Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.001308

Uitspraak BRS.25.001308

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5542
Datum uitspraak
18 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming.
  • Hoger beroep
  • Regulier

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.001308
ECLI:NL:RVS:2026:5542
Datum uitspraak: 18 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 augustus 2025 in zaak nr. NL25.4224 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2024 heeft de minister vastgesteld dat appellant niet in aanmerking komt voor tijdelijke bescherming als bedoeld in de Richtlijn tijdelijke bescherming.

Bij besluit van 21 januari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 augustus 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. A.C. Pool, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.        Appellant heeft de Moldavische nationaliteit. Niet in geschil is dat zij geen zelfstandig verblijfsrecht heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming, omdat zij in de periode na 23 februari 2022 is teruggekeerd naar Moldavië en daar enige tijd samen met haar zoon heeft verbleven. De zoon van appellant heeft de Oekraïense nationaliteit en heeft een verblijfsrecht op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.

2.        Anders dan appellant in haar eerste grief betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat zij geen afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn tijdelijke bescherming. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat zij geen (huwelijks)partner of minderjarig kind van haar zoon is als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder a, van de Richtlijn tijdelijke bescherming en niet voldoet aan de definitie van ‘ander naast familielid’ als bedoeld in artikel 15, eerste lid, onder b, van de Richtlijn tijdelijke bescherming. Uit artikel 15 van de Richtlijn tijdelijke bescherming en artikel 2, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, volgt rechtstreeks wie er onder de definitie van ‘gezinsleden’ valt. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 19 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3472. De term ‘gezinsleden’ in punt 11 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, moet in het licht van die artikelen gelezen worden.

2.1.        Ook heeft de rechtbank terecht overwogen dat het belang om de eenheid van het gezin te bewaren, zoals opgenomen in punt 11 van de considerans van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, moet worden uitgelegd in het licht van de doelstellingen van de Richtlijn tijdelijke bescherming. De Afdeling vindt voor deze uitleg ook steun in het concept Uitvoeringsbesluit van de Europese Commissie van 2 maart 2022 (zie pagina 8). Uit de Richtlijn tijdelijke bescherming volgt dat tijdelijke bescherming moet worden geboden aan gezinsleden van in het land van oorsprong gevormde gezinnen die door omstandigheden zijn gescheiden en zich nu in andere lidstaten bevinden. Dat gaat over een andere situatie dan de situatie van appellant.

2.2.        De grief faalt.

2.3.        Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag of appellant onder de definitie van ‘gezinsleden’ in de zin van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 valt. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.        De tweede grief leidt ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de tweede grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).

3.1.        De tweede grief gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 19 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6236, onder 3.1 en 3.2, over de vraag of de Richtlijn tijdelijke bescherming de minister verplicht om ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM te toetsen). De tweede grief biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. Ook roept de tweede grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).

4.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. D.A. Verburg en mr. V.V. Essenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. Ristra-Peeters
voorzitter

w.g. Iedema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2026

915-1163


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon