Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202601513/2/A2

Uitspraak 202601513/2/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5573
Datum uitspraak
21 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 6 oktober 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda bestuursdwang toegepast door de auto van [appellante] weg te slepen en in bewaring te stellen. Het college heeft de kosten daarvan op [appellante] verhaald. Bij besluit van 25 maart 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat zag op het kostenverhaal, en haar een vergoeding van de kosten van het bezwaar toegekend van 2 punten. [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2025, omdat zij de proceskostenvergoeding ("2 punten") onvoldoende gemotiveerd vindt.
  • Hoger beroep
  • Vereenvoudigde behandeling
  • Geld
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202601513/2/A2.
Datum uitspraak: 21 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) op het hoger beroep van:

[appellante], wonend in Breda,
appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-­West-­Brabant van 2 april 2026 in zaak nr. 25/2607 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

Procesverloop

Bij besluit van 6 oktober 2024 heeft het college bestuursdwang toegepast door de auto van [appellante] weg te slepen en in bewaring te stellen. Het college heeft de kosten daarvan op [appellante] verhaald.

Bij besluit van 25 maart 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover dat zag op het kostenverhaal, en haar een vergoeding van de kosten van het bezwaar toegekend van 2 punten.

Bij uitspraak van 2 april 2026 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 25 maart 2025, omdat zij de proceskostenvergoeding ("2 punten") onvoldoende gemotiveerd vindt.

2.       De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Het college heeft de proceskostenvergoeding uitbetaald en [appellante] heeft de hoogte daarvan niet betwist. Volgens de rechtbank moest het voor de gemachtigde van [appellante], een ‘no cure no pay’-bureau, duidelijk zijn dat met "2 punten" een vergoeding van 2 x het forfaitaire bedrag van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) van € 647,00 werd bedoeld.

3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank het college ten onrechte niet heeft veroordeeld tot een vergoeding van de proceskosten van het beroep en het griffierecht. Volgens haar heeft het college pas na het instellen van het beroep de proceskostenvergoeding uitbetaald en was toen pas duidelijk welk bedrag was toegekend. Daarmee is het college hangende het beroep tegemoetgekomen aan haar, aldus [appellante].

3.1.    Het betoog slaagt niet. Een partij heeft geen procesbelang als het belang alleen is gelegen in een verzoek om vergoeding van de proceskosten in bezwaar, tenzij een besluit is herroepen zonder een vergoeding toe te kennen waar wel om was gevraagd of de hoogte van de toegekende proceskosten in geschil is (zie de uitspraak van de Afdeling van 5 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2323, r.o. 11.2). Beide uitzonderingen doen zich niet voor. Het college heeft beslist op het verzoek door 2 punten toe te kennen. De Afdeling onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het voor een beroepsmatige rechtsbijstandverlener, zeker als deze op een ‘no cure no pay’-basis werkt, duidelijk moest zijn dat met een vergoeding voor de kosten van bezwaar van 2 punten een vergoeding van 2 x het forfaitaire bedrag van het Bpb van € 647,00 werd bedoeld. De hoogte van dat bedrag is niet in geschil. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat [appellante] geen belang had bij het instellen van beroep.

De Afdeling volgt [appellante] ook niet in het standpunt dat het college haar na het instellen van het beroep is tegemoetgekomen. Het uitbetaalde bedrag wijkt niet af van het bedrag dat haar bij het besluit van 25 maart 2025 is toegekend en waarvan de hoogte haar bekend diende te zijn. Voor een veroordeling van het college in de vergoeding van de proceskosten van het beroep en het griffierecht bestond dat ook geen aanleiding.

4.       De Afdeling hecht er verder aan de gemachtigde van [appellante] erop te wijzen dat deze wijze van doorprocederen over een (uitbetaalde) proceskostenvergoeding in bezwaar, louter om een proceskostenvergoeding in beroep en hoger beroep te ontvangen, een aanwijzing kan zijn voor misbruik van recht (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:542). Als de gemachtigde inderdaad in het duister tastte over de formulering "2 punten", had het, mede gelet op de belasting van het rechtssysteem, op haar weg gelegen daarover bij het college duidelijkheid te verkrijgen in plaats van beroep in te stellen.

5.       Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. de Vries-Biharie, griffier.

w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. De Vries-Biharie
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 september 2026

611

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).

-         Verzet moet schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak worden gedaan.

-         In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met wat er in deze uitspraak staat.

-         Als de indiener over het verzet door de Afdeling wil worden gehoord, moet dit in het verzetschrift worden gevraagd. De zitting gaat dan alleen over de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak waartegen uw verzet is gericht.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon