het op grond van de foto’s zeer aannemelijk dat de fundering uit beton bestaat. Daarbij komt dat W2N op basis van een bouwtekening van de verbouwing van 8 juli 1975 heeft vastgesteld dat de aanbouw na 1975 is gerealiseerd. W2N acht het ook daarom aannemelijk dat de aanbouw inderdaad een betonnen strokenfundering heeft. W2N heeft geen aanleiding gezien voor nader onderzoek, omdat een fundering van beton sterker is dan een fundering van metselwerk en dus beter bestand is tegen aardbevingen.
13.2. [appellant] heeft niet bestreden dat een fundering van beton sterker is dan een fundering van metselwerk. Bij deze stand van zaken is de Afdeling van oordeel dat het gewijzigde inzicht over de fundering van de aanbouw geen gevolgen heeft voor de conclusie dat de woning aan de veiligheidsnorm voldoet.
13.3. Het betoog slaagt niet.
Wanden van de aanbouw
14. [appellant] betoogt dat volgens het beoordelingsrapport de wanden van de aanbouw uit dubbele halfsteens muren bestaan. Dit is volgens hem feitelijk onjuist, omdat de hele aanbouw uit enkel halfsteens muur bestaat.
14.1. Over de wanden van de aanbouw heeft W2N in het nader advies toegelicht dat de wandopbouw zoals door [appellant] beschreven bij de opname is genoteerd en dat bij de beoordeling is uitgegaan van een enkele halfsteens buitenmuur met aan de binnenzijde metselwerk dat niet tot de balklaag doorloopt en dus niet dragend is. De Afdeling begrijpt hieruit dat de deskundige bij zijn beoordeling is uitgegaan van dezelfde constructieve situatie als waarvan [appellant] stelt dat daarvan sprake is.
14.2. Het betoog slaagt niet.
Spouwmuur
15. [appellant] betoogt dat in het beoordelingsrapport ten onrechte is vermeld dat het hele woonhuis is voorzien van een spouwmuur. De spouwmuur is volgens hem later aangebracht, ondersteunt de balklaag niet en het is onduidelijk of de spouwmuur is verankerd aan de buitenmuur. Het onderzoek is op dit punt niet zorgvuldig geweest.
15.1. Over de wanden van het woonhuis heeft W2N in het nader advies toegelicht dat bij de beoordeling is uitgegaan van de situatie dat het voorste deel van het woonhuis is gebouwd met steensmuren en dat later aan de binnenzijde een extra muur is geplaatst en zodoende een spouwmuur is ontstaan. Voor zover het betoog van [appellant] dat de spouwmuur niet doorloopt tot de balkenlaag en ook niet in de buitenmuur is verankerd, zo moet worden opgevat dat hij aanvoert dat de binnenmuur van de spouwmuur geen dragende functie heeft, doet dat geen afbreuk aan de juistheid van het beoordelingsrapport. Uit het opnamerapport, beoordelingsrapport en nader advies blijkt namelijk niet dat W2N de binnenmuur als dragende muur heeft aangemerkt en dat W2N bij de beoordeling van de vraag of de woning voldoet aan de veiligheidsnorm van die aanname is uitgegaan. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat een spouwmuur uit een binnen- en een buitenmuur bestaat met een spouw daartussen. Doorgaans is bij een spouwmuur, wanneer de binnen- en buitenmuur gelijktijdig worden geplaatst, de binnenmuur dragend. Omdat de binnenmuur pas in een later stadium is aangebracht, is in dit geval de buitenmuur dragend. In de berekeningen is uitgegaan van de feitelijke situatie zoals vastgesteld tijdens de opname en dus slechts van een spouwmuur als type muur zonder de doorgaans bij die constructie horende dragende functie van de binnenmuur.
15.2. Het betoog slaagt niet.
Stalen ligger
16. [appellant] betoogt dat er ten onrechte geen onderzoek is verricht naar de stalen ligger en de constructieve plaatsing ervan.
16.1. Zoals onder 5 is beschreven, is de wijze waarop de draagstructuur van de woning na diverse interne verbouwingen is hersteld door onder meer het plaatsen van een stalen ligger om de eerste verdiepingsvloer te ondersteunen, juist één van de redenen geweest waarom Zonneveld heeft geadviseerd om nader onderzoek te laten doen. De stalen ligger rust op een penant (een draagconstructie van metselwerk) in de zijgevel. W2N heeft vervolgens, zo blijkt uit hoofdstuk 5 en bijlage 2 en 3 van de NPLO-analyse, de weerstand van alle penanten, waaronder die waarop de stalen ligger rust, berekend. De constructieve plaatsing van de stalen ligger op het penant is dus, anders dan [appellant] betoogt, wel onderzocht en meegenomen in de beoordeling. Verder heeft de minister op de zitting toegelicht dat de stalen ligger vooral de verticale belasting van de vloer draagt. Een aardbeving geeft daarentegen met name horizontale belasting. Voor het berekenen van de aardbevingsbestendigheid van een woning zijn dus die constructieve elementen die de horizontale belasting opvangen relevant. Daarom is het penant, waarop de stalen ligger rust, en niet de stalen ligger zelf onderzocht.
16.2. Het betoog slaagt niet.
Houtskeletbouw
17. [appellant] betoogt dat zowel in zijn woning als in de aanbouw sprake is van houtskeletbouw (HSB). Hierbij zijn de wanden opgebouwd uit balken met daarop al dan niet een beplating. In vergelijkbare gevallen zijn binnen zijn familie ingrijpende maatregelen opgelegd vanwege te grote afstanden (>10 cm) tussen de schroeven in de HSB-wanden. In zijn geval is dit aspect echter volledig genegeerd, terwijl de constructiemethode hetzelfde is en de daaraan verbonden risico’s dus ook. Volgens hem is het besluit op dit punt ontoereikend gemotiveerd.
17.1. In het besluit van 30 oktober 2024 heeft de minister, onder verwijzing naar het nader advies van W2N, toegelicht dat de weerbaarheid van de totale constructie in zijn geheel (waaronder de bevestiging van de HSB-wanden) is beoordeeld en dat deze in orde is bevonden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister hiermee toereikend gemotiveerd waarom de HSB-constructie in de woning van [appellant] geen aanleiding geeft tot het treffen van versterkingsmaatregelen.
17.2. Het betoog slaagt niet.
Conclusie
18. De Afdeling komt tot de slotsom dat [appellant] geen aanknopingspunten heeft geboden voor het oordeel dat het besluit van 30 oktober 2024 onzorgvuldig tot stand is gekomen en/of ontoereikend is gemotiveerd.
19. Het beroep is ongegrond.
20. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Planken
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
299-1160