Uitspraak BRS.26.001695
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5565
- Datum uitspraak
- 17 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 27 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van appellant om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.001695 en BRS.26.004843
ECLI:NL:RVS:2026:5565
Datum uitspraak: 17 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 6 maart 2026 in zaken nrs. 24/14618 en 24/14813 in de gedingen tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 september 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van appellant om opheffing van zijn ongewenstverklaring afgewezen.
Bij besluit van 9 oktober 2023 heeft de staatssecretaris een aanvraag van appellant om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.
Bij besluit van 20 augustus 2024 heeft de minister het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 27 september 2023 ongegrond verklaard.
Bij besluit van 22 augustus 2024 heeft de minister het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2023 ongegrond verklaard.
Bij uitspraken van 6 maart 2026 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 20 en 22 augustus 2024 door appellant ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraken heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Appellant heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord op basis van het arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011, Dereci e.a., ECLI:EU:C:2011:734, punt 70 (uitspraak van 24 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1986, onder 8.1, over de inhoud en de reikwijdte van artikel 7 van het EU Handvest).
1.2. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat de opgeworpen vraag kan worden beantwoord aan de hand van het hierboven genoemde arrest van het Hof. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punten 13 en 14, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 36, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 36, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraken van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraken;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Verburg
voorzieningenrechter
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026
307-1170