Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202405483/1/R3

Uitspraak 202405483/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5626
Datum uitspraak
23 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het vervangen van het hekwerk aan de voorzijde van de woning op het perceel [locatie1] in Wassenaar. [appellant] woont aan de [locatie 1] in Wassenaar. Op 14 januari 2021 heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van het hekwerk aan de voorzijde van zijn woning, door het plaatsen van een nieuw vast hekwerk met daarin twee nieuwe toegangspoorten. Omdat het niet mogelijk was om een vergunning te krijgen voor een vast hekwerk van meer dan 1 m hoog langs de hele voorzijde van de woning, heeft [appellant] zijn vergunningaanvraag gewijzigd. Na de wijziging betreft de aanvraag alleen nog het plaatsen van twee poorten, één voor de entree en één voor de oprit. De poorten bestaan uit 1,5 m hoge stalen hekwerken bevestigd aan vierkante stalen kolommen. Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. Het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 18 mei 2022 ongegrond verklaard.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202405483/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Wassenaar,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 juli 2024 in zaak nr. 22/4041 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar.

Procesverloop

Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het vervangen van het hekwerk aan de voorzijde van de woning op het perceel [locatie1] in Wassenaar.

Bij besluit van 18 mei 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 mei 2026, waar [appellant], vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door N. Ramlal, zijn verschenen.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 14 januari 2021. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       [appellant] woont aan de [locatie 1] in Wassenaar. Op 14 januari 2021 heeft hij een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vervangen van het hekwerk aan de voorzijde van zijn woning, door het plaatsen van een nieuw vast hekwerk met daarin twee nieuwe toegangspoorten. Omdat het niet mogelijk was om een vergunning te krijgen voor een vast hekwerk van meer dan 1 m hoog langs de hele voorzijde van de woning, heeft [appellant] zijn vergunningaanvraag gewijzigd. Na de wijziging betreft de aanvraag alleen nog het plaatsen van twee poorten, één voor de entree en één voor de oprit. De poorten bestaan uit 1,5 m hoge stalen hekwerken bevestigd aan vierkante stalen kolommen. Bij besluit van 3 maart 2021 heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen vanwege strijd met redelijke eisen van welstand. Het hiertegen door [appellant] gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 18 mei 2022 ongegrond verklaard.

Aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat in wat [appellant] heeft aangevoerd geen concrete aanknopingspunten zijn gelegen voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de adviezen van de commissie Welstand en Cultureel Erfgoed Voorschoten en Wassenaar (de welstandscommissie) van 8 februari 2021 en 22 februari 2021, de begrijpelijkheid van de in de adviezen gevolgde redeneringen of het aansluiten van de conclusies daarop. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college zich op basis van deze adviezen dan ook redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat het door [appellant] aangevraagde hekwerk in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat [appellant] onvoldoende heeft gemotiveerd dat het welstandsbeleid van de gemeente, waar de adviezen van de welstandscommissie op zijn gebaseerd, in strijd is met de Europese Verordening bouwproducten 305/2011 (Verordening bouwproducten). Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat nergens uit blijkt dat het geheel niet mogelijk is om een poort te maken met gemetselde penanten die voldoet aan de productievoorschriften van de Verordening bouwproducten.

Toetsingskader

4.       Artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is het toetsingskader voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen van een bouwwerk’. Dat is een vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo. Toetsen aan artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo houdt in dat het college uitsluitend moet beoordelen of zich één van de in dat artikel opgenomen weigeringsgronden voordoet. Als dat niet het geval is, dan moet het de gevraagde vergunning verlenen. Als dat wel zo is, dan moet het de gevraagde vergunning weigeren. Het college heeft daarbij dus geen ruimte om een belangenafweging te maken.

Hoger beroep [appellant]

5.       [appellant] betoogt dat het college het Handboek Welstand & Beeldkwaliteit (het handboek) niet onverkort ten grondslag had mogen leggen aan het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning, omdat in het handboek een criterium is opgenomen dat in strijd is met de Verordening bouwproducten. De rechtbank heeft dat ten onrechte niet onderkend.

Ter onderbouwing hiervan voert [appellant] aan dat hij op grond van het toetsingscriterium uit Band I, deel 4, hoofdstuk 4.5, paragraaf 4 van het handboek door het college wordt verplicht om een gelijksoortig hekwerk te plaatsen als de buren van de [locatie 2]. Bij de buren zijn de poorten en het hekwerk bevestigd aan tussenliggende gemetselde bakstenen kolommen. Volgens [appellant] is een constructie met gemetselde bakstenen kolommen dusdanig instabiel en onveilig, dat daarvoor geen CE-markering wordt afgegeven. Een CE-markering is volgens [appellant] op grond van de Verordening bouwproducten wel verplicht voor poorten. In dit verband wijst [appellant] erop dat het bedrijf dat zijn poorten heeft ontworpen, aan hem heeft medegedeeld dat het niet mogelijk is om poorten te ontwerpen die aan de welstandseisen en aan de Verordening bouwproducten voldoen.

5.1.    De aanvraag om een omgevingsvergunning is voor wat betreft welstand getoetst aan het handboek. Dit handboek bevat beleidsregels waarin criteria zijn opgenomen die het college toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals deze luidde tot 1 januari 2024.

Tegen beleidsregels staat gelet op artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht geen bezwaar en beroep open. Dit staat er echter niet aan in de weg dat de inhoudelijke bezwaren tegen de in het handboek neergelegde beleidsregels kunnen worden getoetst in het kader van een bezwaar of beroep tegen een besluit waaraan die beleidsregels ten grondslag zijn gelegd.

5.2.    Het door [appellant] bedoelde toetsingscriterium uit Band I, deel 4, hoofdstuk 4.5, paragraaf 4 van het handboek luidt:

"1. Voorbeeldwerking:

[…]

- Een reeds aanwezige en goedgekeurde erf- of perceelafscheiding binnen een straat of bouwblok dient als voorbeeld voor aanvragen binnen het blok.

[…]"

5.3.    De Afdeling overweegt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat [appellant] deze beroepsgrond onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat nergens uit blijkt dat het niet mogelijk is om poorten te maken met gemetselde bakstenen kolommen die in overeenstemming zijn met de Verordening bouwproducten. Ook in hoger beroep heeft [appellant] zijn betoog niet nader gemotiveerd. De enkele stelling van [appellant] dat het bedrijf dat zijn poorten heeft ontworpen heeft medegedeeld dat het niet mogelijk is om poorten te ontwerpen die in overeenstemming zijn met de welstandseisen en met de Verordening bouwproducten, is onvoldoende. De Afdeling ziet, net als de rechtbank, geen aanleiding voor het oordeel dat het handboek in zoverre in strijd is met de Verordening bouwproducten. Alleen al daarom, is er geen reden voor het oordeel dat het college het handboek en de daarop gebaseerde welstandsadviezen niet ten grondslag heeft mogen leggen aan het besluit tot weigering van de omgevingsvergunning.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

6.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, moet worden bevestigd.

7.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.

w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

780-1116


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon