Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202504880/1/V6

Uitspraak 202504880/1/V6

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5645
Datum uitspraak
23 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap; RWN). De reden hiervoor is dat de officier van justitie op 7 februari 2023 een strafbeschikking tegen [appellant] heeft uitgevaardigd wegens illegaal wapenbezit, waarbij hij [appellant] een boete van € 1.009,00 heeft opgelegd. Tijdens een controle van zijn handbagage op luchthaven Schiphol heeft de beveiliging namelijk een mes en pepperspray aangetroffen. [appellant] heeft toegelicht dat hij deze wapens bij zich droeg, omdat hij en zijn gezin op dat moment ernstig werden bedreigd. Het gezin werd hiervoor ook bijgestaan door het Team Bewaken en Beveiligen van de politie. Volgens de minister zijn dit geen bijzondere omstandigheden die maken dat hij [appellant] het Nederlanderschap had moeten verlenen.
  • Hoger beroep
  • Nederlanderschap

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202504880/1/V6.
Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in [woonplaats]
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 in zaak nr. 25/2569 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen (het verzoek) afgewezen.

Bij besluit van 28 november 2024 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.C. de Jong, advocaat in Rotterdam, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1. De minister heeft het verzoek afgewezen, omdat ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde (artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap; RWN). De reden hiervoor is dat de officier van justitie op 7 februari 2023 een strafbeschikking tegen [appellant] heeft uitgevaardigd wegens illegaal wapenbezit, waarbij hij [appellant] een boete van € 1.009,00 heeft opgelegd. Tijdens een controle van zijn handbagage op luchthaven Schiphol heeft de beveiliging namelijk een mes en pepperspray aangetroffen. [appellant] heeft toegelicht dat hij deze wapens bij zich droeg, omdat hij en zijn gezin op dat moment ernstig werden bedreigd. Het gezin werd hiervoor ook bijgestaan door het Team Bewaken en Beveiligen van de politie. Volgens de minister zijn dit geen bijzondere omstandigheden die maken dat hij [appellant] het Nederlanderschap had moeten verlenen.

Wettelijk kader en beleidskader

2. Het wettelijk kader en het beleidskader zijn opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Uitspraak van de rechtbank

3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de door [appellant] gestelde ernstige bedreigingen niet kunnen worden aangemerkt als zeer bijzondere omstandigheden waarin de minister aanleiding had moeten zien om af te wijken van het beleid, neergelegd in de Handleiding RWN voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. De rechtbank heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de bestuursrechter geen ruimte heeft om omstandigheden die hebben bijgedragen aan het plegen van het misdrijf opnieuw te beoordelen. Die beoordeling is voorbehouden aan de strafrechter. De rechtbank heeft verder overwogen dat er geen rechtsbeginsel bestaat op grond waarvan de officier van justitie verplicht was [appellant] te informeren over de mogelijke gevolgen van de strafbeschikking voor een naturalisatieprocedure. Volgens de rechtbank heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de afwijzing van het verzoek ernstige gevolgen voor hem heeft. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die afbreuk doen aan het ernstige vermoeden dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde.

Is het beleid onevenredig?

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat de Handleiding RWN, paragraaf 6, met het beleid voor artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, zoals die luidde ten tijde van het besluit van 28 november 2024 (paragraaf 6 van de Handleiding RWN), onevenredig is. Volgens [appellant] sluit deze paragraaf zoveel omstandigheden uit als grond voor afwijking van het beleid dat er feitelijk geen omstandigheden denkbaar zijn die nog wel tot een afwijking daarvan kunnen leiden. Alleen al hierom moet de Afdeling het besluit van 28 november 2024 vernietigen, aldus [appellant].

4.1. Hoewel [appellant] terecht klaagt dat de rechtbank niet expliciet is ingegaan op zijn beroepsgrond, kan de hogerberoepsgrond niet leiden tot het door hem beoogde doel. De Afdeling legt dit hierna uit.

4.2. Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN wijst de minister een verzoek om naturalisatie af, als op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde.

4.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478, onder 5.3, heeft artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN een dwingendrechtelijk karakter. Dat houdt in dat, als de minister met toepassing van het beleid in de Handleiding RWN tot de conclusie komt dat ernstige vermoedens bestaan dat een verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde, hij een verzoek om naturalisatie moet afwijzen. Dat neemt echter niet weg dat de minister beoordelingsruimte heeft bij de vaststelling of dergelijke ernstige vermoedens bestaan. Daarbij maakt hij gebruik van beleid in de zin van artikel 1:3, vierde lid, en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.4. Gelet op wat [appellant] aanvoert, is het aan de Afdeling om na te gaan of de minister de beoordelingsruimte die hij heeft bij toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, heeft mogen invullen op de wijze zoals hij dat heeft gedaan in paragraaf 6 van de Handleiding RWN. Uit deze paragraaf volgt dat zich in een concreet individueel geval zeer bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat de minister alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan komen door af te wijken van de beleidsregels in de Handleiding RWN, waarin het criterium 'ernstig gevaar voor de openbare orde' nader is ingevuld. Dat betekent dat het in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk is dat de minister een naturalisatieverzoek dat hij volgens de regels zou moeten weigeren, toch moet inwilligen. In de tweede alinea van paragraaf 6 staat dat het voor de eenduidigheid, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van groot belang is dat de minister niet snel van de beleidsregels afwijkt. Hij moet zeer grote terughoudendheid betrachten. Uit de derde alinea van paragraaf 6 volgt dat een bijzondere omstandigheid in het algemeen kan worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. De minister heeft in de vierde alinea van paragraaf 6 een aantal voorbeelden opgenomen van omstandigheden die hij in het algemeen niet als bijzonder aanmerkt. De minister heeft deze voorbeelden afgeleid uit rechtspraak van de Afdeling.

4.5. Uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 11 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1358, onder 4.1, volgt dat het beleid voor de toepassing van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN mag dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de vraag of er ernstige vermoedens bestaan dat een verzoeker een gevaar oplevert voor de openbare orde. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat paragraaf 6 van de Handleiding RWN op zichzelf in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De Afdeling acht hierbij van belang dat de minister in zijn beleid heeft onderkend dat het bij bijzondere omstandigheden juist niet mogelijk is om vooraf te omschrijven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij aanleiding geven om van de hoofdregels af te wijken. Hieruit volgt dat het beleid ruimte biedt voor het aannemen van bijzondere omstandigheden, ondanks dat de minister in het beleid ook een aantal omstandigheden noemt die hij in het algemeen niet als bijzonder aanmerkt.

4.6. Daarom slaagt het betoog niet. De Afdeling zal in de overwegingen hierna ingaan op de vraag of zich in het geval van [appellant] bijzondere omstandigheden voordoen.

Zijn er bijzondere omstandigheden?

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de bestuursrechter geen ruimte heeft om de omstandigheden die hebben bijgedragen aan het plegen van de misdrijven opnieuw te beoordelen. Volgens [appellant] vereist een juiste toepassing van de wet in sommige gevallen juist dat deze omstandigheden wel bij de beoordeling worden betrokken. Dat geldt volgens hem in het bijzonder wanneer de strafbare feiten niet aan de strafrechter zijn voorgelegd, zoals in zijn geval. Het oordeel van de rechtbank heeft volgens hem tot gevolg dat de minister en de bestuursrechter niet aan de hand van alle relevante omstandigheden beoordelen of hij nog daadwerkelijk een actueel gevaar vormt voor de openbare orde. Zij kunnen volgens hem evenmin beoordelen of er aanleiding bestaat om artikel 4:84 van de Awb toe te passen. [appellant] voert in dat kader aan dat hij geen gevaar meer vormt voor de openbare orde, omdat de aanleiding voor het strafbare feit is verdwenen. Hij wordt namelijk niet langer bedreigd en staat niet meer onder beveiliging van het Team Bewaken en Beveiligen van de politie. De rechtbank heeft hier volgens hem ten onrechte geen rekening mee gehouden.

[appellant] voert verder aan dat de officier van justitie hem niet heeft gewezen op de gevolgen van de strafbeschikking voor de naturalisatieprocedure, terwijl dit wel had gemoeten. Op de zitting bij de Afdeling heeft hij verduidelijkt dat dit volgens hem volgt uit het dienstbaarheidsbeginsel. De rechtbank heeft dit volgens [appellant] niet onderkend. Hij wijst hierbij op artikel 257a, zesde lid, aanhef en onder f, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook als een dergelijke verplichting voor de officier van justitie niet bestaat, dan moet de minister volgens [appellant] in zijn beoordeling betrekken dat hij niet is gewezen op de gevolgen van de strafbeschikking.

5.1. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478, onder 5.2, dat er in de naturalisatieprocedure geen ruimte is voor het opnieuw beoordelen van bijzondere, verzachtende omstandigheden die de strafrechter al bij zijn oordeel heeft betrokken. Naar het oordeel van de Afdeling is er ook geen ruimte voor het opnieuw beoordelen van bijzondere, verzachtende omstandigheden die de officier van justitie al bij de strafbeschikking heeft betrokken. Uit de uitspraak van 7 februari 2024 volgt dat de minister in de naturalisatieprocedure het bestaan van een strafrechtelijk vonnis of een voorwaardelijk sepot als gegeven mag beschouwen. Dit uitgangspunt geldt naar het oordeel van de Afdeling ook voor een strafbeschikking. Het is niet aan de minister om te beoordelen of aan de bestuursrechter om te toetsen op welke wijze de officier van justitie tot een strafbeschikking is gekomen.

5.2. [appellant] voert tevergeefs aan dat de officier van justitie de door hem aangevoerde omstandigheden niet heeft betrokken bij het uitvaardigen van de strafbeschikking. Zelfs als ervan uit moet worden gegaan dat de officier van justitie die omstandigheden niet heeft meegewogen, volgt uit de uitspraak van 7 februari 2024, onder 5.2, dat het op de weg van [appellant] lag om tegen de strafbeschikking op te komen met de rechtsmiddelen die daartegen open staan. Verder kan het betoog van [appellant] dat de officier van justitie hem op grond van het dienstbaarheidsbeginsel en artikel 257a, zesde lid, aanhef en onder f, van het Sv had moeten wijzen op de gevolgen van de strafbeschikking voor de naturalisatieprocedure, hem in deze procedure niet baten. Dit betoog heeft namelijk betrekking op het handelen van de officier van justitie, terwijl dat in deze procedure niet ter beoordeling voorligt.

5.3. Uit de uitspraak van 7 februari 2024, onder 5.3, volgt verder dat artikel 4:84 van de Awb van toepassing is. In dat kader mag de minister alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor de vraag in hoeverre er ernstige vermoedens bestaan dat een verzoeker een gevaar vormt voor de openbare orde. Omstandigheden die gaan over de gevolgen van de afwijzing van het verzoek om naturalisatie, moet de minister buiten beschouwing laten. De toepassing van artikel 4:84 van de Awb wordt dus begrensd door de ruimte die artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN laat. Deze begrenzing geldt ook voor de beoordeling in het kader van paragraaf 6 van de Handleiding RWN.

5.4. Dat de minister in paragraaf 6 van de Handleiding RWN heeft toegelicht welke omstandigheden volgens hem in het algemeen niet bijzonder genoeg zijn om af te wijken van het beleid, betekent overigens niet dat die omstandigheden geen rol meer kunnen spelen bij de beoordeling die plaatsvindt in het kader van artikel 4:84 van de Awb. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1944, onder 6.1, onder verwijzing naar haar uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840, onder 4.3, geoordeeld dat het feit dat een bestuursorgaan omstandigheden heeft betrokken bij het opstellen van een beleidsregel, niet maakt dat die omstandigheden alleen al daarom buiten beschouwing kunnen worden gelaten bij een evenredigheidsbeoordeling. Het bestuursorgaan moet alle omstandigheden bij de besluitvorming betrekken en bezien of deze op zichzelf of samen met andere omstandigheden moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 4:84 van de Awb die noodzakelijk maken dat het bestuursorgaan afwijkt van het beleid.

5.5. [appellant] stelt dat hij en zijn gezin niet langer worden bedreigd en daarom niet meer worden beveiligd door het Team Bewaken en Beveiligen van de politie. Volgens [appellant] betekent dit dat hij geen gevaar meer vormt voor de openbare orde. Gelet op het onder 5.3 en 5.4 geschetste kader is dit een omstandigheid die relevant is voor de beoordeling op grond van artikel 4:84 van de Awb. De gestelde beëindiging van de dreiging is immers geen verzachtende omstandigheid die de officier van justitie bij het uitvaardigen van de strafbeschikking had kunnen betrekken. De dreiging is volgens [appellant] pas daarna verdwenen. Bovendien is deze omstandigheid relevant voor de vraag of er nog steeds ernstige vermoedens bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde. [appellant] klaagt daarom terecht dat de minister en de rechtbank deze omstandigheid onvoldoende bij hun beoordeling hebben betrokken.

Zijn hogerberoepsgrond kan echter niet leiden tot het door hem beoogde doel. [appellant] heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep weliswaar gesteld dat de dreiging is verdwenen, maar hij heeft niet toegelicht waaruit die dreiging bestond en waarom deze inmiddels is verdwenen. Hij heeft evenmin met stukken van bijvoorbeeld het Team Bewaken en Beveiligen van de politie onderbouwd dat de dreiging niet meer aan de orde is. [appellant] heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de dreiging die aanleiding vormde voor het misdrijf, is verdwenen. Hij heeft daarmee ook niet aannemelijk gemaakt dat de aanleiding voor een toekomstig soortgelijk misdrijf is weggevallen en dat hij daardoor niet langer een gevaar vormt voor de openbare orde.

De Afdeling begrijpt dat [appellant] gelet op zijn lange verblijf in Nederland graag wil naturaliseren. De afwijzing van het verzoek betekent echter niet dat hij in de toekomst niet het Nederlanderschap kan verkrijgen. [appellant] kan na verloop van de rehabilitatietermijn opnieuw een verzoek om verlening van het Nederlanderschap indienen.

Conclusie

6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M.J.M. Ristra-Peeters en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.A. Overeem, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen

w.g. Overeem
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

899

BIJLAGE

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 1:3

[…]

4. Onder beleidsregel wordt verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

Artikel 3:4

[…]

2. De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Artikel 4:81

1. Een bestuursorgaan kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot een hem toekomende of onder zijn verantwoordelijkheid uitgeoefende, dan wel door hem gedelegeerde bevoegdheid.

2. In andere gevallen kan een bestuursorgaan slechts beleidsregels vaststellen, voor zover dit bij wettelijk voorschrift is bepaald

Artikel 4:84

Het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 9

1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien

a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk;

[…]

Wetboek van Strafvordering

Artikel 257a

[…]

6. De strafbeschikking is schriftelijk en vermeldt:

[…]

f. de wijze waarop verzet kan worden ingesteld;

[…]

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals deze luidde ten tijde van het besluit van 28 november 2024

Toelichting bij artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a

Paragraaf 6. Afwijking slechts mogelijk in geval van zeer bijzondere omstandigheden

Bovenstaande regels geven een nadere invulling van het criterium ‘ernstig gevaar voor de openbare orde’ (in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, RWN en artikel 6, vierde lid, RWN). Zij moeten door iedereen op dezelfde wijze worden uitgevoerd. Deze regels vervangen de genoemde artikelen niet. Zij sluiten dus ook niet uit dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die tot gevolg hebben dat alleen maar tot een juiste wetstoepassing kan worden gekomen door van deze regels af te wijken. Bij de toepassing van deze regels moet men er dus altijd op bedacht zijn dat zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten of omstandigheden kunnen voordoen, die afwijking noodzakelijk kunnen maken.

Het is in zeer bijzondere gevallen dus mogelijk dat een naturalisatie of optie dat op grond van bovenstaande regels zou moeten worden geweigerd, toch moet worden ingewilligd of worden bevestigd. Anderzijds is het in zeer bijzondere gevallen dus ook mogelijk dat een bepaald verzoek of optie dat niet onder een van bovenstaande regels kan worden gebracht, toch moet worden afgewezen of geweigerd, omdat er ernstige vermoedens bestaan dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is immers niet mogelijk om ieder individueel geval dat zich ooit zal kunnen voordoen, van te voren te voorzien en daarvoor een regel op te stellen. Een dergelijk verzoek of optie moet dan apart worden onderzocht en beoordeeld. Voor een dergelijk verzoek of optie zal dan een oplossing moeten worden gevonden die aansluit bij de algemene uitgangspunten van het beleid en bij de wél in dit hoofdstuk van de Handleiding RWN 2003 geregelde situaties. Een en ander neemt niet weg dat het voor de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van het grootste belang is dat niet snel van bovenstaande regels wordt afgeweken. Er moet zeer grote terughoudendheid worden betracht.

Een bijzondere omstandigheid kan in het algemeen worden omschreven als een omstandigheid die wel belangrijk is, maar waaraan bij het opstellen van de regels niet of onvoldoende kon worden gedacht. Juist omdat het bijzondere omstandigheden zijn, kan niet van tevoren worden aangegeven welke omstandigheden zo bijzonder zijn dat zij tot afwijking van de regels in dit hoofdstuk moeten leiden.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), kan echter wel worden afgeleid welke omstandigheden in het algemeen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt. Niet bijzonder is bijvoorbeeld dat de vreemdeling:

• nimmer eerder een (dergelijk) strafbaar feit heeft gepleegd;

• lering heeft getrokken uit het gebeurde;

• thans ieder strafbaar gedrag poogt te vermijden;

• de misdraging heeft gepleegd in een bijzonder moeilijke periode die definitief is afgesloten;

• inmiddels is gehuwd, een kind heeft gekregen en stelt zijn leven aanzienlijk te hebben verbeterd;

• bij internationale werkzaamheden hinder ondervindt van zijn buitenlandse paspoort;

• als enige binnen het gezin geen Nederlander is;

• is veroordeeld wegens rijden onder invloed van alcohol en onder behandeling is geweest voor zijn drankprobleem, zodat het gevaar voor recidive klein is;

• is veroordeeld wegens bijvoorbeeld bijstandsfraude en zijn uitkering inmiddels is stopgezet en het teveel ontvangen bedrag wordt terugbetaald, zodat het gevaar voor recidive minimaal is;

• is veroordeeld wegens bijstandsfraude en het delict heeft gepleegd, omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, zodat, nu hij de Nederlandse taal beter beheerst, de kans op recidive verwaarloosbaar is;

• minderjarig was toen hij het strafbare feit pleegde;

• geschikt is bevonden voor de functie van beroepsmilitair bij het Ministerie van Defensie.

Evenmin kunnen als bijzonder worden aangemerkt omstandigheden die hebben geleid of bijgedragen tot het misdrijf, aangezien die omstandigheden, voorzover zij als verzachtende omstandigheden hebben te gelden, door de strafrechter bij diens oordeel zijn betrokken. Deze voorbeelden zijn niet-limitatief.

Als al sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden, is het aan de vreemdeling om die zelf aan te voeren. Dat ligt niet op de weg van de burgemeester en de IND, omdat die in den regel ook geen kennis kunnen hebben van bijzondere omstandigheden. Wel ligt het op de weg van de burgemeester en de IND om naar de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden te vragen en de betekenis daarvan zonodig te onderzoeken. De vreemdeling kan op model 2.3 (bij naturalisatie) of model 1.14 (bij optie) ‘Verklaring verblijf en gedrag’ die hij bij de indiening van zijn verzoek of het afleggen van de optieverklaring bij de burgemeester invult, aangeven of er sprake is van bijzondere omstandigheden.

De beoordeling van bijzondere omstandigheden gebeurt bij naturalisatie bij de IND, en bij optie bij de burgemeester. Die bijzondere omstandigheden kunnen hoogstens leiden tot de conclusie dat de vreemdeling geen gevaar vormt voor de openbare orde. Als wel sprake is van ernstige vermoedens dat de vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt, moet naturalisatie of optie worden geweigerd. Daarvan kan bij naturalisatie niet met toepassing van artikel 10 RWN worden afgeweken.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon