Uitspraak 202403525/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5679
- Datum uitspraak
- 23 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 23 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Maaspark Well" vastgesteld. Het plangebied Maaspark Well ligt tussen de kernen Aijen en Well en tussen de N271 en de Maas en het Maasdal. Het plangebied omvat het recreatiegebied het Leukermeer en de omliggende gronden, met uitzondering van het Vakantiepark Leukermeer. Het plan bevat een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om te voorzien in een moderne en adequate regeling voor inwoners en ondernemers in het gebied. Het plan is in hoofdzaak conserverend en actualiserend, maar omvat ook locatiespecifieke correcties met als doel het nieuwe plan beter te laten aansluiten op de werkelijke en vergunde situatie. [appellant] woont in het plangebied aan [locatie] en is het niet eens met het plan, onder meer omdat hij beperkingen ondervindt van het bouwverbod dat geldt op gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed".
- Eerste aanleg - meervoudig
- RO - Limburg
- Water
Toon inhoud
202403525/1/R1.
Datum uitspraak: 23 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Well, gemeente Bergen (LB),
appellant,
en
de raad van de gemeente Bergen (LB),
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 april 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Maaspark Well" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 22 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. B. Oudenaarden, advocaat in Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door N. Bakker en M. Blom, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 24 juli 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het plangebied Maaspark Well ligt tussen de kernen Aijen en Well en tussen de N271 en de Maas en het Maasdal. Het plangebied omvat het recreatiegebied het Leukermeer en de omliggende gronden, met uitzondering van het Vakantiepark Leukermeer. Het plan bevat een actualisatie van de geldende bestemmingsplannen. Het doel hiervan is om te voorzien in een moderne en adequate regeling voor inwoners en ondernemers in het gebied. Het plan is in hoofdzaak conserverend en actualiserend, maar omvat ook locatiespecifieke correcties met als doel het nieuwe plan beter te laten aansluiten op de werkelijke en vergunde situatie. [appellant] woont in het plangebied aan [locatie] en is het niet eens met het plan, onder meer omdat hij beperkingen ondervindt van het bouwverbod dat geldt op gronden met de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed".
Toetsingskader bestemmingsplan
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Bespreking van de beroepsgronden
Artikel 24.2.2 van de planregels
4. [appellant] betoogt dat artikel 24.2.2 van de planregels in strijd met het recht is vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat de in dat artikel opgenomen uitzondering op het bouwverbod ten onrechte verwijst naar de Waterwet, omdat die wet bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is komen te vervallen. Afgezien daarvan verwijst artikel 24.2.2 van de planregels volgens [appellant] ten onrechte naar artikel 6.5 van de Waterwet, omdat artikel 6.5 uitsluitend ziet op het gebruik van rijks- en regionale wateren voor het aldaar inbrengen of onttrekken van (grond-)water of het uitvoeren van werken, en niet op bouwen.
4.1. Artikel 24.2.1 van de planregels luidt: "Op de voor Waterstaat - Waterbergend rivierbed' aangewezen gronden mag niet worden gebouwd."
Artikel 24.2.2 luidt: "Het in lid 24.2.1 opgenomen verbod is niet van toepassing op de bouwwerken die krachtens Hoofdstuk 2 van deze regels mogen worden opgericht en waarvoor de vereiste vergunning op grond van artikel 6.5 Waterwet is verleend, dan wel de daarvoor vereiste melding op grond van de Waterwet is gedaan of aangetoond is dat een dergelijke vergunning niet noodzakelijk is."
Artikel 6.5 van de Waterwet luidde: "Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan voor rijkswateren en, met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, voor regionale wateren worden bepaald dat het verboden is zonder daartoe strekkende vergunning van Onze Minister, onderscheidenlijk het bestuur van het waterschap:
[…]
c. gebruik te maken van een waterstaatswerk of een daartoe behorende beschermingszone door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder werkzaamheden te verrichten, werken te maken of te behouden, dan wel vaste substanties of voorwerpen te storten, te plaatsen of neer te leggen, of deze te laten staan of liggen."
4.2. Zoals hiervoor vermeld onder 2, is het plan een in hoofdzaak conserverend bestemmingsplan. Met artikel 24.2.2 van de planregels wordt beoogd te waarborgen dat het in artikel 24.2.1 opgenomen bouwverbod niet geldt voor bouwwerken die op grond van Hoofdstuk 2 van de planregels zijn toegestaan en die al aan de vereisten op grond van de regelgeving op het gebied van waterbeheer voldoen. De Waterwet is inderdaad per 1 januari 2024 - en dus vóór het nemen van het bestreden besluit - gedeeltelijk vervallen, waaronder artikel 6.5 van de wet. Dat neemt niet weg dat artikel 24.2.2 van de planregels moet worden geacht ook te zien op vergunningen en meldingen op basis van de huidige regelgeving op het gebied van waterbeheer. De Afdeling ziet daarom geen grond om te oordelen dat het besluit in zoverre al om deze reden voor vernietiging in aanmerking komt.
Voor zover [appellant] aanvoert dat artikel 6.5 van de Waterwet niet ziet op bouwen, overweegt de Afdeling dat artikel 6.5, aanhef en onder c, voorziet in een vergunningplicht voor onder meer het maken of behouden van werken in, op of nabij een waterstaatswerk of beschermingszone. Dat maken van die werken kan ook bouwen omvatten. De Afdeling volgt [appellant] dan ook niet in zijn betoog.
Het betoog slaagt niet.
Artikel 24.3.1 en 24.3.3 van de planregels
5. [appellant] betoogt dat artikel 24.3.1 en artikel 24.3.3 van de planregels in strijd met het recht zijn vastgesteld. [appellant] wijst erop dat artikel 24.3.1, dat gaat over afwijken van bouwregels, een bevoegdheid bevat om af te wijken van een zogenoemd aanlegvergunningstelsel, dat bovendien geldt voor een andere bestemming dan waar artikel 24.3.1 toe behoort. Artikel 24.3.1 is een regel voor de bestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed", terwijl het artikel verwijst naar het vergunningstelsel onder artikel 23.6.1, dat ziet op de bestemming "Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed", zo voert [appellant] aan. Verder wijst [appellant] erop dat artikel 24.3.3 verwijst naar artikel 24.2.1, onderdeel a tot en met c, terwijl dat laatste artikel geen onderdeel a tot en met c bevat. Volgens [appellant] moet artikel 24.3.3 verwijzen naar artikel 24.3.2.
5.1. Op de zitting heeft de raad bevestigd dat het in beide artikelen gaat om een verschrijving. De raad heeft bedoeld om in artikel 24.3.1 te verwijzen naar artikel 24.2.1 van de planregels en in artikel 24.3.3 naar artikel 24.3.2 van de planregels. De Afdeling is van oordeel dat het besluit in zoverre dus niet zorgvuldig is vastgesteld en daarmee in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het besluit van de raad moet daarom gedeeltelijk worden vernietigd.
Het betoog slaagt.
Bouwverbod dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed"
6. [appellant] betoogt dat de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" op zijn gronden door het bouwverbod te beperkend is. Hiertoe voert [appellant] aan dat hij door het bouwverbod niet direct de bouwregels die gelden voor de andere op zijn gronden geldende bestemmingen "Agrarisch met waarden" en "Wonen", kan toepassen. Daarnaast voert hij aan dat hij de paardenstal die op de gronden met de bestemming "Wonen" staat, niet kan verplaatsen naar de agrarische gronden, omdat daar geen bouwvlak is opgenomen. [appellant] stelt dat het in het plan opgenomen beschermingsniveau en de bijbehorende bouwmogelijkheden in de toekomst niet langer nodig zijn, omdat de ontwikkelingen rondom de systeemmaatregel "Groene Rivier" moeten gaan leiden tot een hoger beschermingsniveau van de gronden achter een nieuw dijklichaam. Volgens [appellant] dient dit aanleiding te zijn om de bouw- en gebruiksmogelijkheden op zijn gronden te verruimen.
6.1. De raad stelt dat de dubbelbestemming in overleg met Rijkswaterstaat is vormgegeven. De raad stelt zich op het standpunt dat de dubbelbestemming niet te beperkend is, omdat deze de onderliggende bestemmingen niet buiten werking stelt. De dubbelbestemming brengt volgens de raad alleen mee dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden die op grond van de onderliggende bestemmingen bestaan, mede worden begrensd door de waterstaatkundige en rivierkundige belangen die door artikel 24 van de planregels worden beschermd. Volgens de raad staat de dubbelbestemming niet in de weg aan toetsing van toekomstige concrete initiatieven aan het op dat moment geldende waterstaatkundig en rivierkundig toetsingskader.
6.2. Aan een deel van de gronden van [appellant] is de bestemming "Wonen" toegekend en aan een deel "Agrarisch met waarden". Verder is aan de gronden de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" toegekend. Op grond van artikel 24.2.1 van de planregels geldt dat ter plaatse van de bestemming "Waterstaat - Waterbergend rivierbed" niet mag worden gebouwd. Op grond van artikel 24.2.2 van de planregels kan van dit bouwverbod worden afgeweken, indien het bouwwerk op grond van hoofdstuk 2 van deze regels mag worden opgericht en aan de regelgeving op het gebied van waterbeheer wordt voldaan.
Zoals de raad ook heeft toegelicht, biedt artikel 24.2.2 van de planregels bouwmogelijkheden zolang aan de planregels en de regelgeving op het gebied van waterbeheer wordt voldaan. Daarnaast stelt de Afdeling vast dat niet is gebleken van een voldoende concreet initiatief dat de raad bij de vaststelling van het plan had kunnen en moeten betrekken. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] onevenredig in zijn bouw- en gebruiksmogelijkheden wordt beperkt.
Voor zover op de zitting is besproken dat onder het huidige waterregime het onderscheid tussen "Waterbergend rivierbed" en "Stroomvoerend rivierbed" niet langer wordt gemaakt, waarmee de bestemming "Waterbergend rivierbed" komt te vervallen en de dubbelbestemming er volgens [appellant] nu vanaf kan, overweegt de Afdeling dat zij de rechtmatigheid van het besluit beoordeelt naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold op het moment van het nemen van het besluit. De raad heeft met de nieuwe regelgeving op het gebied van waterbeheer geen rekening hoeven en kunnen houden.
Gelet op het voorgaande heeft de raad zich op het standpunt mogen stellen dat de dubbelbestemming niet leidt tot een onevenredige beperking van de bouwmogelijkheden op de gronden van [appellant].
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. Het beroep van [appellant] is gegrond. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan zal gedeeltelijk worden vernietigd.
De raad heeft desgevraagd meegedeeld er geen bezwaar tegen te hebben als de Afdeling artikel 24.3.1 van de planregels zo zou wijzigen dat in deze bepaling "lid 23.6.1" wordt vervangen door "artikel 24.2.1" en dat zij artikel 24.3.3 van de planregels zo zou wijzigen dat in deze bepaling "lid 24.2.1" wordt vervangen door "artikel 24.3.2". Omdat niet aannemelijk is dat derdebelanghebbenden hierdoor in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, ziet de Afdeling uit een oogpunt van finale geschilbeslechting aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb op die manier zelf in de zaak te voorzien.
8. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening ziet de Afdeling aanleiding om de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan, dat te raadplegen is op de landelijke voorziening.
9. De raad moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Bergen (LB) van 23 april 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Maaspark Well", voor zover in artikel 24.3.1 van de planregels "lid 23.6.1" staat en voor zover in artikel 24.3.3 van de planregels "lid 24.2.1" staat;
III. bepaalt dat in artikel 24.3.1 van de regels van het onder II bedoelde bestemmingsplan "lid 23.6.1" wordt vervangen door "artikel 24.2.1"
IV. bepaalt dat in artikel 24.3.3 van de regels van het onder II bedoelde bestemmingsplan "lid 24.2.1" wordt vervangen door "artikel 24.3.2";
V. bepaalt dat deze uitspraak wat betreft onderdelen III en IV in de plaats treedt van het besluit van de raad van 23 april 2024, voor zover dit is vernietigd;
VI. draagt de raad van de gemeente Bergen (LB) op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat de hiervoor vermelde onderdelen II, III, IV en V worden verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening;
VII. veroordeelt de raad van de gemeente Bergen (LB) tot vergoeding van de bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VIII. gelast dat de raad van de gemeente Bergen (LB) aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.
w.g. Minderhoud
voorzitter
w.g. Sparreboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026
195-1138