Uitspraak 202408087/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5675
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] tot het verwijderen en verwijderd houden van het dierenverblijf en de kas op het perceel achter de [locatie 1] in Tilburg. [appellant] woont op het perceel aan de [locatie 2] in Tilburg. [appellant] heeft op het aangrenzende perceel twee bouwwerken gerealiseerd: een kas en een dierenverblijf. Het dierenverblijf wordt gebruikt voor het hobbymatig houden van kippen en de kas wordt gebruikt voor het hobbymatig telen van gewassen. Door de vorm en ligging van de percelen staan de bouwwerken direct achter het perceel aan de [locatie 1]. [partij] woont op het perceel aan de [locatie 1]. Hij heeft een handhavingsverzoek ingediend, omdat achter zijn woonperceel zonder omgevingsvergunning bouwwerken zijn gebouwd in strijd met de op grond van het bestemminsplan "Buitengebied De Voorste Stroom" ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch". Het college is vervolgens tot handhaving overgegaan.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
202408087/1/R2
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 20 november 2024 in zaak nr. 24/3448 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 19 juli 2023 heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] tot het verwijderen en verwijderd houden van het dierenverblijf en de kas op het perceel achter de [locatie 1] in Tilburg.
Bij besluit van 12 februari 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 19 juli 2023, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.
Bij besluit van 25 juni 2024 is het college overgegaan tot invordering van door [appellant] verbeurde dwangsommen van in totaal € 25.000,00.
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 12 februari 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft het door [appellant] gemaakte bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2024 met toepassing van artikel 5:39 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan de Afdeling doorgezonden.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nummer 202408089/1/R2 op zitting behandeld op 29 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.G.M. Huisman, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom en de invordering daarvan het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
Bij besluit van 19 juli 2023 heeft het college [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo), zoals dat gold vóór
1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont op het perceel aan de [locatie 2] in Tilburg. [appellant] heeft op het aangrenzende perceel twee bouwwerken gerealiseerd: een kas en een dierenverblijf. Het dierenverblijf wordt gebruikt voor het hobbymatig houden van kippen en de kas wordt gebruikt voor het hobbymatig telen van gewassen. Door de vorm en ligging van de percelen staan de bouwwerken direct achter het perceel aan de [locatie 1].
[partij] woont op het perceel aan de [locatie 1]. Hij heeft een handhavingsverzoek ingediend, omdat achter zijn woonperceel zonder omgevingsvergunning bouwwerken zijn gebouwd in strijd met de op grond van het bestemminsplan "Buitengebied De Voorste Stroom" ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch". Het college is vervolgens tot handhaving overgegaan.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van het besluit van 12 februari 2024 geen concreet zicht op legalisatie bestond. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de aangevraagde omgevingsvergunning ter legalisatie van de overtreding was geweigerd en de rechtbank in een afzonderlijke beslissing heeft geoordeeld dat dit op goede gronden is gedaan. Daarnaast kon het college naar het oordeel van de rechtbank het belang van handhaving laten prevaleren boven het individuele belang van [appellant] om het dierenverblijf en de kas aanwezig te laten op gronden waarop deze gebouwen niet zijn toegestaan.
Overtreding
4. Vaststaat en niet in geschil is dat de zonder omgevingsvergunning gebouwde bouwwerken in strijd zijn met de op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied De Voorste Stroom" op het perceel rustende bestemming "Agrarisch". Het college was daarom bevoegd om daartegen handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaven
5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan.
Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is.
Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Concreet zicht op legalisatie?
6. [appellant] is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat geen concreet zicht op legalisatie bestond, omdat het besluit over de geweigerde omgevingsvergunning voor het dierenverblijf en de kas nog niet onherroepelijk is. Volgens [appellant] kan voor het dierenverblijf en de kas alsnog een omgevingsvergunning worden verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Beleidsregel planologische kruimelgevallen 2023, omdat het volgens [appellant] gaat om een bijbehorend bouwwerk.
6.1. De Afdeling volgt de rechtbank in het oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er ten tijde van het besluit van 12 februari 2024 geen concreet zicht op legalisatie bestond. De aangevraagde omgevingsvergunning ter legalisatie van de overtreding was ten tijde van dat besluit immers geweigerd. Van een onherroepelijke weigering hoeft geen sprake te zijn.
De Afdeling heeft het oordeel van de rechtbank dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft geweigerd bevestigd in haar uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5556.
Het betoog slaat niet.
Conclusie hoger beroep
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Het invorderingsbesluit van 25 juni 2024
8. Volgens het college is niet aan de last van 19 juli 2023 voldaan en daarom heeft [appellant] € 25.000,00 aan dwangsommen verbeurd. Het college is vervolgens overgegaan tot invordering.
Gelet op artikel 5:39, eerste lid, van de Awb heeft het hoger beroep van [appellant] van rechtswege mede betrekking op het invorderingsbesluit.
8.1. [appellant] betoogt dat er voor het college geen noodzaak bestond om tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan, omdat het besluit tot oplegging van de last onder dwangsom nog niet onherroepelijk is. Daarnaast heeft [appellant] op de zitting toegelicht dat het dierenverblijf en de kas inmiddels zijn verwijderd, waardoor de illegale situatie is beëindigd.
8.2. Bij een besluit over de invordering van een verbeurde dwangsom moet aan het belang van die invordering veel gewicht worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Ook de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 5:37, eerste lid, van de Awb (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115) gaat hiervan uit. Hierin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen dus worden ingevorderd. Alleen in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.
8.3. Dat de last onder dwangsom nog niet onherroepelijk was ten tijde van het invorderingsbesluit, is naar het oordeel van de Afdeling geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien. Met deze uitspraak is het besluit van 19 juli 2023 tot oplegging van de last onder dwangsom inmiddels wel onherroepelijk geworden. Dat het dierenverblijf en de kas inmiddels zijn verwijderd, is ook geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan het college van invordering had moeten afzien. De illegale situatie is namelijk pas na het verstrijken van de begunstigingstermijn beëindigd, waardoor de dwangsommen al waren verbeurd. Mede gelet op de belangen van derden en het gezag dat van een opgelegde last onder dwangsom hoort uit te gaan, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college van invordering had moeten afzien.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie invorderingsbesluit
9. Het beroep tegen het besluit van 25 juni 2024 is ongegrond.
Proceskosten
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 25 juni 2024 ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
531-1201