Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202404667/1/R3

Uitspraak 202404667/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5678
Datum uitspraak
23 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Kaag en Braassem, het bestemmingsplan "Googermolenweg Oude Wetering" gewijzigd vastgesteld.Het plan maakt de bouw van vijftien woningen mogelijk. Het plangebied ligt aan de noordkant van Oude Wetering, tussen de Googermolenweg en de Molendijk. De gronden van het plangebied zijn op dit moment in gebruik als grasland
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • Verordeningen
  • Waterschapszaken

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202404667/1/R3.
Datum uitspraak: 23 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak, onderscheidenlijk tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Oude Wetering, gemeente Kaag en Braassem,

2.       [appellant sub 2], wonend in Oude Wetering, gemeente Kaag en Braassem,

3.       [appellant sub 3] en anderen, allen wonend in Oude Wetering, gemeente Kaag en Braassem,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Kaag en Braassem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Googermolenweg Oude Wetering" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 3] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 6 augustus 2026, waar zijn verschenen:

- [appellant sub 1] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 1] en[gemachtigde A];

- [appellant sub 2];

- [appellant sub 3] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 3];

- de raad, vertegenwoordigd door mr. V. Platteeuw.

Op de zitting zijn verder de familie [naam], vertegenwoordigd door mr. M.B.W. Litjens, advocaat in Zuidwolde, en [gemachtigde B], gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.

Het ontwerpplan is op 28 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.

Inleiding

2.       Het plan maakt de bouw van vijftien woningen mogelijk. Het plangebied ligt aan de noordkant van Oude Wetering, tussen de Googermolenweg en de Molendijk. De gronden van het plangebied zijn op dit moment in gebruik als grasland.

De familie [naam] is de initiatiefnemer van de voorziene ontwikkeling. De initiatiefnemer is voornemens acht levensloopbestendige twee-onder-een-kap woningen in de vrije sector en zeven appartementen in de sociale sector te realiseren.

3.       [appellant sub 1] en anderen, [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en anderen wonen allen rondom het plangebied. [appellant sub 1] en anderen wonen in de woonboten aan het water ten noorden van de gronden van het plangebied. [appellant sub 2] woont in de wijk ten noorden van de gronden van het plangebied voorbij het water. [appellant sub 3] en anderen wonen in de wijk ten zuiden van de gronden van het plangebied. Zij vrezen allen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat.

Toetsingskader

4.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.

Uitvoering plan

5.       [appellant sub 3] en anderen betogen dat in de planregels geborgd moet worden dat de heer [persoon] het plan niet mag uitvoeren. Zij wijzen erop dat hij eerder is veroordeeld.

5.1.    Voor zover [appellant sub 3] en anderen betogen dat er een verbodsartikel moet worden opgenomen in de planregels dat de heer [persoon] niet de voorziene ontwikkeling mag realiseren, is van belang dat een bestemmingplan niet regelt door welke gegadigde het plan moet worden uitgevoerd. Een bepaling waarin staat dat de heer [persoon] het plan niet mag uitvoeren, is niet ruimtelijk relevant en gelet daarop mag het niet in een bestemmingsplan worden opgenomen.

Het betoog slaagt niet.

Participatie

6.       [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] voeren aan dat het participatieproces niet juist is verlopen. Zo is er geen overleg geweest met omwonenden en is een aantal omwonenden niet geïnformeerd over de voorziene ontwikkeling.

[appellant sub 2] wijst er verder op dat er opmerkingen zijn gemaakt door omwonenden, maar dat daar ten onrechte niet naar is geluisterd.

6.1.    Allereerst volgt uit de Inspraakverordening Kaag en Braassem 2009 voor de raad geen andere verplichting tot het bieden van inspraak dan het volgen van de in de Wro voorgeschreven procedure voor de vaststelling van een bestemmingsplan. Die procedure is hier gevolgd. Het bestreden plan is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpplan is namelijk ter inzage gelegd en tijdens de terinzagelegging van het ontwerpplan is eenieder in de gelegenheid gesteld om gedurende de wettelijke termijn schriftelijk of mondeling een zienswijze over het ontwerpplan naar voren te brengen. Ten tweede is van de inspraak bij wijze van eindverslag een nota van zienswijzen gemaakt. De raad is in de nota van zienswijzen ingegaan op de ingediende zienswijzen. Het feit dat de zienswijzen slechts op enkele aspecten aanleiding gaven tot een gewijzigde vaststelling van het plan, betekent niet dat de raad de zienswijzen niet in zijn overwegingen heeft betrokken. Dat uiteindelijk niet of niet geheel aan de bezwaren van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] tegemoet is gekomen, leidt er naar het oordeel van de Afdeling niet toe dat er in strijd met de bepalingen van afdeling 3.4 van de Awb of met een ander wettelijk voorschrift is gehandeld. De Afdeling wijst er ten overvloede op dat uit het verhandelde op de zitting naar voren is gekomen dat er op 15 juli 2020 een informatiebrief naar omwonenden is gestuurd en op 3 september 2020 een informatieavond is georganiseerd over de voorziene ontwikkeling. Ook is gebleken dat [appellant sub 1] en anderen in hun zienswijze hebben aangegeven dat zij naar deze informatieavond zijn gegaan.

Het betoog slaagt niet.

Nationale Omgevingsvisie en Omgevingsvisie Zuid-Holland

7.       [appellant sub 2] voert aan dat de voorziene ontwikkeling in strijd is met twee prioriteiten uit de Nationale Omgevingsvisie, namelijk dat er ruimte is voor klimaatadaptatie en energietransitie en dat er sprake is van een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Daarnaast voeren [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] aan dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Zuid-Holland, omdat het plan van invloed is op het aanwezige groen.

7.1.    Met betrekking tot de Nationale Omgevingsvisie stelt de Afdeling voorop dat de raad bij de vaststelling van een bestemmingsplan niet aan rijksbeleid is gebonden. Wel dient de raad daarmee rekening te houden, wat betekent dat dit beleid in de belangenafweging betrokken dient te worden. Dit geldt ook voor provinciaal beleid. In de plantoelichting is in paragraaf 3.1.1 de Nationale Omgevingsvisie genoemd en is uiteengezet dat het plan hiermee in overeenstemming is. De raad heeft de Nationale Omgevingsvisie in zijn belangenafweging betrokken. Ook heeft de raad getoetst aan de Omgevingsvisie Zuid-Holland. In paragraaf 3.2.1 van de plantoelichting is hierop ingegaan.

De enkele niet onderbouwde stellingen van [appellant sub 3] en anderen en [appellant sub 2] dat het plan in strijd is met twee prioriteiten uit de Nationale Omgevingsvisie en met de Omgevingsvisie Zuid-Holland, geven geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Nationale Omgevingsvisie en de Omgevingsvisie Zuid-Holland.

De betogen slagen niet.

Omgevingsvisie Kaag en Braassem

8.       [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem, omdat er sprake is van een afname van het groen. Volgens hen zijn de gronden van het plangebied één van de laatste stukken groen die Oude Wetering rijk is.

8.1.    De Omgevingsvisie Kaag en Braassem is op 26 oktober 2020 door de raad vastgesteld. De Omgevingsvisie Kaag en Braassem is een strategische langetermijnvisie voor de fysieke leefomgeving van Kaag en Braassem, waarbij verschillende thema’s centraal staan, waaronder het thema "natuur, water en lucht in Kaag en Braassem". De Omgevingsvisie Kaag en Braassem kent daarnaast verschillende gebiedstypen. Binnen ieder gebiedstype spelen verschillende belangen en thema’s.

In de Omgevingsvisie Kaag en Braassem staat verder over het aspect groen dat dit soms onder druk staat door andere opgaven die ruimte nodig hebben, zoals woningbouw. Ook staat er dat het versterken van de biodiversiteit in de gemeente een opgave is, maar met name in het buitengebied.

8.2.    In paragraaf 3.4.1 van de plantoelichting is getoetst aan de Omgevingsvisie Kaag en Braassem. Zo staat er dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het gebiedstype 'kernen'. Voor het bouwen van nieuwe woningen ligt de voorkeur bij inbreiding. De kern Oude Wetering valt onder 'centrum dorps'. In dit gebied is een relatief hoog voorzieningenniveau en inwonersaantal aanwezig. De gemeente wil hier het voorzieningenniveau in stand houden en verder opwaarderen. Het toevoegen van de in het plan voorziene woningen levert een bijdrage aan de woningmarkt binnen de kern Oude Wetering en de gemeente Kaag en Braassem.

8.3.    Op de zitting heeft de raad toegelicht dat er bij voorkeur gebouwd wordt binnen de dorpen, zodat minder grond feitelijk een andere bestemming krijgt. Ook heeft de raad op de zitting toegelicht dat de afweging om woningbouw toe te staan op een locatie binnen de gemeente op een groter schaalniveau wordt gemaakt en dat daarbij naar verschillende aspecten wordt gekeken. Er wordt daarbij ook gekeken naar het aspect groen. Bij kleine woningbouwlocaties, zoals het plangebied, speelt ook een rol of toevoeging van woningen aldaar ten goede komt aan de vitaliteit in de dorpen, en of daarmee kan worden bevorderd dat jongeren in die dorpen blijven wonen. Per saldo gaat niet veel groen verloren in het plangebied. Het is een dijklichaam en er staan enkele bomen langs de weg, aldus de raad.

8.4.    [appellant sub 3] en anderen hebben geen aanknopingspunten gegeven om aan het betoog van de raad te twijfelen. Gezien het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Kaag en Braassem.

Het betoog slaagt niet.

Woningbouw

9.       [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen voeren verder aan dat er geen woningen mogen komen gelet op het karakter van het gebied en gelet op hun woonboten en hun woningen nabij het plangebied.

9.1.    De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad aan het belang van woningbouw niet een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van appellanten bij het behoud van de bestaande situatie. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat, gelet op de afstand tussen de woningen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen en het plangebied, zij niet inziet dat in het algemeen een woonbestemming op de gronden van het plangebied niet passend zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Alternatieve locatie

10.     [appellant sub 2] voert aan dat er alternatieve locaties beschikbaar zijn voor de voorziene ontwikkeling, namelijk De Baan.

10.1.  De raad moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen.

De raad heeft toegelicht dat locatie aan De Baan in een glastuinbouwgebied ligt en in de provinciale verordening is aangewezen als Greenport. De provinciale verordening staat woningbouw in een Greenport niet toe. De locatie in het plangebied is niet vergelijkbaar met locaties aan De Baan omdat het plangebied binnen bestaand stads- en dorpsgebied is gesitueerd, aldus de raad.

10.2.  De raad heeft het door [appellant sub 2] voorgestelde alternatief afgewogen bij de vaststelling van het plan en naar het oordeel van de Afdeling toereikend gemotiveerd waarom niet voor dit alternatief is gekozen.

Het betoog slaagt niet.

Waterhuishouding

11.     [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat onduidelijk is wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding. Onduidelijk is of er niet meer wateroverlast op de Googermolenweg zal ontstaan.

[appellant sub 2] voert aan dat in het gebied de afvoer van hemelwater bij fikse en langdurige regen nu al een probleem is en vreest dat dit met het plan erger zal worden.

11.1.  Op alle gronden van het plangebied is de dubbelbestemming "Waterstaat - Waterkering" toegekend.

Artikel 6.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het onderhoud en instandhouding van dijken, kaden, dijksloten en andere voorzieningen ten behoeve van de waterkering."

Artikel 6.2.1 van de planregels luidt:

"Op de gronden mogen ten behoeve van de bestemming, zoals in artikel 6 lid 1 bedoeld, geen gebouwen of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd."

Artikel 6.2.2 van de planregels luidt:

"Voor het bouwen op deze gronden ten behoeve van de andere voor deze gronden geldende bestemmingen mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemming geldende (bouw)regels, uitsluitend worden gebouw, indien:

a. het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken;

b. de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering."

Artikel 6.3 van de planregels luidt:

"Ter beoordeling van de afwijking, bedoeld in artikel 6 lid 4, dient de aanvrager een schriftelijk advies van het hoogheemraadschap aan te leveren."

Artikel 6.4 van de planregels luidt:

"Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verlenen van het bepaalde in:

[…]

b. artikel 6 lid 2.2, indien de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen en het waterstaatbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad."

11.2.  De Afdeling is van oordeel dat de raad voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen onaanvaardbare wateroverlast zal ontstaan op de percelen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] als gevolg van het plan. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking.

In paragraaf 4.8 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect water. Daaruit blijkt dat rekening is gehouden met de eisen en het beleid van het Hoogheemraadschap van Rijnland voor waterberging. Zo staat in het beleid dat bij het toevoegen van 500 m² of meer aan verharding compensatie plaats moet vinden met oppervlaktewater. In de huidige situatie is het plangebied volledig onverhard. Met de herontwikkeling van het plangebied zal de oppervlakte aan verharding dan ook toenemen. Vanwege de ligging bij de waterkering is het graven van oppervlaktewater beperkt mogelijk. Derhalve dient alternatieve waterberging toegepast te worden of dient compensatie buiten het plangebied, binnen het zelfde peil, plaats te vinden. Er zal voldaan worden aan de eisen van het waterschap voor waterberging, hiertoe zijn voldoende mogelijkheden en dit zal in het kader van de watervergunning verder uitgewerkt en aangetoond worden. Ook staat in de plantoelichting dat het hemelwater gescheiden wordt en wordt geïnfiltreerd in de bodem of afgevoerd naar de naastgelegen watergangen. Het afvalwater wordt aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

Op grond van artikel 9.10 van de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur is bovendien een watervergunning nodig voor het maken van een bouwwerk met een oppervlak groter dan 20 m2 in de kernzone van de waterkering. In dit geval ligt het plangebied in de kernzone van een waterkering. In de plantoelichting staat dat een watervergunning zal worden aangevraagd en dat heeft de raad op de zitting bevestigd. Tegen een verleende watervergunning kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.

Daarnaast blijkt uit de stukken dat het Hoogheemraadschap van Rijnland op 18 januari 2024 een positief wateradvies heeft uitgebracht met betrekking tot de bouw van de desbetreffende woningen.

Verder zijn in de onder 11.1 geciteerde planregels regels opgenomen om het dijklichaam op de gronden van het plangebied te beschermen.

11.3.  Voor zover [appellant sub 1] en anderen er op de zitting nog op hebben gewezen dat de watercompensatie niet buiten het plangebied plaats kan vinden, heeft de raad op de zitting toegelicht dat uit het wateradvies van het Hoogheemraadschap van Rijnland volgt dat compensatie binnen hetzelfde peilvak mogelijk is en dat dus watercompensatie elders mogelijk is. Daarnaast wijst de raad op artikel 41.5 van de Waterschapsverordening de Rijnlandse Keur waarin staat dat een watervergunning alleen wordt verleend als er een compensatieregeling is.

11.4.  De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 2] hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat voldoende is geborgd dat er geen onaanvaardbare wateroverlast op de percelen rondom het plangebied zal ontstaan als gevolg van het plan. Het betoog slaagt niet.

Bouwhoogte woningen

12.     [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de toegestane maximale bouwhoogte van de voorziene woningen sterk afwijkt van de naastgelegen woonarken aan de Molendijk. Volgens hen gaat het om een onevenredige impact op de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

[appellant sub 3] en anderen voeren aan dat onduidelijk is wat de toegestane maximale bouwhoogte is. Onduidelijk is ook hoe hoog het gemiddelde maaiveld is. Zij wijzen er in dit kader ook op dat een maximale bouwhoogte van wellicht 10 m veel te hoog is voor het behoud van het landelijke karakter van de dijk.

12.1.  De Afdeling stelt vast dat op de gronden waaraan de bestemming "Wonen" is toegekend binnen de aangewezen bouwvlakken een maximale bouwhoogte van 10 m van toepassing is.

12.2.  In het verweerschrift onderbouwt de raad waarom een maximale toegestane bouwhoogte van 10 m met een maximale toegestane goothoogte van 7 m passend is in de omgeving.

In de plantoelichting en in het positieve wateradvies staat dat de gronden van het plangebied moeten worden opgehoogd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken met hoeveel meter de gronden moeten worden opgehoogd. In artikel 1.32, lid b, van de planregels is het begrip "peil" als volgt gedefinieerd "in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein". Als de gronden bijvoorbeeld met 1 m opgehoogd worden, dan kunnen de voorziene gebouwen maximaal 11 m ten opzichte van het huidige maaiveld hoog worden. Maar dat kan ook hoger worden. Gelet op het gegeven dat de gronden van het plangebied moeten worden opgehoogd maar onbekend is met hoeveel meter dat zal zijn, heeft de raad op de zitting niet kunnen motiveren welke maximale toegestane bouwhoogte dan aanvaardbaar is. Het plan is in zoverre onzorgvuldig en rechtsonzeker.

12.3.  Daarnaast staat in het verweerschrift dat de voorziene woningen hoofdzakelijk zijn opgebouwd uit twee volwaardige bouwlagen, behoudens kleine dakopbouwen op de twee-onder-een-kap woningen. Deze terugliggende dakopbouw beslaat minder dan 50% van het dakoppervlak en zorgt ervoor dat de bouwmassa optisch wordt verkleind. Uitsluitend deze dakopbouw bereikt de maximale bouwhoogte van 10 meter. De goothoogte en het grootste deel van de bebouwing blijven daar duidelijk onder, zo stelt de raad in zijn verweerschrift. De Afdeling stelt vast dat op de verbeelding op alle gronden van de aangewezen bouwvlakken een maximale toegestane bouwhoogte van 10 m geldt. De terugliggende dakopbouw die wat betreft het daarmee gemoeide oppervlakte beperkt zou zijn tot minder dan 50% van het dakoppervlak is dus niet als zodanig opgenomen in de aangewezen bouwvlakken. Gelet hierop concludeert de Afdeling dat het standpunt van de raad in het verweerschrift niet overeenkomt met de verbeelding. De verbeelding strookt op dit punt niet met de bedoeling van de raad. Het plan is ook in zoverre onzorgvuldig vastgesteld.

12.4.  Het betoog slaagt.

12.5.  Omdat gelet op wat is overwogen onder 12.2 en 12.3 onvoldoende vaststaat wat de maximale toegestane bouwhoogte is en de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze bouwhoogte aanvaardbaar is, kan de Afdeling ook niet beoordelen of de raad zich op het standpunt mocht stellen dat de toegestane maximale bouwhoogte passend is in de omgeving van het plangebied. In de einduitspraak zal daarom worden beslist over dit deel van het beroepsgrond.

Vleermuizen

13.     [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de aanwezige vleermuizen als gevolg van de voorziene woningen worden verjaagd. Zo wijzen zij erop dat in een ecologisch onderzoek bij de plantoelichting staat dat er geen lichtuitstraling gedurende de schemer- en nachtperiodes op de bomenrij ten zuiden van de planlocatie plaats dient te vinden. Als er straks woningen staan, wordt alles verlicht, aldus [appellant sub 1] en anderen.

13.1.  De raad mag het plan niet vaststellen als en voor zover hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het wettelijke soortenbeschermingsregime aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De raad heeft aan het plan de Quickscan "Wet natuurbescherming Googermolenweg ong. te Oude Wetering" van Blom Ecologie (quickscan), bijlage 3 bij de plantoelichting, ten grondslag gelegd. In deze quickscan staat dat, hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de gronden van het plangebied gebruiken als verblijfplaats, de mogelijkheid bestaat dat vleermuizen de gronden van het plangebied gebruiken als foerageergebied of vliegroute. Tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie dient de bomenrij tijdens de schemer- en nachtperiodes onbelicht te blijven om deze potentiële functie voor vleermuizen te beschermen, zo staat in de quickscan.

Op de zitting heeft de raad toegelicht dat de opmerking over het onbelicht blijven van de bomenrij in de quickscan geen voorwaarde is. Er is een quickscan uitgevoerd waarbij gekeken is naar potentiële vliegroutes en potentiële foerageergebieden en of in het kader van de uitvoering van het plan een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is. De conclusie in de quickscan is dat er voor vleermuizen geen vergunning op grond van de Wnb nodig is.

13.2.           Wat [appellant sub 1] en anderen daartegen hebben aangevoerd acht de Afdeling onvoldoende grond voor het oordeel dat de raad zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het wettelijke soortenbeschermingsregime op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt niet.

Bomen

14.     [appellant sub 1] en anderen maken bezwaar tegen de kap van 30 bomen en bosschages grenzend aan de Googermolenweg. Dit brengt gevolgen met zich voor de flora en fauna in het plangebied.

14.1.  De raad stelt in zijn verweerschrift dat er zo veel mogelijk bestaand groen in stand wordt gehouden. Voor het kappen van de bomen en bosschages aan de Googermolenweg geldt geen vergunningplicht, aldus de raad.

14.2.  De Afdeling overweegt dat de raad zich terecht op het standpunt stelt dat het groen op de gronden van het plangebied niet vermeld wordt in de bomenlijst zoals genoemd in artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Kaag en Braassem 2012 zodat hiervoor geen vergunningplicht geldt. Daarnaast heeft de raad een quickscan uitgevoerd waarin is gekeken naar de aanwezige flora en fauna op de gronden van het plangebied. In de plantoelichting is verder ook nog verwoord op welke manier de raad rekening houdt met de aanwezige flora en fauna op de gronden van het plangebied tijdens de bouwwerkzaamheden.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in de niet geconcretiseerde opmerkingen van [appellant sub 1] en anderen over de gevolgen voor flora en fauna geen grond voor het oordeel dat de raad zijn besluit onvoldoende heeft gemotiveerd.

Het betoog slaagt niet.

Verkeer

15.     [appellant sub 3] en anderen voeren aan dat door de voorziene woningen de verkeersveiligheid in het geding is. De Googermolenweg is nu al druk en onoverzichtelijk. De realisatie van de voorziene woningen met uitritten op deze weg zal de verkeerssituatie verergeren en tot gevaarlijke omstandigheden leiden. In het bestreden besluit staat het aantal verkeersbewegingen van de voorziene ontwikkeling genoemd, maar volgens [appellant sub 3] en anderen gaat het erom hoe deze verkeersbewegingen veilig kunnen worden uitgevoerd. De raad heeft daar ten onrechte niet naar gekeken.

[appellant sub 2] voert aan dat geen rekening is gehouden met de lokale verkeersomstandigheden. Zo is vrachtverkeer niet toegestaan in de wijk, maar leidt dit nu regelmatig tot onveilige situaties. Hier wordt ten onrechte niet op gehandhaafd.

15.1.  In het verweerschrift stelt de raad dat de bestaande verkeersstructuur de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het plan kan opvangen. De raad wijst in dat kader op het rapport "Resultaten verkeerstellingen Googermolenweg Oude Wetering".

15.2.  In paragraaf 4.10.1 van de plantoelichting is ingegaan op het aspect verkeer. De nieuwe woningen zullen ontsloten worden via de Googermolenweg. De totale verkeersgeneratie van de voorziene woningen bedraagt 91,1 voertuigbewegingen per etmaal. Gelet op de relatief lage toename van het aantal voertuigbewegingen kan deze toename opgevangen worden met de bestaande verkeersstructuur, zo staat in de plantoelichting.

15.3.  Om inzicht te krijgen in de verkeersbewegingen heeft de raad verkeerstellingen op de Googermolenweg laten uitvoeren. Uit deze verkeerstellingen blijkt dat er op de Googermolenweg in de periode tussen 20 maart 2024 en 29 mei 2024 83.140 voertuigen zijn geteld. Als van dat aantal het totale aantal tweewielers wordt afgetrokken en vervolgens een gemiddelde per dag wordt berekend, zijn er ongeveer 930 voertuigen per dag op de Googermolenweg aanwezig. De raad stelt zich op het standpunt dat de voorziene ontwikkeling zorgt voor een toename van 10% van het aantal verkeersbewegingen op de Googermolenweg en dat dit niet onaanvaardbaar is. Daarnaast heeft de raad op de zitting toegelicht dat voor elk bouwvlak een ontsluiting zal worden gerealiseerd uitkomend op de Googermolenweg en dat wanneer deze ontsluitingen worden gerealiseerd er een verkeersmaatregel genomen zal worden, zodat de Googermolenweg een 30 km per uur weg zal worden.

Gelet op de twee hiervoor genoemde aspecten stelt de raad zich op het standpunt dat er geen sprake zal zijn van een verkeersonveilige situatie als gevolg van het plan. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten dat de raad zich niet op dit standpunt mocht stellen.

15.4.  Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] dat vrachtverkeer van de Googermolenweg gebruik maakt, maar dit niet is toegestaan, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is dat in deze procedure niet aan de orde kan komen.

15.5.  De betogen slagen niet.

Parkeren

16.     [appellant sub 2] voert aan dat er bij het bepalen van de parkeernormen geen rekening is gehouden met de lokale omstandigheden.

Daarnaast voert [appellant sub 2] aan dat er nu ten onrechte regelmatig parkeerplaatsen in de wijk worden ingenomen door auto’s van vakantiegangers, die vervolgens de bus pakken naar Schiphol.

[appellant sub 3] en anderen voeren aan dat de druk op parkeerplaatsen in hun wijk toe zal nemen als gevolg van het plan. Er is namelijk geen rekening gehouden met bezoekers.

16.1.  In het verweerschrift stelt de raad dat het plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen.

16.2.  In paragraaf 4.10.2 van de plantoelichting staat dat het aantal benodigde parkeerplaatsen is bepaald aan de hand van de Parkeernormen Kaag en Braassem. De CROW-kencijfers dienen daarbij als uitgangspunt.

Voor de voorziene woningen is gekeken naar de categorieën "twee-onder-een-kap" en "etage, goedkoop (<65 m²)" op grond van de Parkeernormen Kaag en Braassem. Voor deze categorieën geldt in de 'rest bebouwde kom' een minimale parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning respectievelijk 1,2 parkeerplaatsen per woning. Gezien het aandeel sociale huur en de ligging binnen bestaand stads- en dorpsgebied is de raad uitgegaan van de minimale parkeernorm. Voor de nieuwe woningen bedraagt de totale parkeerbehoefte 22,8 parkeerplaatsen. Uit de plantoelichting volgt dat deze parkeerplaatsen op de gronden binnen het plangebied zullen worden aangelegd. De Afdeling constateert dat de planregels en de verbeelding de realisatie van parkeerplaatsen binnen het plangebied mogelijk maken.

16.3.  Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] dat bij het bepalen van de parkeernormen geen rekening is gehouden met de lokale omstandigheden, overweegt de Afdeling dat hij zijn betoog niet heeft geconcretiseerd. Zoals onder 16.2 uiteen is gezet, heeft de raad bij het bepalen van de parkeernormen gekeken naar de ligging binnen het bestaand stads- en dorpsgebied. De Afdeling ziet niet in waarom de raad niet van deze parkeernormen uit mocht gaan.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

16.4.  Voor zover [appellant sub 3] en anderen erop wijzen dat er geen rekening is gehouden met het aantal bezoekers van de voorziene woningen, overweegt de Afdeling dat in de tabel in bijlage 2 van de Parkeernormen Kaag en Braassem bij elke parkeernorm het aandeel bezoekers staat vermeld. Bij een twee-onder-een-kapwoning is dat aandeel bezoekers 0,3 en bij de categorie "etage, goedkoop (<65 m2)" is het aandeel bezoekers ook 0,3. Dit betekent dat het aandeel bezoekers deel uitmaakt van de totale parkeernorm per type woningen. Op de zitting heeft de raad dit bevestigd.

Gelet op het vorenstaande constateert de Afdeling dat de raad bij het bepalen van de totale parkeerbehoefte van de voorziene ontwikkeling ook rekening heeft gehouden met bezoekers van de voorziene woningen.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

16.5.  Voor zover [appellant sub 2] wijst op parkeeroverlast door vakantiegangers, overweegt de Afdeling dat onder 16.2 uiteen is gezet hoeveel parkeerplaatsen er nodig zijn voor de voorziene woningen en dat deze parkeerplaatsen op de gronden van het plangebied zullen worden gerealiseerd. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanknopingspunten dat de voorziene woningen van invloed zijn op het aantal vakantiegangers dat in de wijk van [appellant sub 2] zal parkeren.

Het betoog slaagt in zoverre niet.

Geluid

17.     [appellant sub 2] voert aan dat het plan ten onrechte mogelijk wordt gemaakt door een maximale ontheffingswaarde voor de voorziene woningen vast te stellen. Op de zitting heeft hij aangegeven dat toekomstige bewoners hierdoor ten onrechte met een hogere geluidsbelasting te maken krijgen.

17.1.  Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

17.2.  Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. Dit wordt het relativiteitsvereiste genoemd.

17.3.  Naar het oordeel van de Afdeling beroept [appellant sub 2] zich met wat hij aanvoert over de geluidbelasting en het woon- en leefklimaat niet op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat betrekking heeft op zijn eigen belang, maar op de belangen van anderen. Wat [appellant sub 2] aanvoert heeft immers betrekking op het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. De Afdeling is van oordeel dat het relativiteitsvereiste, zoals dat volgt uit artikel 8:69a van de Awb, daarom in zoverre in de weg staat aan de vernietiging van het plan. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3087, onder 10.5. Om die reden ziet de Afdeling af van een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond.

Bestemming "Tuin"

18.     [appellant sub 1] en anderen hebben bezwaren tegen de bestemming "Tuin" in het westelijke deel van het plan in het kader van de aspecten hinder, privacy en woongenot. Zij wijzen daarbij naar het principeverzoek van 2019 waarbij de grens van het plan nog gelijk met de woningen aan de Bosrank was getekend en dus de vorige bestemming van toepassing was. Met het bestreden plan is de plangrens schuin omhoog gesitueerd tot voorbij de woonboot van [appellant sub 1] en anderen aan de Molendijk 13. Op de zitting hebben [appellant sub 1] en anderen geconcretiseerd dat zij niet begrijpen waarom aan de gronden van het westelijke deel van het plangebied de bestemming "Tuin" is toegekend en het niet zoals op grond van het vorige planologische regime de bestemming "Groen" kan blijven.

18.1.  De Afdeling stelt vast dat in het westen van het plangebied de huidige plangrens voor het noordelijke deel is gesitueerd parallel aan het perceel Molendijk 13 en daarna schuin afloopt richting de Googermolenweg. In het bestreden plan is aan de gronden van het westelijke deel van het plangebied onder meer de bestemming "Tuin" toegekend. Dit gaat om de gronden ten westen van het westelijke bouwvlak. Aan deze gronden was op grond van het vorige planologische regime onder meer de bestemming "Groen" toegekend.

18.2.  De Afdeling is van oordeel dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de gronden in het westelijke deel van het plangebied de bestemming "Tuin" hebben gekregen en niet de bestemming "Groen" hebben behouden. Op de zitting heeft de raad niet kunnen aangeven waarom de tuinbestemming op deze gronden nodig en gepast is. De Afdeling betrekt hierbij dat de initiatiefnemer van het plan op de zitting heeft aangegeven dat het voor het woningbouwplan niet nodig is dat alle gronden in het westelijk deel van het plangebied de bestemming "Tuin" hebben.

18.3.  Gelet op het vorenstaande heeft de raad onvoldoende gemotiveerd waarom de tuinbestemming aan alle gronden in het westelijke deel van het plangebied is toegekend.

Het betoog slaagt.

Voetpad Molendijk

19.     [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat in het plan niet is geborgd dat het bestaande voetpad dat vanaf de Molendijk over de dijk is gesitueerd naar de Googermolenweg en de Kruidenwijk in stand blijft. In de nota van zienswijzen staat dat het plan hierop zal worden aangepast, maar dit is volgens hen niet gebeurd.

19.1.  Bij vaststelling van het bestreden plan is artikel 9.1 aan de planregels toegevoegd. Artikel 9.1 van de planregels luidt: "Het gebruik van de gronden als bedoeld in artikel 4 lid 1 en artikel 5 lid 1 is uitsluitend toegestaan indien de Molendijk met een voetpad vanaf de Googermolenweg toegankelijk wordt gemaakt en in stand wordt gehouden."

Gelet hierop is in het plan dus geborgd dat er een voetpad moet komen vanaf de Molendijk naar de Googermolenweg.

Het betoog mist feitelijke grondslag.

Conclusie

20.     Gelet op het vorenstaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond. Voor hem is deze uitspraak de einduitspraak en daarmee is voor hem een einde gekomen aan deze procedure.

21.     Gelet op wat hiervoor onder 12.2, 12.3, 18.2 en 18.3 is overwogen, is de conclusie dat de raad het bestreden besluit in zoverre heeft genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en de rechtszekerheid.

Bestuurlijke lus

22.     Wat betreft de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen ziet de Afdeling met het oog op een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de in overwegingen 12.2, 12.3, 18.2 en 18.3 geconstateerde gebreken in het besluit van 17 juni 2024 te herstellen. De raad moet daarom uiterlijk binnen 20 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van:

- wat is overwogen onder 12.2 nader motiveren dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats stellen welke maximale toegestane bouwhoogte aanvaardbaar is waarbij rekening wordt gehouden met het ophogen van de gronden van het plangebied; en

- wat is overwogen onder 12.3 nader motiveren dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats stellen in hoeverre de maximale toegestane bouwhoogte van 10 m in het bestemmingsplan moet worden gedifferentieerd; en

- wat is overwogen onder 18.2 en 18.3 nader motiveren dan wel een ander besluit daarvoor in de plaats stellen waarom voor alle gronden in het westelijke deel van het plangebied de tuinbestemming is toegekend.

23.     De raad dient de Afdeling en partijen de uitkomst mee te delen en een gewijzigd of nieuw besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Het door de raad te nemen gewijzigde of nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

Proceskosten

24.     Ten aanzien van het beroep van [appellant sub 2] hoeft de raad geen proceskosten te vergoeden.

25.     Ten aanzien van de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen zal in de einduitspraak worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

Einduitspraak

I.        verklaart het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 17 juni 2024 van de raad van de gemeente Kaag en Braassem waarbij het bestemmingsplan "Googermolenweg Oude Wetering" is vastgesteld, ongegrond;

Tussenuitspraak

II.       draagt de raad van de gemeente Kaag en Braassem naar aanleiding van de beroepen van [appellant sub 1] en anderen en [appellant sub 3] en anderen op om binnen 20 weken na de verzending van deze uitspraak:

- de onder 12.2, 12.3, 18.2, 18.3 en 22 genoemde gebreken te herstellen met inachtneming van hetgeen over deze gebreken in deze uitspraak is overwogen, en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mee te delen en het gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen.

Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.W. van Ewijk, griffier.

w.g. Besselink
voorzitter

w.g. Van Ewijk
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026

867

Persaankondiging

Woningbouw in Oude Wetering

Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Googermolenweg Oude Wetering’ dat de gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft vastgesteld. Het plan maakt de bouw van vijftien woningen mogelijk aan de noordkant van Oude Wetering, ingeklemd tussen de Googermolenweg en de Molendijk. De gronden zijn op dit moment in gebruik als grasland. De woningen zijn acht levensloopbestendige twee-onder-een-kapwoningen in de vrije sector en zeven appartementen in de sociale sector. Enkele omwonenden zijn het niet eens met het bestemmingsplan en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Die heeft de zaak op 6 augustus 2026 op zitting behandeld.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon