Uitspraak 202407534/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5549
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202407534/1/V1.
Datum uitspraak: 17 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 6 december 2024 in zaak nr. NL24.15489 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 9 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 december 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A. Khalaf, advocaat in Zwolle, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene is geboren op [geboortedatum] 1988 in Koeweit en heeft alleen in Koeweit gewoond. Hij behoort tot de Arabische minderheid Bedoon en heeft de Iraanse nationaliteit. Betrokkene denkt dat hij geen legaal verblijf meer krijgt in Koeweit en wil niet naar Iran, omdat hij vreest dat de Iraanse autoriteiten hem oppakken en hij dan in militaire dienst moet.
1.1. De minister heeft de verklaringen van betrokkene over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en dat hij in Iran dienstplichtig is, geloofwaardig geacht. De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene afgewezen, omdat betrokkene volgens de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft zich namelijk op het standpunt gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gewetensbezwaren heeft om in militaire dienst te gaan of dat de autoriteiten hem als dienstweigeraar zien. De minister heeft zich ook op het standpunt gesteld dat de Iraanse autoriteiten betrokkene in militaire dienst niet zullen inzetten voor gevechtsacties, omdat in het Algemeen Ambtsbericht Iran van mei 2022, paragraaf 3.1.2.4, staat dat dienstplichtigen in vredestijd alleen trainen voor gevechtsacties. De minister heeft verder aan betrokkene tegengeworpen dat hij pas op 18 december 2022 in Nederland asiel heeft aangevraagd, terwijl hij sinds 1 maart 2022 in Nederland verbleef.
1.2. Deze uitspraak gaat over de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister een nieuw besluit moet nemen om de asielaanvraag van betrokkene alsnog zorgvuldig te beoordelen. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold voor 12 juni 2026.
Oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in militaire dienst zal moeten vechten in Syrië, Jemen, Irak of Libanon. De rechtbank heeft daarnaast geoordeeld dat de minister nog wel nader moet onderzoeken of betrokkene als gevolg van discriminatie van de etnische groep Arabieren in Iran verdragsvluchteling is of daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de Iraanse autoriteiten betrokkene als dienstplichtweigeraar kunnen zien en de minister moet analyseren of betrokkene door maatregelen van de Iraanse autoriteiten tegen dienstplichtweigeraars een verdragsvluchteling is of een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens de rechtbank moet de minister bij zijn analyse in aanmerking nemen wat het antwoord is op de vraag of een groter risico bestaat dat de Iraanse autoriteiten maatregelen nemen tegen betrokkene gelet op zijn Arabische achtergrond. Verder mag de minister niet van betrokkene verwachten dat hij zich aanmeldt bij het Iraanse leger om in zijn inkomen te voorzien, aldus de rechtbank.
2.1. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat zich een situatie van vrede voordoet in Iran en dat daarom geen risico bestaat dat betrokkene tijdens een militaire dienst in Iran in een conflictsituatie moet vechten. Volgens de rechtbank moet de minister gelet op toegenomen spanningen tussen onder meer Iran en Israël inschatten wat het risico is dat de situatie in het Midden-Oosten verder escaleert en wat dit dan betekent voor betrokkene als hij in militaire dienst moet. Volgens de rechtbank is daarbij niet relevant of betrokkene gewetensbezwaren heeft, omdat de minister niet van betrokkene mag verwachten dat hij zijn leven op het spel zet om zijn militaire dienstplicht te vervullen.
Discriminatoire behandeling als gevolg van dienstweigering?
3. De minister klaagt in grief 2 over het oordeel onder 6.4 van de uitspraak van de rechtbank dat de Iraanse autoriteiten betrokkene als dienstplichtweigeraar kunnen zien en de minister nader onderzoek moet doen naar wat dit voor de leefsituatie van betrokkene, met zijn Arabische achtergrond, betekent gelet op maatregelen van de Iraanse autoriteiten tegen dienstplichtweigeraars. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar paragraaf 2.4.12 van de ‘Country Policy and Information Note Iran’ van het ‘Home Office’ van het Verenigd Koninkrijk. In die paragraaf staat dat een persoon die het land verlaat om militaire dienst te vermijden een dienstweigeraar (‘draft evader’) is en dat dienstweigeraars ernstig worden achtergesteld en problemen kunnen ondervinden.
3.1. De minister voert op zichzelf terecht aan dat de rechtbank haar oordeel niet heeft gerelateerd aan de motivering van het besluit, zodat voor hem niet duidelijk is waarom de rechtbank die motivering niet heeft gevolgd en op welke wijze de verregaande opdracht voor nader onderzoek onder 6.4 van de uitspraak van de rechtbank hieraan te relateren is. Maar het oordeel van de rechtbank dat de minister het besluit op dit punt ondeugdelijk heeft gemotiveerd, is wel juist, gelet op het volgende.
De minister heeft aan de motivering van het besluit ten grondslag gelegd dat betrokkene met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten hem zullen zien als dienstplichtweigeraar of deserteur. Betrokkene heeft verklaard dat de Iraanse autoriteiten hem bij aankomst in Iran direct zullen arresteren, omdat zij hem zoeken voor de militaire dienst. Volgens de minister heeft betrokkene die verklaring gebaseerd op vermoedens en aannames. De minister heeft zijn besluit verder gemotiveerd door erop te wijzen dat betrokkene geen oproep heeft ontvangen voor de militaire dienst.
De minister is in deze motivering echter voorbijgegaan aan de door betrokkene aangehaalde informatie op p. 42 van het Algemeen Ambtsbericht Iran van september 2023 dat Iraanse mannen geen oproep krijgen voor de militaire dienst. Ook is de minister in de motivering van zijn besluit voorbijgegaan aan voormelde landeninformatie dat een persoon die het land verlaat om de militaire dienst te vermijden een dienstweigeraar is. Dat zet de verklaring van betrokkene dat de autoriteiten hem zoeken als dienstweigeraar in een ander daglicht. De minister heeft in het besluit daarom niet deugdelijk gemotiveerd waarom betrokkene volgens hem niet aannemelijk heeft gemaakt dat de autoriteiten in Iran hem als een dienstplichtweigeraar zien. De minister heeft daarom ook niet deugdelijk gemotiveerd dat hij in zijn beoordeling van de zwaarwegendheid van de vrees van betrokkene niet hoefde in te gaan op maatregelen die de Iraanse autoriteiten nemen tegen dienstplichtweigeraars.
Conclusie
4. De minister draagt zijn klacht in de grief 2 terecht voor. Die grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat uit wat de Afdeling onder 3.1 heeft overwogen volgt dat de rechtbank terecht een motiveringsgebrek heeft vastgesteld en het besluit van 9 april 2024 alleen al daarom terecht heeft vernietigd. De minister moet in een nieuw besluit op de asielaanvraag van betrokkene alsnog een deugdelijk gemotiveerde en inzichtelijke beoordeling maken van de gegrondheid en zwaarwegendheid van de vrees van betrokkene, tegen de achtergrond van de dan actuele veiligheidssituatie in Iran. Gelet daarop, behoeft op dit moment geen bespreking wat de minister in de grieven 1 en 3 aanvoert over de vragen of betrokkene als gevolg van discriminatie van de etnische groep Arabieren in Iran verdragsvluchteling is of daar een reëel risico loopt op ernstige schade en of de minister ten tijde van de uitspraak van de rechtbank nog mocht aannemen dat zich in Iran een situatie van vrede voordeed. De minister zal ook daarover een standpunt moeten innemen in zijn nieuwe beoordeling van de asielaanvraag.
4.1. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. Het is niet nodig om wat de minister verder in zijn grieven aanvoert te bespreken. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026
958