Uitspraak 202408089/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5556
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een dierenverblijf en een kas achter het perceel aan de [locatie 1] in Tilburg. [appellant] woont op het perceel aan de [locatie 2] in Tilburg. [appellant] heeft op het aangrenzende perceel, dat ook in zijn eigendom is, twee bouwwerken gerealiseerd: een dierenverblijf en een kas. Het dierenverblijf wordt gebruikt voor het hobbymatig houden van kippen en de kas wordt gebruikt voor het hobbymatig telen van gewassen. Door de vorm en ligging van de percelen staan de bouwwerken direct achter het perceel aan de [locatie 1] in Tilburg. De bouwwerken zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied De Voorste Stroom". Naar aanleiding van een handhavingstraject heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een kas en een dierenverblijf.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202408089/1/R2.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Tilburg,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank ZeelandWestBrabant van 20 november 2024 in zaak nr. 24/3973 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Tilburg.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van een dierenverblijf en een kas achter het perceel aan de [locatie 1] in Tilburg.
Het college heeft op verzoek van [appellant] ingestemd met rechtstreeks beroep als bedoeld in artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij uitspraak van 20 november 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep tegen het besluit van 1 februari 2024 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.
De Afdeling heeft de zaak samen met zaak nummer 202408087/1/R2 op zitting behandeld op 29 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.G.M. Huisman, advocaat in Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.M.B. van Overdijk, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. [appellant] woont op het perceel aan de [locatie 2] in Tilburg. [appellant] heeft op het aangrenzende perceel, dat ook in zijn eigendom is, twee bouwwerken gerealiseerd: een dierenverblijf en een kas. Het dierenverblijf wordt gebruikt voor het hobbymatig houden van kippen en de kas wordt gebruikt voor het hobbymatig telen van gewassen. Door de vorm en ligging van de percelen staan de bouwwerken direct achter het perceel aan de [locatie 1] in Tilburg. De bouwwerken zijn in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied De Voorste Stroom". Naar aanleiding van een handhavingstraject heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een kas en een dierenverblijf.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning op goede gronden heeft geweigerd. Volgens de rechtbank heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat de kas en het dierenverblijf in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft het college het belang van een open karakter achter de woonpercelen mogen laten prevaleren boven het individuele belang van [appellant] bij het realiseren van het dierenverblijf en de kas op gronden waarop geen gebouwen zijn toegestaan.
Het hoger beroep
4. [appellant] is het oneens met het oordeel van de rechtbank dat het college de gevraagde vergunning heeft kunnen weigeren. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de motivering dat het open karakter van het gebied behouden moet blijven, onvoldoende is om de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank ten onrechte uitsluitend naar de feitelijke situatie heeft gekeken, terwijl ook rekening moet worden gehouden met de planologische bouwmogelijkheden. Binnen de ter plaatse geldende bestemming "Agrarisch" is namelijk ook zonder de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch-dierenverblijf" aanzienlijke bebouwing toegestaan. Verder mogen op grond van het bestemmingsplan "Bedrijventerrein [locatie 3] e.o. 2008", dat op het woonperceel van [appellant] van toepassing is, bijgebouwen op het erf worden opgericht, wat ook tot verlies van het open karakter kan leiden. Verder betoogt [appellant] dat de bouwwerken vanwege hun beperkte omvang het open karakter feitelijk niet onevenredig aantasten.
4.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met dat besluit te dienen doelen.
4.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen weigeren. Het college heeft voldoende gemotiveerd waarom het in dit geval geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college het belang van een open karakter achter de woonpercelen heeft mogen laten prevaleren boven het individuele belang van [appellant] bij het realiseren van de kas en het dierenverblijf op gronden waarop geen gebouwen zijn toegestaan. Dat er op grond van de bestemming "Agrarisch" bepaalde andere planologische bouwmogelijkheden zijn op het perceel waarop de kas en het dierenverblijf staan, betekent niet dat het college in dit geval van zijn afwijkingsbevoegdheid gebruik had moeten maken. Ditzelfde geldt voor de gestelde omstandigheid dat [appellant] deze gebouwen wel als bijgebouw op zijn eigen woonperceel zou mogen oprichten op grond van het daar geldende bestemmingsplan "Bedrijventerrein [locatie 3] e.o. 2008". Op de gronden waarop het dierenverblijf en de kas staan, geldt immers een ander bestemmingsplan. Dat er bomen rondom de kas en het dierenverblijf staan die volgens [appellant] het open karakter al doorbreken, doet niet af aan het feit dat de kas en het dierenverblijf direct achter het naastgelegen woonperceel staan en daarmee het open karakter, gezien vanaf het woonperceel, doorbreken. De bomen staan op het naastgelegen woonperceel zelf, terwijl de kas en het dierenverblijf op het achterliggende perceel staan.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
6. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Aldus vastgesteld door mr. C.H. Bangma, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, griffier.
w.g. Bangma
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graaff-Haasnoot
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
531-1201