Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504262/1/A2

Uitspraak 202504262/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5659
Datum uitspraak
23 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] om overname van private schulden afgewezen. [wederpartij] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer verzocht om overname van haar private schulden bij Finqus van € 44.120,00 en DSW Zorgverzekeraar (DSW) van € 854,70. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 juli 2023 is ten grondslag gelegd dat het bij de schuld aan Finqus gaat om de hoofdsom van een hypothecaire lening, waarvan niet is gebleken dat die vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, en dat de schuld aan DSW is opgebouwd uit achterstallige premies en bedragen van het eigen risico die evenmin binnen de referteperiode opeisbaar zijn geworden.
  • Hoger beroep
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504262/1/A2.
Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de minister van Financiën,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2025 in zaak nr. 24/7708 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

de minister.

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [wederpartij] om overname van private schulden afgewezen.

Bij besluit van 4 juli 2024 heeft de minister het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 juni 2025 heeft de rechtbank het door

[wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 4 juli 2024 vernietigd en bepaald dat de minister de private schulden overneemt en haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juli 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.R. Kandhai, en [wederpartij], bijgestaan door mr. N. Köse-Albayrak, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wet hersteloperatie toeslagen (de Wht).

2.       In hoofdstuk 4 van de Wht is geregeld onder welke voorwaarden gedupeerden in aanmerking komen voor het overnemen en betalen van private schulden. De voor dit geschil relevante bepalingen van die wet zijn opgenomen in de bijlage.

Inleiding

3.       [wederpartij] is erkend gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft de Belastingdienst/Toeslagen onder meer verzocht om overname van haar private schulden bij Finqus van € 44.120,00 en DSW Zorgverzekeraar (DSW) van € 854,70.

4.       Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 5 juli 2023 is ten grondslag gelegd dat het bij de schuld aan Finqus gaat om de hoofdsom van een hypothecaire lening, waarvan niet is gebleken dat die vóór 1 juni 2021 opeisbaar was, en dat de schuld aan DSW is opgebouwd uit achterstallige premies en bedragen van het eigen risico die evenmin binnen de referteperiode opeisbaar zijn geworden.

Uitspraak van de rechtbank

5.       De rechtbank heeft onder meer de volgende overwegingen bij haar oordeel betrokken.

Schuld aan Finqus

5.1.    Het staat niet vast dat de schuld aan Finqus een hypothecaire lening is. In het dossier is de lening aan [wederpartij] op verschillende manieren aangeduid, zoals als hypothecaire lening, maar ook als persoonlijke lening. Uit de met de bank gesloten overeenkomst blijkt dat het bedrag van de lening aan verschillende schuldeisers, onder wie [wederpartij] zelf, is uitgekeerd. Dit duidt er meer op dat het om een persoonlijke dan om een hypothecaire lening gaat. De schuld is later door verschillende instanties overgenomen. Daardoor heeft [wederpartij] geen stukken kunnen aanleveren die meer duidelijkheid geven over het karakter van de lening. Zij heeft aannemelijk gemaakt dat zij in bewijsnood verkeert.

5.2.    Als de lening een persoonlijke lening zou zijn, dan valt de lening binnen de referteperiode, omdat de lening op 23 juni 2008 is aangegaan en er in 2014 en 2015 loonbeslagen zijn gelegd. Daarmee is de schuld opeisbaar geworden en voldoet die aan de voorwaarden van artikel 4.1, tweede lid, van de Wht om voor vergoeding in aanmerking te komen.

Schuld aan DSW

5.3.    Uit het dossier blijkt dat de data van de facturen voor de termijnbedragen van de betalingsregeling bij DSW buiten de referteperiode van de Wht vallen. De schuld voldoet om deze reden niet aan de voorwaarden van de Wht en komt daardoor niet voor vergoeding in aanmerking.

Hardheidsclausule

5.4.    Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen. [wederpartij] heeft een geldbedrag op grond van de Catshuisregeling ontvangen. Het is de bedoeling van de wetgever geweest dat een substantieel gedeelte van dat bedrag voor de gedupeerde ouder overblijft om een nieuwe start te maken. [wederpartij] heeft aannemelijk gemaakt dat zij dat bedrag aan de aflossing van de schuld aan Finqus heeft besteed. Vasthouden aan de wettelijke bepalingen leidt daarom tot een onbillijkheid van overwegende aard. Het overnemen van de schulden aan Finqus en DSW bewerkstelligt dat [wederpartij] na de herstelbetaling zoveel mogelijk een nieuwe start kan maken, zoals door de Wht werd beoogd, aldus de rechtbank.

Oordeel van de Afdeling over het hoger beroep

6.       De Afdeling zal hierna ingaan op de gronden die de minister tegen de uitspraak van de rechtbank heeft aangevoerd. Zij sluit af met een conclusie.

Schuld aan Finqus

7.       De minister betoogt dat de rechtbank ten aanzien van de schuld aan Finqus ten onrechte is ingegaan op het beroep op de hardheidsclausule. De rechtbank had immers al het oordeel gegeven dat hij deze schuld moet overnemen, omdat aan de daarvoor in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht gestelde voorwaarden is voldaan. Daardoor had zij niet meer kunnen toekomen aan het beroep op de hardheidsclausule. Volgens de minister lijdt de uitspraak daarom aan een motiveringsgebrek.

7.1.    In hoger beroep is niet in geschil dat, zoals de rechtbank onder 7.1 heeft overwogen, aan de wettelijke voorwaarden voor overname van de schuld aan Finqus is voldaan. De rechtbank heeft voor deze schuld slechts subsidiair overwogen dat ook op grond van de hardheidsclausule aanleiding zou bestaan om deze over te nemen. De uitspraak van de rechtbank bevat op dit onderdeel geen motiveringsgebrek.

Het betoog slaagt niet.

Schuld aan DSW

8.       De minister betoogt verder dat de rechtbank in strijd met de vaste rechtspraak van de Afdeling tot het oordeel is gekomen dat aanleiding bestaat om de schuld aan DSW met toepassing van de hardheidsclausule over te nemen. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 15 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2040) en 12 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:456). Dat [wederpartij] niet volledig schuldenvrij een nieuwe start kan maken, is geen bijzondere omstandigheid die leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ook zijn er geen actuele bijzondere, schrijnende omstandigheden aangevoerd, aldus de minister.

8.1.    In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.3, voor zover de toepassing daarvan, gelet op het belang dat die bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid, waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen (zie de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3).

8.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft [wederpartij] niet aannemelijk gemaakt dat er in haar geval sprake is van actuele schrijnende omstandigheden. Dat zij het bedrag van de Catshuisregeling aan de aflossing van haar schulden heeft besteed, waardoor zij niet een substantieel deel van dat bedrag voor het maken van een nieuwe start kan gebruiken, is daarvoor niet voldoende (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.4). De minister mocht zich daarom op het standpunt stellen dat afwijzing van de aanvraag om overname van de schuld aan DSW niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

8.4.    De rechtbank is, gelet op het voorgaande, ten onrechte tot het oordeel gekomen dat er aanleiding is om de schuld aan DSW met toepassing van de hardheidsclausule over te nemen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover daarbij is bepaald dat de minister de schuld aan DSW overneemt. De Afdeling bevestigt deze uitspraak voor het overige.

Proceskosten

10.     De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 juni 2025 in zaak nr. 24/7708, voor zover daarin is bepaald dat de minister van Financiën de schuld aan DSW Zorgverzekeraar overneemt;

III.      bevestigt deze uitspraak voor het overige.

Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, griffier.

w.g. Den Ouden
voorzitter

w.g. Hazen
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

452-1190

BIJLAGE - WETTELIJK KADER

Wet hersteloperatie toeslagen

Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag

1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.

2. De geldschulden die worden overgenomen:

a. zijn ontstaan na 31 december 2005;

b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en

c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.

3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:

a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;

b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;

[…].

4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn:

a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak;

[…].

Artikel 4.3. Compensatie afgeloste privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner.

1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was.

2. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag worden ingediend door degene, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, indien hij geen partner meer is op het tijdstip waarop die aanvraag wordt ingediend.

3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend:

a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of

b. tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Belastingdienst/Toeslagen waarin staat dat de Belastingdienst/Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en het moment van de dagtekening van de beschikking waarin toch recht op een forfaitair bedrag als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, of artikel 2.14h, eerste lid, is vastgesteld.

4. De compensatie wordt niet verleend indien artikel 4.6 of 4.7 wordt toegepast.

5. De hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld en kosten is gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie in de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing.

Artikel 9.1. Hardheidsclausule

1. De Dienst Toeslagen kan bij een besluit over toekenning van compensatie, een tegemoetkoming of vergoeding, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of betaling van bestuursrechtelijke en privaatrechtelijke schulden afwijken van 2.1, 2.6, 2.7, 2.10, 2.11, 2.11a, 2.11b, 2.14, 2.14a, 2.16, 2.17, 3.1, 4.6, 4.7 of 6.1 voor zover toepassing van het desbetreffende artikel gelet op doel of strekking ervan zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard voor degene die aanspraak wil maken op de toekenning.

2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan:

a. Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3;

[…].


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon