Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 125.868
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

202504805/1/A2

Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw besloten tot invordering van een verbeurde dwangsom van € 28.000,00. [appellant] is sinds 16 mei 2003 eigenaar van de recreatiewoning op het adres [locatie] in Heel. Bij besluit van 12 maart 2018 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd met een begunstigingstermijn van twee jaar, omdat hij de recreatiewoning in strijd met het bestemmingsplan Heel-Panheel gebruikt. [appellant] gebruikt de recreatiewoning als hoofdverblijf. Het college heeft aan het niet beëindigen en beëindigd houden van de overtreding een dwangsom verbonden van € 4.000,00 per kalendermaand, met een maximum van € 48.000,00. Dit besluit staat in rechte vast. Het college heeft na afloop van de begunstigingstermijn geconstateerd dat het gebruik van de recreatiewoning als hoofdverblijf niet is beëindigd. Bij besluit van 19 oktober 2020 heeft het college de verbeurde dwangsommen ingevorderd. Dit gaat om een bedrag van € 28.000,00.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4409
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202504805/1/A2

202504988/1/A2

Bij besluit van 8 mei 2024 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om overneming van private schulden afgewezen. Bij besluit van 31 oktober 2024 heeft de minister van Financiën, in zijn hoedanigheid van rechtsopvolger van de Belastingdienst/Toeslagen, het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4437
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504988/1/A2

202505021/1/A3

Bij besluit van 5 januari 2024 heeft korpschef van politie een aanvraag van Securitas Nederland om [appellant] beveiligingswerkzaamheden te mogen laten verrichten voor dat bedrijf afgewezen. Op 2 december 2023 heeft Securitas Nederland aan de korpschef toestemming verzocht als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus om [appellant] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming onthouden, omdat [appellant] volgens hem niet beschikt over de betrouwbaarheid die nodig is voor het verrichten van beveiligerswerk. De korpschef heeft aan de afwijzing meerdere verkeersovertredingen ten grondslag gelegd. De korpschef beschouwt het structureel overtreden van de rechtsregels in samenhang met de verdenkingen van recalcitrant gedrag als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Hierdoor zijn de betrouwbaarheid en de integriteit van [appellant] volgens de korpschef niet boven iedere twijfel verheven.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4429
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Beveiligingswerkzaamheden
  • uitspraakin de zaak202505021/1/A3

202505653/1/A3

Bij besluit van 6 maart 2024, op schrift gesteld op 12 maart 2024, heeft de burgemeester van Utrecht besloten om het pand aan de [locatie] per direct, te weten 6 maart 2024, en gedurende zes maanden in zijn geheel te sluiten. [appellante] huurde de woning aan de [locatie] in Utrecht. Op 5 maart 2024 is een inspecteur binnengetreden in deze woning, vanwege een melding van de politie dat hier een hennepkwekerij was aangetroffen. De inspecteur heeft geconstateerd dat er drie verschillende kweekruimtes voor hennep waren en dat er op een gevaarlijke manier stroom werd gestolen. De politie heeft in de woning 115 hennepplanten aangetroffen. De burgemeester heeft daarop op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a van de Opiumwet de woning van [appellante] gesloten voor de duur van zes maanden. [appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De burgemeester heeft dit bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, vanwege het ontbreken van procesbelang, en heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat [appellante] haar schade onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4428
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202505653/1/A3

202505671/1/A3

Bij besluit van 24 mei 2025 heeft de burgemeester van Rotterdam een huisverbod opgelegd aan [appellant]. [appellant] heeft een relatie met [persoon]. Volgens een proces-verbaal van bevindingen van 22 mei 2025 kregen verbalisanten die nacht een melding van huiselijk geweld. Ter plaatse zagen verbalisanten dat [persoon] onder het bloed zat. Zij verklaarde dat zij in elkaar geslagen was. Zij verklaarde dat dit letsel was aangebracht door [appellant]. Na dit incident tussen [appellant] en [persoon] heeft de burgemeester op grond van artikel 2 van de Wet tijdelijk huisverbod een huisverbod opgelegd aan [appellant] voor de duur van tien dagen, te weten van 24 mei 2025 tot 3 juni 2025. Het huisverbod is gebaseerd op een door de hulpofficier van justitie opgesteld Risicotaxatie-instrument Huiselijk Geweld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4426
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Huisverbod
  • uitspraakin de zaak202505671/1/A3

202505838/1/A3

Bij besluit van 30 april 2024 heeft de burgemeester van Leeuwarden aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie heeft [appellant] gehandeld in drugs op straat. De burgemeester heeft hierop aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd om te voorkomen dat hij nogmaals handelt in strijd met artikel 2:74 van de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden. Volgens dit artikel is het verboden je op de openbare weg te begeven met de kennelijke bedoeling om in verdovende middelen te handelen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de burgemeester op basis van de bestuurlijke rapportage terecht heeft geconcludeerd dat aannemelijk is dat [appellant] artikel 2:74 van de APV heeft overtreden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4425
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202505838/1/A3

202600747/1/A2

Bij beslissing van 21 november 2025 heeft de directeur Fontys Sociale Studies het verzoek van [appellant] om schadevergoeding als gevolg van onrechtmatige beslissingen afgewezen. Bij beslissing van 12 februari 2026 heeft het college van bestuur van Fontys Hogeschool het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek opnieuw afgewezen. [appellant] volgt sinds het studiejaar 2015-2016 een lerarenopleiding Godsdienst aan de Fontys Hogeschool. Hij stelt zich op het standpunt dat hij studievertraging heeft opgelopen als gevolg van onrechtmatige beslissingen van de examencommissie. Hij wil dat het CvB de studievertraging vergoedt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4424
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Schadevergoeding
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600747/1/A2

202601039/1/A2

Bij beslissing van 10 oktober 2025 heeft de examencommissie van het Instituut Associate Degrees het door [appellant] ingeleverde werk voor de toets Assessment BIM-Modelleur, onderdeel van de cursus VT2 BIM2-modelleur, wegens plagiaat ongeldig verklaard en hem uitgesloten van deelname aan toetsen tot en met 31 januari 2026. [appellant] is deeltijdstudent bij de associate degree-opleiding Bouwmanagement aan de Hogeschool Utrecht. In het studiejaar 2024-2025 volgde hij de cursus VT2 BIM2-modelleur. Dit vak is onderdeel van zijn afstudeertraject. Onderdeel van dit vak was een stage bij een stagebedrijf. Aan het eind van die stage moest [appellant] een building information modeling model (BIM-model) inleveren met daarbij behorende tekeningen. Op 7 juli 2025 heeft de examinator bij de examencommissie melding gemaakt van een vermoeden van een onregelmatigheid in het door [appellant] ingeleverde werk. De examencommissie heeft het werk ongeldig verklaard en [appellant] uitgesloten van deelname aan toetsen gedurende twee blokken. Tijdens die periode mag hij wel deelnemen aan het onderwijs dat wordt gegeven. Het CBE heeft in administratief beroep die beslissing in stand gelaten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4399
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601039/1/A2

202601093/1/A2

Bij beslissing van 13 januari 2026 heeft de afdelingsmanager, namens het college, het verzoek van [appellant] tot toelating tot de beroepsopleidende leerweg (BOL-leerweg) facilitair medewerker niveau 2 afgewezen. Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft verzocht om toelating tot de BOL-leerweg facilitair medewerker niveau 2. Dat verzoek is bij het besluit van 13 januari 2026 afgewezen, omdat de rest van de groep studenten die start met deze BOL-opleiding een zeer kwetsbare doelgroep is van voornamelijk jonge vrouwen, en ook omdat [appellant] baat heeft bij meer begeleiding om een opleiding op mbo-niveau 2 te kunnen afronden. De afdelingsmanager acht de beroepsbegeleidende leerweg (BBL-leerweg) via een leertraject van MBO voor Professionals ( ‘De Tussenvoorziening’) daarom passender. In dit traject werken mensen die gespecialiseerd zijn in het begeleiden van volwassenen in de opleiding en het vinden van een passende plek op de arbeidsmarkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4398
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601093/1/A2

202601536/1/A2

Bij beslissing van 23 maart 2026 heeft de examencommissie van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid een verzoek van [appellant] om tentamen- en onderwijsvoorzieningen in verband met een functiebeperking gedeeltelijk toegewezen en voor het overige afgewezen. Bij beslissing van 23 april 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Universiteit Leiden het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt de masteropleiding Rechtsgeleerdheid. De beslissing van 23 maart 2026 houdt in dat [appellant] voorafgaand aan onderwijsbijeenkomsten slides ontvangt, voor zover dergelijke slides daadwerkelijk worden gebruikt, en dat hij daarnaast extra tijd krijgt voor presentaties en andere mondelinge toetsmomenten. Het CBE heeft het administratief beroep versneld behandeld en de examencommissie daarom toestemming gegeven om geen verweerschrift in te dienen. Het CBE heeft aan de beslissing van 23 april 2026 ten grondslag gelegd dat van examinatoren niet kan worden verlangd dat zij speciaal voor [appellant], voorafgaand aan onderwijsmomenten, docentvoorbereiding en (casus)uitwerkingen of daarmee vergelijkbare stukken, indien die niet bestaan, maken en verstrekken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4411
Datum uitspraak
29 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601536/1/A2

202505248/1/V2

Bij besluit van 26 mei 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 19 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. F. Aziz Maleki-Khodajoo, advocaat in Hoofddorp, hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4367
Datum uitspraak
28 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202505248/1/V2

BRS.26.002783

Bij besluit van 19 juli 2023 en heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4345
Datum uitspraak
28 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002783

BRS.26.003180

Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4244
Datum uitspraak
28 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003180

BRS.26.003578

Bij besluit van 19 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4343
Datum uitspraak
28 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003578

BRS.26.003656

Bij besluit van 8 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4360
Datum uitspraak
28 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003656

202406059/1/R1 en 202406059/2/R1

Bij besluit van 25 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar aan B.V. Beleggingsmaatschappij EMA een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een nieuw pand op het perceel Krebbesteeg 3 in Alkmaar. Op 25 januari 2023 is door het college aan EMA een omgevingsvergunning verleend voor de realisatie van een nieuw pand op het perceel Krebbesteeg 3 in Alkmaar. Het bouwplan voorziet in de realisatie van vier woningen. [verzoekster] woont op het naastgelegen perceel, [locatie]. Zij vreest met name voor afname van zonlicht op haar dakterras en in haar woning. Omdat EMA met de bouwwerkzaamheden is gestart, heeft [verzoekster] op 9 juni 2026 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. [verzoekster] betoogt dat de rechtbank miskent dat het college voor het afwijken van het bestemmingsplan ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4339
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202406059/1/R1 en 202406059/2/R1

202601644/1/R4

Bij besluit van 6 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat krachtens de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van 6.000 ton non-ferrometaalconcentraat van België naar Nederland. Overdie Fines is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het recyclen van non-ferrometalen uit afvalstoffen. Overdie Fines wil 6.000 ton non-ferrometaalconcentraat afnemen van Veolia Treatment & Recycling BE N.V. in België. Overdie Fines heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2026. Zij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening, omdat de geplande overbrenging en verwerking van het concentraat niet kunnen beginnen als gevolg van het besluit.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4340
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202601644/1/R4

202601646/1/R4

Bij besluit van 6 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat krachtens de Verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat van Finland naar Nederland. Overdie Fines is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het recyclen van non-ferrometalen uit afvalstoffen. Overdie Fines wil 4.500 ton non-ferrometaalconcentraat afnemen van NG Nordic Finland Oy. Het concentraat is een mengsel van non-ferrometalen, mineralen en slib. Dit mengsel is afkomstig uit bodemassen. Bodemassen komen vrij bij de verbranding van afval in afvalenergiecentrales en bevatten verschillende stoffen zoals ferro- en non-ferrometalen en mineralen die nuttig toegepast kunnen worden. NG Nordic zeeft, maalt en scheidt bodemassen in verschillende fracties zoals het non-ferroconcentraat. Overdie Fines heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2026. Zij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening, omdat de geplande overbrenging en verwerking van het concentraat niet kunnen beginnen als gevolg van het besluit.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4341
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202601646/1/R4

BRS.26.002753

Bij besluit van 11 juli 2024 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 november 2025 heeft de minister het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4327
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002753

BRS.26.003257

Bij besluit van 13 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. Bij besluit van 6 oktober 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 4 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4333
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003257

BRS.26.003280 en BRS.26.003281

Bij besluit van 24 januari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4354
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003280 en BRS.26.003281

BRS.26.003416en BRS.26.003761

Bij besluit van 7 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4355
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003416en BRS.26.003761

BRS.26.003517

Bij besluit van 19 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.N. Ali, advocaat in Almere, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4320
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003517

BRS.26.003546

Bij besluit van 3 april 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 8 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. D. de Heuvel, advocaat in Papendrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4326
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003546

BRS.26.003854

Bij besluit van 8 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4366
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003854

202502716/2/R4

Bij mailbericht, ingekomen op 20 juli 2026, heeft [verzoeker] een wrakingsverzoek ingediend in zaak nr. 202502716/1/R4. [verzoeker] stelt in zijn wrakingsverzoek: "Hierbij wraak ik uw gerecht wegens opzettelijk en zonder gronden weigeren van mijn (gemachtigde) verhinderdata tot 2x toe in aanmerking te nemen. Dit terwijl u voorafgaand aan de planning geen verhinderdata hebt opgevraagd". Dat belet volgens hem zijn toegang tot de rechter en wekt de schijn van partijdigheid. Hij stelt verder: "Ik heb geen vertrouwen in uw gerecht". De Afdeling laat het verzoek om wraking buiten behandeling. Het verzoek heeft namelijk niet specifiek betrekking op de persoon van de staatsraad die belast is met de behandeling van het hoger beroep van verzoeker.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4372
Datum uitspraak
27 juli 2026
  • Wraking
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202502716/2/R4

202503738/8/A2

Tijdens de zitting op 9 juli 2026 heeft [verzoeker] verzocht om wraking in zaak nr. 202503738/7/A2. Met de behandeling van die zaak is staatsraad mr. W. den Ouden als voorzieningenrechter belast. Verzoeker heeft aan zijn verzoek om wraking ten grondslag gelegd dat de rechtsbescherming versnipperd is en dat hij op grond van artikel 6 en artikel 13 van het EVRM recht heeft op toegang tot de rechter en een effectief rechtsmiddel. Volgens verzoeker is sprake van een rechtsbeschermingsvacuüm, omdat de Afdeling zich eerder onbevoegd heeft verklaard om van zijn hoger beroep kennis te nemen en de rechtbanken en gerechtshoven volgens hem niet luisteren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4319
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Wraking
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503738/8/A2

202601721/1/A2 en 202601721/2/A2

Bij besluit van 20 november 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen. [appellante] woont in een tweekamerwoning van 32 m2 in Amsterdam met haar drie minderjarige kinderen. Op 13 november 2025 heeft [appellante] een urgentieverklaring aangevraagd op medische gronden. Aan deze aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat zij als gevolg van de woonsituatie ernstige slaapstoornissen heeft ontwikkeld en medicatie moet gebruiken om te kunnen slapen en dat de woonsituatie ook een impact heeft op haar kinderen. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10.5, eerste lid, van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2024. Uit deze bepaling volgt dat het college een urgentieverklaring weigert als er sprake is van een van de in die bepaling genoemde situaties. De rechtbank heeft het beroep van [appellante] ongegrond verklaard. Zij is het hiermee niet eens. Haar hogerberoepsgronden komen er in de kern op neer dat geen van de drie algemene weigeringsgronden van toepassing zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4335
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202601721/1/A2 en 202601721/2/A2

BRS.26.002125

Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 22 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit neemt op de aanvraag met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4317
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002125

BRS.26.002303

Bij besluit van 23 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4259
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002303

BRS.26.002556

Bij besluit van 30 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4313
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002556

BRS.26.003265

Bij besluit van 13 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een opvolgende aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4262
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003265

BRS.26.003364

Bij besluit van 24 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid appellant opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4312
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003364

BRS.26.003409

Bij besluit van 18 november 2025 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 29 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4231
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003409

BRS.26.003545

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4311
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003545

BRS.26.003618

Bij besluit van 11 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4315
Datum uitspraak
24 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003618

202503646/4/R3

Bij besluit van 28 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan Plegt Bouw B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het toevoegen van zes extra appartementen aan een nog te bouwen appartementencomplex aan het Burgemeester de Beaufortplein 6, 10 en 11 in het centrum van Markelo. Op het perceel is het bestemmingsplan "Markelo, herziening Burgemeester Beaufortplein 6, 10 en 11", vastgesteld op 13 april 2021, van toepassing. Het college heeft eerder een vergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex met 26 appartementen op het perceel. Plegt Bouw heeft op 13 oktober 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend om zes appartementen extra toe te voegen aan dit appartementencomplex, zodat het appartementencomplex in totaal 32 appartementen krijgt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4257
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202503646/4/R3

202503651/4/R3

Bij besluit van 26 september 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hof van Twente aan Plegt Bouw B.V. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 26 appartementen aan het Burgemeester de Beaufortplein 6, 10 en 11 in het centrum van Markelo. Op het perceel is het bestemmingsplan "Markelo, herziening Burgemeester Beaufortplein 6, 10 en 11", vastgesteld op 13 april 2021, van toepassing. Plegt Bouw heeft op 2 augustus 2023 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor de activiteit bouwen op het perceel. Het bouwplan bestaat uit 26 appartementen. Naast de vergunning voor de bouw van deze 26 appartementen, heeft het college bij besluit van 28 juni 2024 aan Plegt Bouw ook een omgevingsvergunning verleend voor 6 extra appartementen op het perceel in afwijking van het bestemmingsplan, zodat het appartementencomplex in totaal 32 appartementen krijgt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4258
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202503651/4/R3

202602173/1/A2

Het verzoek ziet op de beslissing van de examinator van de opleiding AD Sociaal Werk van 13 april 2026, waarbij hij de opdracht van [verzoekster] voor het vak Beroepsproduct 3 heeft beoordeeld met het cijfer 5,3. [verzoekster] verzoekt de voorzieningenrechter een voorziening te treffen inhoudende dat de opleiding hangende administratief beroep de door haar ingeleverde opdracht voor het vak Beroepsproduct 3 opnieuw beoordeeld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4338
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202602173/1/A2

BRS.26.002529

Bij besluit van 28 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld en de termijn van deze maatregel van bewaring verlengd met ten hoogste twaalf maanden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4240
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002529

BRS.26.003163

Bij besluit van 16 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4310
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003163

BRS.26.003186

Bij besluit van 1 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4251
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003186

BRS.26.003330

Bij besluit van 25 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4248
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003330

BRS.26.003385

Bij besluiten van 11 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4249
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003385

BRS.26.003417

Bij besluit van 8 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4250
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003417

BRS.26.003540

Bij besluiten van 27 januari 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hen verleende gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid, afgewezen. Bij besluiten van 3 september 2025 heeft de minister de daartegen door verzoekers gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraken van 26 mei 2026 heeft de rechtbank de daartegen door verzoekers ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de gemaakte bezwaren neemt met inachtneming van de uitspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4331
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003540

BRS.26.003655

Bij besluit van 4 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4241
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003655

BRS.26.003760

Bij besluit van 16 januari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 16 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4328
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003760

202505979/1/A3 en 202505979/2/A3

Bij besluit van 30 april 2024 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Groningen bij [verzoeker] een dwangsom van € 52.000,00 ingevorderd. Bij besluit van 22 april 2025 is het college bij het besluit tot invordering gebleven, maar heeft het te vorderen bedrag gematigd tot € 5.000,00. Bij uitspraak van 7 november 2025 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het hoger beroep richt zich tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 7 november 2025. [verzoeker] heeft de voorzieningenrechter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college tot invordering van de verbeurde dwangsom mocht overgaan. [verzoeker] betoogt in hoger beroep dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij wel aan de last heeft voldaan, omdat tijdig is herplant. De voorzieningenrechter is het eens met het oordeel van de rechtbank en de in de onder 7 tot en met 7.2 van de uitspraak opgenomen overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4515
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Mondelinge uitspraak
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202505979/1/A3 en 202505979/2/A3

202601387/3/A3

[appellant] heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van het college van burgemeester en wethouders van Noordoostpolder van 22 april 2026. Het college heeft de vertrouwelijke versie van één gedingstuk overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Awb medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van dit stuk.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4318
Datum uitspraak
23 juli 2026
  • Geheimhoudingsbeslissing
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202601387/3/A3

202500053/2/R3

Bij besluit van 12 november 2024 heeft de raad van de gemeente Noordwijk het bestemmingsplan "Correctie Zeewaardig, fase 3" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van onder meer appartementen en commerciële ruimten mogelijk op de locaties "Gat van Palace" en "Esplanade" in Noordwijk. Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate hebben gronden in de nabijheid van deze locaties in eigendom. Zij zijn het niet eens met de ruimere bouwmogelijkheden die dit bestemmingsplan biedt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan "Zeewaardig". Op 12 september 2025 heeft Zinger Noordwijk een omgevingsvergunning gevraagd voor het bouwen van 76 appartementen, commerciële ruimten en een ondergrondse parkeergarage in het plangebied. Het omgevingsplan maakt dit bouwplan slechts mogelijk met toepassing van binnenplanse afwijkingsbevoegdheden zoals die in het bestemmingsplan zijn opgenomen. Bij besluit van 23 april 2026 heeft het college de omgevingsvergunning verleend. Daarop hebben Résidence Le Mistral en La Riva Real Estate de voorzieningenrechter gevraagd om het bestemmingsplan dat deel is gaan uitmaken van het tijdelijke deel van omgevingsplan te schorsen totdat op de beroepen tegen dat bestemmingsplan is beslist in de bodemprocedure.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4252
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202500053/2/R3

202502332/1/R4 en 202502332/3/R4

Bij besluit van 30 januari 2025 heeft de raad van de gemeente West Maas en Waal het bestemmingsplan "Dreumel Industrieweg" vastgesteld. Het bestemmingsplan biedt het juridisch-planologisch kader voor de herontwikkeling van de locatie Industrieweg te Dreumel waar een kleinschalig bedrijventerrein ligt. Er zullen maximaal 65 woningen worden gebouwd. Een deel van het bedrijvencluster zal worden gesloopt en een beperkt deel blijft gehandhaafd als bedrijfsperceel. Dit geldt ook voor het perceel van D&K Electronics B.V., dat is gevestigd aan de Wilhelminastraat 19, aan de zuidoostzijde van het plangebied.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4100
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202502332/1/R4 en 202502332/3/R4

202503359/1/R1 en 202503359/2/R1

Bij besluit van 17 april 2025 heeft de raad van de gemeente Echt-Susteren het bestemmingsplan "Landgoed De Bongerd" vastgesteld. Het plangebied heeft een oppervlakte van bijna 13 hectare en ligt in het zuiden van Echt, tussen de stedelijke bebouwing van Echt aan de noordzijde en de weg naar Ophoven aan de zuidzijde. Aan de west- en oostzijde grenst het plangebied aan agrarische percelen. De gronden van het plangebied liggen gegroepeerd rond de Molenbeek. [partij] is de initiatiefnemer van het plan. Aanleiding voor het plan is het voornemen van [partij] om de agrarische percelen binnen het plangebied om te vormen naar een nieuw agrarisch landgoed met een zogenoemd voedselbos. De gronden hebben met het plan de enkelbestemmingen "Agrarisch met waarden - Landschapswaarden" en "Agrarisch - Landgoed" gekregen. [verzoeker] pacht gronden ten zuiden van het plangebied. Hij exploiteert daar een agrarisch bedrijf. Tussen het plangebied en de agrarische percelen die [verzoeker] exploiteert, ligt alleen de weg naar Ophoven. Hij vreest voor beperkingen aan zijn agrarische bedrijfsvoering door de ontwikkeling die het plan mogelijk maakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4071
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • RO - Limburg
  • uitspraakin de zaak202503359/1/R1 en 202503359/2/R1

202601187/2/A3 en 202601201/2/A3

Bij vier deelbesluiten van 14 oktober 2022, 30 november 2022, 30 januari 2023 en 13 maart 2023 heeft de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het verzoek van BCW om informatie over transvaginale bekkenbodemmatjes/mesh (TVM) gedeeltelijk toegewezen. Ethicon en Coloplast produceren medische hulpmiddelen, waaronder in het verleden ook TVM. BCW wil onderzoek doen naar hoe de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd is omgegaan met klachten van vrouwen over het gebruik van TVM. Om die reden heeft zij de minister verzocht om de informatie daarover openbaar te maken. Dat heeft de minister gedeeltelijk gedaan. Heel kort samengevat vindt Ethicon dat de minister minder informatie openbaar moet maken en wil BCW juist meer informatie. Ethicon verzoekt om te wachten met de openbaarmaking van documenten totdat de Afdeling op haar hoger beroep en beroep van rechtswege tegen het nieuwe besluit op bezwaar heeft beslist. Openbaarmaking van de documenten leidt volgens Ethicon tot onomkeerbare gevolgen terwijl de Afdeling nog inhoudelijk moet oordelen over de juistheid van de uitspraak van de rechtbank en het naar aanleiding daarvan genomen nieuwe besluit op bezwaar.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4253
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Openbaarheid
  • uitspraakin de zaak202601187/2/A3 en 202601201/2/A3

202601865/1/A3 en 202601865/2/A3

Bij besluit van 7 november 2025 heeft de korpschef van politie de aan [bedrijf] verleende toestemming om [wederpartij] beveiligingswerkzaamheden voor haar te laten verrichten, ingetrokken. Op 6 juni 2025 is aan [bedrijf] toestemming verleend om [wederpartij] als steward beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten. De korpschef heeft deze toestemming op 7 november 2025 ingetrokken op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, omdat volgens hem de betrouwbaarheid van [wederpartij] niet langer boven iedere twijfel is verheven. De korpschef baseert dit op het feit dat [wederpartij] op 15 oktober 2025 heeft gehandeld in vapes en op 18 september 2025 was aangetroffen met 25 dozen vapes in zijn auto. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft [wederpartij] erkend dat hij op 18 september 2025 handelde in vapes. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef had moeten volstaan met een waarschuwing.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4221
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Beveiligingswerkzaamheden
  • uitspraakin de zaak202601865/1/A3 en 202601865/2/A3

202601870/2/A2

Bij e-mailbericht van 6 januari 2026 heeft het college van bestuur van Tilburg University aan [verzoeker] meegedeeld niet mee te willen werken aan het verzoek om te faciliteren dat zijn collegegeld door The United States Department of Veterans Affairs (USDVA) wordt voldaan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4238
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601870/2/A2

BRS.26.003127

Bij besluit van 11 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4237
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003127

BRS.26.003220

Bij besluit van 13 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4232
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003220

BRS.26.003277

Bij besluit van 22 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4228
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003277

BRS.26.003286

Bij besluit van 12 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4233
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003286

202200426/4/R3

De gemeenteraad van Hengelo heeft de tekortkomingen in het bestemmingsplan 'Vooroorlogse wijken, omgeving Heemafterrein-Bornsestraat' succesvol hersteld. Dit betekent dat op een deel van het voormalige Heemafterrein in Hengelo een veertig meter hoge woontoren met 72 appartementen en 22 grondgebonden woningen mogen komen. Erfgoedvereniging Bond Heemschut, Stichting Erfgoed Hengelo, een Vereniging van Eigenaren van een appartementencomplex en Stichting ’t Neutje waren tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat het bestemmingsplan onvoldoende recht doet aan de cultuurhistorische waarden van de omgeving en de monumentale oude begraafplaats die daarnaast ligt. In december 2024 deed de Afdeling bestuursrechtspraak al een zogenoemde tussenuitspraak in deze zaak, waarin zij oordeelde dat het bestemmingsplan enkele gebreken bevat bij het hanteren van de parkeernorm en in het zogenoemde bezonningsonderzoek. Ook is onduidelijk of de gemeenteraad de adviezen van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed heeft betrokken bij het vaststellen van het bestemmingsplan, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij droeg de gemeenteraad dan ook op om deze tekortkomingen binnen 26 weken te herstellen. In april 2025 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan hierop aangepast. In de einduitspraak van vandaag oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak dat de gemeenteraad erin is geslaagd om de geconstateerde tekortkomingen in het plan te herstellen. Zij verklaart de bezwaren tegen het zogenoemde 'herstelbesluit' dan ook ongegrond. Dit betekent dat het bestemmingsplan voor de bouw van in totaal 94 woningen op het voormalige Heemafterrein in Hengelo nu definitief is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4275
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202200426/4/R3

202204834/1/A3

Bij besluiten van 21 april 2021 en 6 oktober 2021 heeft de korpschef verzoeken van [appellant] om rectificatie van politiegegevens afgewezen. Een medewerker van de politie heeft twee e-mails van [appellant] in het politiesysteem BVH opgeslagen met de vermelding ‘(Dreig)mail’. Verder heeft een medewerker van de politie de projectcode ‘corona’ gekoppeld aan een BVH-registratie waarin politiegegevens van [appellant] zijn verwerkt. [appellant] heeft op grond van de Wet politiegegevens verzocht om wijziging van deze vermelding en om verwijdering van de projectcode. De korpschef heeft deze verzoeken bij afzonderlijke besluiten afgewezen. De rechtbank heeft de door [appellant] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.[appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten om te controleren of de feitelijke kwalificatie van de e-mail als ‘(Dreig)mail’ klopt. Ook voert hij aan dat er geen ‘effective remedy’ is omdat meningen en indrukken niet voor rectificatie vatbaar zijn, terwijl die meningen en indrukken in strafrechtelijke procedures tegen hem gebruikt worden als feiten omdat mutaties op ambtseed zijn opgemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4298
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Politiegegevens
  • uitspraakin de zaak202204834/1/A3

202206419/1/R4, 202206420/1/R4 en 202206421/1/R4

De toenmalige minister van Economische Zaken en Klimaat heeft de aanvraag van Vermilion Energy om de geldigheidsduur te verlengen van de opsporingsvergunning voor het gebied Utrecht terecht alsnog afgewezen. Sinds 2007 had Vermilion deze vergunning die het bedrijf het alleenrecht geeft om in dat gebied koolwaterstoffen, zoals aardgas, op te sporen. In november 2018 verliep de vergunning. De minister verlengde in maart 2021 in eerste instantie de geldigheidsduur van de vergunning, maar kwam daar later van terug na een uitspraak van de rechtbank. De minister wees de aanvraag alsnog af, omdat de minister tot de conclusie was gekomen dat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning niet meer verlengd kon worden, omdat de geldigheidsduur op dat moment al verstreken was. Volgens Vermilion is dat niet terecht en kan de minister ook na afloop van de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning besluiten om deze te verlengen. Vermilion stelt zich bovendien op het standpunt dat de vergunning niet is vervallen, maar dat alleen de geldigheidsduur is verlopen. Vermilion krijgt van de Afdeling bestuursrechtspraak geen gelijk. Voor ontgrondingenvergunningen heeft de hoogste algemene bestuursrechter al eens eerder overwogen dat een vervallen vergunning niet kan worden verlengd. Zij ziet “in het stelsel van de Mijnbouwwet geen aanleiding om te oordelen dat dit anders is voor een vervallen opsporingsvergunning”. De Afdeling bestuursrechtspraak merkt in de uitspraak nog op dat als er al een verschil zou zijn tussen het verlopen en het vervallen van een vergunning, vaststaat dat de geldigheidsduur van de opsporingsvergunning verlopen is en dat deze niet kan worden verlengd. Of de vergunning ook vervallen is, is daarom niet relevant. Omdat de minister op het moment van het nemen van het besluit in maart 2021 niet langer bevoegd was om de opsporingsvergunning te verlengen, kon de minister niet toekomen aan een belangenafweging. Dat betekent dat de minister ook niet op grond van het evenredigheidsbeginsel de vergunning kon verlengen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4305
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Milieu - Overige
  • uitspraakin de zaak202206419/1/R4, 202206420/1/R4 en 202206421/1/R4

202303216/1/R4

Bij twee afzonderlijke besluiten van 16 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilversum aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] een last onder dwangsom opgelegd om het gebruik van de bedrijfswoning op het perceel [locatie 1] in Hilversum voor burgerbewoning in strijd met het bestemmingsplan te beëindigen en beëindigd te houden. Op het perceel is het dierenasiel van Crailo gevestigd, waarvan [appellant sub 1] tussen 1982 en 2017 onder meer beheerder en directeur was. Ter vervanging van een op het perceel aanwezige dienstwoning, is voor de bouw van de huidige bedrijfswoning op het perceel op 28 oktober 2002 een omgevingsvergunning verleend aan Crailo. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn beiden eigenaar van de bedrijfswoning. [appellant sub 1] woont in de bedrijfswoning sinds de bouw daarvan in 2003. [appellant sub 2] heeft ook in de bedrijfswoning gewoond, maar is een aantal jaar geleden verhuisd. Hoewel [appellant sub 1] sinds juni 2017 niet meer in dienst is bij Crailo, is hij met zijn kinderen in de bedrijfswoning op het perceel blijven wonen. Sindsdien hebben Crailo en [appellant sub 1] onderling meerdere juridische procedures met elkaar gevoerd die onder andere hebben geleid tot het verzoek van Crailo om handhavend op te treden tegen het gebruik van de bedrijfswoning als burgerwoning door [appellant sub 1] en [appellant sub 2]. Naar aanleiding hiervan heeft het college aan [appellant sub 1] en [appellant sub 2] de lasten onder dwangsom opgelegd waarom het in deze zaak draait.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4300
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202303216/1/R4

202305313/1/R4

In het besluit van 29 juni 2023 heeft de raad van de gemeente Nunspeet het bestemmingsplan "Functieverandering omgeving Veelhorsterweg 21/23" vastgesteld. Het plan maakt met de bestemming "Wonen" mogelijk dat op een nu grotendeels onbebouwd perceel aan de westzijde van de Veelhorsterweg 21 en 23 in het buitengebied van Nunspeet een burgerwoning kan worden gerealiseerd. Ook staat het plan bijgebouwen toe bij de bestaande woning en de nieuwe woning, en voorziet het plan in een landschappelijk inrichtingsplan. [partij] is de initiatiefnemer van het plan en is bereid zijn gronden aan de Bovenweg te verkopen aan de gemeente als medewerking wordt verleend aan het plan. [appellant A] woont aan de [locatie 1]. [appellant B] woont aan de [locatie 2]. [appellanten] kunnen zich niet verenigen met het plan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4289
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202305313/1/R4

202305427/1/R2

Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft de natuurvergunning voor het muziekfestival ‘Lentekabinet’ voor de periode van 2022 tot 2026 terecht verleend. Lentekabinet is een jaarlijks muziekfestival van twee dagen in recreatiegebied Het Twiske. Het Twiske ligt in het Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’. Stichting Hart voor het Twiske kwam tegen de natuurvergunning in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak, omdat zij vindt dat de zogenoemde passende beoordeling die ten grondslag ligt aan de natuurvergunning, niet deugt. Daarom had de provincie volgens haar de vergunning voor het festival niet mogen verlenen. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak geeft de stichting geen gelijk. Zij oordeelt in haar uitspraak van vandaag dat het college van gedeputeerde staten de passende beoordeling ten grondslag mocht leggen aan de verlening van de natuurvergunning. Zo is in de passende beoordeling voldoende 'daadkrachtig onderbouwd' dat een tijdelijke verstoring van de vogels niet leidt tot blijvende gevolgen voor het Natura 2000-gebied als leefgebied voor de vogels, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij verklaart het hoger beroep van de stichting dan ook ongegrond. Hoewel de natuurvergunning was verleend voor de periode van 2022 tot 2026, kan deze uitspraak nog van betekenis zijn voor de toekomst. Er is namelijk een aanvraag ingediend voor een nieuwe natuurvergunning voor het houden van het festival vanaf 2027.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4266
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Natuurbescherming
  • uitspraakin de zaak202305427/1/R2

202306494/1/R2

De stichting heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig bekendmaken van een volgens hen van rechtswege gegeven omgevingsvergunning. Op 6 december 2022 heeft de stichting een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van vier sport- en speeltoestellen (een survivalrunbaan) met een maximumhoogte van 2,5 meter op het bosperceel met nr. B-1049 aan de Dongensebaan in Teteringen. Op 21 april 2023 heeft het college, nadat de beslistermijn op 16 februari 2023 is verlengd en op 29 maart 2023 met instemming van de stichting is opgeschort, aan de stichting medegedeeld dat ook een omgevingsvergunning is vereist voor het afwijken van het bestemmingsplan en dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure op de aanvraag van toepassing is. De stichting is het daar niet mee eens en vindt dat de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is op de aanvraag.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4303
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202306494/1/R2

202307520/1/R2

Bij besluit van 26 september 2023 heeft de raad van de gemeente Oirschot het bestemmingsplan "Verbindingsweg Kempenweg - Eindhovensedijk" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de aanleg van een verbindingsweg met een lengte van ongeveer 1,4 km tussen de Kempenweg, de randweg van Oirschot, en de Eindhovensedijk, ten zuiden van de kern van Oirschot. De verbindingsweg is direct ten noorden van en grotendeels evenwijdig aan de A58 voorzien en is grotendeels voorzien binnen het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Ter compensatie van het verlies van het NNB voorziet het plan op een afstand van ongeveer 900 m ten oosten van de aansluiting van de verbindingsweg op de Eindhovensedijk in nieuw aan te leggen natuur. Het doel van de Vereniging Buurtgroep de Kemmer is het beschermen en verbeteren van de leefbaarheid, bereikbaarheid, veiligheid en welzijn van de bewoners en particuliere grondeigenaren van De Kemmer in Oirschot. [appellant] woont aan de [locatie] in Oirschot en heeft grenzend aan zijn woonperceel ook een bosperceel in eigendom. Zijn percelen liggen aan de noordzijde van het plangebied.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4280
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202307520/1/R2

202307801/1/R1

Bij besluit van 16 september 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Aalsmeer aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een aanbouw met dakterras en het plaatsen van een dakopbouw aan de [locatie] in Aalsmeer. [appellant] woont hiernaast en is het niet eens met dit dakterras, omdat dit volgens hem een onevenredige inbreuk op zijn privacy vormt. Vanaf het dakterras kun je namelijk zijn woning inkijken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4276
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202307801/1/R1

202307844/1/R3

Bij brief van 21 april 2022 heeft het college van burgemeesters en wethouders van Leeuwarden het verzoek van [appellant] met als onderwerp ‘aanvraag wijziging tenaamstelling ligplaatsvergunning’ afgewezen.[appellant] is eigenaar van een perceel in Warten, dat voor een deel bestaat uit water. Een klein hoekje van dit perceel valt binnen de functieaanduiding "Specifieke vorm van water - recreatie-ark" uit het bestemmingsplan "Leeuwarden - Arken en woonschepen". Deze aanduiding voorziet in een ligplaats voor een recreatie-ark [partij A] en [partij B] hebben hun recreatie-ark liggen op de plek van de aanduiding. [appellant] wil de ligplaats graag innemen en heeft hierover een verzoek ingediend bij het college. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de eigen reactie op het verzoek van [appellant] in het besluit op bezwaar ten onrechte als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangemerkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4278
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202307844/1/R3

202307846/1/R3

Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam aan Stichting Administratiekantoor medegedeeld dat aan haar een omgevingsvergunning van rechtswege is verleend voor de huisvesting van arbeidsmigranten in het pand aan de Zekkenstraat 31-33 in Hoek van Holland. Stichting Administratiekantoor is eigenaar van het pand op het bedrijventerrein ‘De Zekken’. De kantoorruimte in het pand wil zij gebruiken voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten. Ondernemersvereniging Hoek van Holland wil niet dat op het bedrijventerrein woonfuncties worden toegevoegd. Zij vreest namelijk dat de toekomstige bewoners van het pand zullen klagen over geluidsoverlast door de bedrijven op het bedrijventerrein. Ook Autobedrijf Schalkoort B.V., dat is gevestigd op hetzelfde bedrijventerrein, vreest daarvoor.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4267
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202307846/1/R3

202402337/1/R3

Bij besluit van 8 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Wolden de aanvraag van [appellante] om een tijdelijke omgevingsvergunning voor een periode van vijf jaar voor het huisvesten van maximaal 100 arbeidsmigranten in de recreatieverblijven van het recreatiecentrum Van Harte aan de [locatie] in Echten afgewezen. [appellante] huurt de recreatiebungalows en groepsverblijven op het recreatiepark van Van Harte Beheer B.V.. De grond van het recreatiepark is in eigendom van Staatsbosbeheer. Stichting Recreatiecentrum van Harte (Van Harte) heeft een erfpachtovereenkomst gesloten met Staatsbosbeheer voor het gebruik van de gronden. [appellante] wil arbeidsmigranten op het recreatiepark huisvesten voor vijf jaar. Dat is op grond van de ter plaatse geldende beheersverordening "Buitengebied" niet toegestaan. Daarom heeft [appellante] een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor het afwijken van het bestemmingsplan. Op 8 november 2021 heeft het college geweigerd om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo te verlenen. Het college acht het tijdelijk huisvesten van arbeidsmigranten op het recreatiepark niet wenselijk voor de ontwikkeling van het recreatiepark.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4270
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202402337/1/R3

202402362/1/R3

Bij besluit van 8 april 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag Javis onder aanzegging van bestuursdwang gelast om de bouwwerkzaamheden op het perceel Cederstraat 31 in Den Haag te staken en gestaakt te houden totdat de benodigde omgevingsvergunning is verleend. Javis is eigenaar en verhuurder van het perceel. Op de begane grond bevindt zich een garagebedrijf en op de eerste en tweede verdieping aan de straatzijde van het gebouw zijn bovenwoningen aanwezig. Naar aanleiding van meerdere meldingen van overlast en schade heeft een inspecteur van de gemeente op 29 maart 2021 geconstateerd dat Javis bouwwerkzaamheden in de garage uitvoerde zonder omgevingsvergunning. Voor het vervangen van de garagevloer zijn 28 heipalen de grond in geslagen, waardoor het gaat om een constructieve wijziging van de garagevloer. De inspecteur heeft de werkzaamheden op 29 maart 2021 per direct stilgelegd. Omdat de bouwwerkzaamheden zonder omgevingsvergunning werden uitgevoerd, heeft het college een last onder bestuursdwang opgelegd. Javis is het niet eens met de aan haar opgelegde last onder bestuursdwang. Volgens haar was voor de bouwwerkzaamheden geen omgevingsvergunning vereist.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4290
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202402362/1/R3

202403858/1/R4

In het besluit van 23 april 2024 heeft de raad van de gemeente Buren het bestemmingsplan "Ingen, Nieuwe Weg ong." vastgesteld. Het plan maakt een vrijstaande woning mogelijk op het perceel aan de Nieuwe Weg in Ingen naast [locatie 1]. [partij] is de initiatiefnemer en mede-eigenaar van het perceel. [appellant] woonde aan de [locatie 2] in Ingen, gelegen tegenover het plangebied. [appellant] is het niet eens met de vaststelling van het plan. [appellant] voert aan dat het plan in strijd met het Woningprogramma 2020-2030 is vastgesteld. Volgens hem is de doelstelling voor het aantal nieuwe grondgebonden woningen in buurtschap Hoogkana al bereikt, waardoor er volgens het Woningprogramma geen ruimte is voor een extra woning op de planlocatie. Daarnaast voert [appellant] aan dat woningen onder het Woningprogramma uiterlijk in 2021 aangemeld hadden moeten worden, terwijl voor dit plan pas in november 2022 principe medewerking is verleend.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4292
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202403858/1/R4

202405577/1/R2

Bij besluit van 16 augustus 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Boxtel een verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen geparkeerde voertuigen op het perceel [locatie 1] in Boxtel afgewezen. [appellant] woont op [locatie 2] in Boxtel. Hij heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van een carport en het parkeren van voertuigen op het perceel [locatie 1]. Het college heeft het verzoek afgewezen voor zover het ziet op het parkeren van een voertuig in de voortuin. Voor zover het ziet op het bouwen van de carport zonder omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan heeft het college een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaren van het perceel [locatie 1], namelijk [partij A] en [partij B]. [partij A] en [partij B] hebben vervolgens de carport verwijderd. [appellant] heeft daarna het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen van een nieuwe carport en tegen het parkeren van voertuigen op het achtererf van het perceel [locatie 1]. Het college heeft dit verzoek afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4277
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202405577/1/R2

202406048/1/A3

Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het college van procureurs-generaal een verzoek van [appellant] om inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens op grond van de Wet politiegegevens (Wpg) toegewezen. [appellant] heeft op 20 september 2021 een verzoek bij de rijksrecherche ingediend om inzage in zijn persoon betreffende politiegegevens als bedoeld in artikel 25 van de Wpg. Op grond van artikel 1, aanhef en onder f, sub 2, van de Wpg is de verwerkingsverantwoordelijke bij de rijksrecherche het college. Het college heeft aanvankelijk bij besluit van 11 oktober 2021 medegedeeld dat er geen persoonsgegevens van [appellant] zijn verwerkt. Bij besluit van 18 februari 2022 heeft het college het verzoek alsnog toegewezen en [appellant] inzage gegeven in registraties uit het onderzoeksdossier van de strafzaak ‘[strafzaak].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4287
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • Politiegegevens
  • uitspraakin de zaak202406048/1/A3

202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.

Deze uitspraak heeft betrekking op twee hoger beroepen, twee verzoeken om herziening en één verzet waarin [appellant] onderscheidenlijk appellant, verzoeker en opposant is. De hoger beroepen, de verzoeken om herziening en het verzet zijn op verschillende momenten ingediend. De hoger beroepen zijn gericht tegen afzonderlijke uitspraken van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025 in gedingen over rechtsbijstand, waarbij de raad verweerder is. In het verzoek om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 28 mei 2025 gaat het onderliggende geschil over een vermeend verzoek aan het Openbaar Ministerie van het parket Oost-Nederland op grond van de Wet open overheid. In het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023 gaat het onderliggende geschil over de afwijzing door de raad van een verzoek om schadevergoeding.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4294
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Herziening
  • Hoger beroep
  • Openbaarheid
  • Rechtsbijstand
  • uitspraakin de zaak202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.

202406442/1/R3

Bij besluit van 24 september 2024 heeft de raad van de gemeente Wierden het bestemmingsplan "Wierden Centrum, herziening Burgemeester J.C. van den Bergplein 32" vastgesteld. Het plan heeft betrekking op het perceel aan het Burgemeester van den Bergplein 32 in Wierden. Dit perceel is in eigendom van de Hervormde Gemeente Wierden. Op het perceel staan een voormalige pastoriewoning en bijbehorende bebouwing. Stichting Aveleijn wil hier in samenwerking met de Hervormde Gemeente Wierden een woonzorgvoorziening realiseren voor 32 bewoners met een verstandelijke beperking. [appellant] vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat doordat het perceel als gevolg van het plan veel intensiever zal worden gebruikt. [appellant] betoogt dat zijn woon- en leefklimaat wordt aangetast doordat het perceel waarop thans één pastoriewoning staat door tientallen bewoners met uiteenlopende problematieken bewoond zal worden. Hij vreest dat dit zal leiden tot geluidsoverlast en overige hinder.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4269
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202406442/1/R3

202406931/1/R1

Bij besluit van 8 oktober 2024 heeft het college voor het bestemmingsplan "Hoofddorp Hoofdweg 875" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder vastgesteld. Het plan maakt maximaal zeven woningen mogelijk op het perceel Hoofdweg 875 in Hoofddorp. Eén daarvan is een bestaande woning. De omgevingsvergunning is verleend voor de bouw van zes woningen op dit perceel. ROW Vastgoed is initiatiefnemer van deze ontwikkeling. Het plan ligt binnen de geluidszone van de Hoofdweg oostzijde (N520) en de Hoofdweg westzijde. Bij één woning wordt de grenswaarde overschreden. Om dat toch mogelijk te maken heeft het college een hogere grenswaarde vastgesteld. De maatschap exploiteert een onderneming voor de teelt van snijbloemen en snijheesters op het perceel aan de [locatie] dat grenst aan het plangebied. De maatschap kan zich niet met het plan verenigen, omdat het volgens haar zal leiden tot een belemmering in haar bedrijfsvoering. [maat A] en [maat B] wonen ook aan de [locatie].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4279
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Geluid
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202406931/1/R1

202407951/1/R2

Bij besluit van 19 september 2024 heeft de raad van de gemeente Alphen-Chaam het bestemmingsplan "De Werf, Chaam" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in de bouw van 18 woningen op een inbreidingslocatie tussen de Horst en de Kapelstraat in Chaam. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] vrezen voor verkeers- en parkeerhinder doordat het bestemmingsplan een ontsluiting via de thans doodlopende Horst mogelijk maakt. Deze zogenoemde doorsteek ligt direct voor hun woningen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de ontsluiting van het plangebied is voorzien via de thans doodlopende straat Horst. Het extra verkeer in de Horst, langs de speeltuin, zal leiden tot gevaarlijke situaties. Bovendien zal een sluiproute ontstaan voor verkeer dat de drukke N639 wil vermijden, aldus [appellant sub 1] en [appellant sub 2].

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4268
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202407951/1/R2

202500140/1/R4

Bij besluit van 12 oktober 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Soest geweigerd om aan [appellant] een omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van een zomereik aan de [locatie] in Soest. [appellant] woont aan de [locatie] in Soest. In zijn achtertuin staat een zomereik. [appellant] wil deze boom kappen. Hij stelt dat het formaat van de boom niet in verhouding staat tot de grootte van zijn achtertuin, de boom niet stabiel is en veel overlast veroorzaakt. Het college heeft geweigerd om de omgevingsvergunning te verlenen, omdat de zomereik een beeldbepalende functie heeft door zijn omvang en leeftijd. Ook is de boom volgens het college goed zichtbaar vanaf de openbare weg en zal het verwijderen van de boom een gat met zich brengen. De rechtbank heeft het hiertegen door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. [appellant] kan zich hier niet in vinden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4282
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Kapvergunningen
  • uitspraakin de zaak202500140/1/R4

202500298/1/R2

Bij besluit van 13 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Land van Cuijk [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan exploiteren van een bed and breakfast (B&B) in een gedeelte van hun woonhuis aan de [locatie] in Cuijk. [appellant A] en [appellant B] zijn eigenaren van de woning aan de [locatie] in Cuijk en exploiteren een B&B in een gedeelte van de woning. Op het perceel is op grond van het bestemmingsplan "Cuijk, Heeswijkse Kampen 2014" het huisvesten van één huishouden toegestaan. Bij besluit van 23 mei 2022 heeft het college [appellant A] en [appellant B] een last onder dwangsom opgelegd vanwege het zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van een deel van de kelder van de woning voor recreatief nachtverblijf. [appellant A] en [appellant B] dienen het gebruik van de woning anders dan voor de huisvesting van één huishouden na 10 juli 2022 te beëindigen en beëindigd te houden op last van een dwangsom van € 1.650,00 per geconstateerde overtreding, met een maximum van € 9.900,00. Dit besluit is onherroepelijk geworden. In de periode van 11 juli 2022 tot 1 mei 2023 heeft het college 22 overtredingen geconstateerd en is vervolgens overgegaan tot invordering van verbeurde dwangsommen van € 9.900,00.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4272
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202500298/1/R2

202500616/1/A2

Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd, omdat hij volgens informatie van de politie in de nacht van 18 op 19 juli 2024 is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcohol. Er is bij hem een ademalcoholgehalte gemeten van 675 µg/l. Een EMA is een verplichte cursus waarbij de cursist bewust wordt gemaakt van de risico’s van alcohol in het verkeer. De kosten van een EMA moet de cursist zelf betalen. Op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat [appellant], om weer in het bezit te komen van een rijbewijs, is begonnen met de EMA en deze bijna heeft afgerond. Hij heeft belang bij deze procedure, omdat de EMA volgens hem ten onrechte is opgelegd en hij een schadevergoeding wenst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4265
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202500616/1/A2

202501723/1/A3

Bij besluit van 14 maart 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nuenen de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning afgewezen. [appellant] heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een tweede uitweg bij zijn woning aan de [locatie] in Nuenen. Het college heeft deze aanvraag geweigerd omdat dit ten koste gaat van de groenvoorzieningen. [appellant] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Het college heeft zijn standpunt in bezwaar gehandhaafd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de omgevingsvergunning op grond van artikel 2.12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Nuenen c.a. 2020 heeft mogen weigeren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4263
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202501723/1/A3

202502858/1/A3

Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 13.500,00. Bij een inspectie op 5 november 2022 hebben twee inspecteurs van de Nederlandse Arbeidsinspectie geconstateerd dat een 12-jarig kind bij [appellante] arbeid verrichtte. Dat is een overtreding van artikel 3:2, eerste lid, van de Arbeidstijdenwet. De arbeidsinspecteurs hebben een verklaring van het kind afgenomen en de eigenaar van [appellante] bevolen de arbeid van het kind te staken. De inspecteurs hebben verder op basis van eigen waarnemingen en gesprekken met de vennoot en medewerkers van [appellante] geconstateerd dat [appellante] geen deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden heeft bijgehouden. Dit is een overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw. De inspecteurs hebben op 15 september 2023 een boeterapport opgesteld. De boete is volgens de rechtbank ook terecht berekend aan de hand van de Beleidsregel boeteoplegging Arbeidstijdenwet en Arbeidstijdenbesluit 2013 en is niet onevenredig.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4304
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Boete
  • uitspraakin de zaak202502858/1/A3

202503702/1/A2

Bij besluit van 31 januari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen besloten om een bussluis aan te leggen in de Noorddammerlaan ter hoogte van de bocht naar de Legmeerdijk en het weggedeelte op dat punt gesloten te verklaren voor alle motorvoertuigen, uitgezonderd lijnbussen. Bovenkerk is een wijk in Amstelveen. De route Noorddammerlaan-Legmeerdijk werd vóór de plaatsing van de bussluis door autoverkeer gebruikt als doorgaande route. Om doorgaand verkeer op de Noorddammerlaan-Legmeerdijk tegen te gaan is het, in het bijzonder met het oog op de verkeersveiligheid, wenselijk geacht om een fysieke afsluiting in de vorm van een bussluis te realiseren voor gemotoriseerd verkeer. Het college heeft daarom, met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (uov), op 26 januari 2021 een verkeersbesluit genomen om een bussluis te realiseren ter hoogte van de Sint Urbanuskerk. Deze is in november 2021 aangelegd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4288
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202503702/1/A2

202503997/1/R1

Bij besluit van 9 mei 2023, gepubliceerd op 12 juli 2024, heeft het college van burgemeester en wethouders van Loon op zand de locatie tegenover het perceel Knotwilg 11 aangewezen voor de plaatsing van een bovengrondse wijkcontainer voor glas en een ondergrondse wijkcontainer voor papier. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college betoogt dat het beroep te laat is ingediend en dat geen zienswijze is ingediend. Het college wijst erop dat het aanwijzingsbesluit op 12 juli 2024 bekend is gemaakt en dat het beroep op 15 juni 2025 als bezwaar bij hem is ingediend. Er zijn volgens het college ook geen redenen om deze termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4291
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202503997/1/R1

202504116/1/R2

Bij besluit van 23 januari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal [appellant] opgedragen de garageloods aan de [locatie] in Heerle te verwijderen of zo uit te voeren dat deze vergunningvrij is. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 3000,00 betalen. [appellant] woont aan de [locatie] in Heerle en heeft een garageloods naast zijn woning gebouwd. [partij] woont naast [appellant] en is het niet eens met de bouw van de garageloods, omdat deze volgens haar te groot is en niet past in de omgeving. Het college heeft geconstateerd dat de gebouwde garageloods inderdaad te groot is om vergunningvrij te bouwen en heeft [appellant] daarom opgedragen om de garageloods te verwijderen of aan te passen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4281
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202504116/1/R2

202504130/1/A2

Bij besluit van 1 mei 2021 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat de uitkomst van de lichte toets nog geen reden geeft om het forfaitaire bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling aan haar te betalen. Bij besluiten van 22 februari 2022 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat de uitkomst van de lichte toets definitief geen reden geeft om het forfaitaire bedrag van € 30.000 uit de Catshuisregeling aan haar te betalen. [appellante] heeft twee kinderen: [kind A] en [kind B]. Tot begin 2011 had zij een toeslagpartner. Begin 2011 hebben [appellante] en haar toeslagpartner hun relatie beëindigd. [kind A] is daarna bij de toeslagpartner gaan wonen en [kind B] bij [appellante]. Voor de relatiebreuk werd de kinderopvangtoeslag voor de twee kinderen op de bankrekening van de toeslagpartner van [appellante] gestort. [appellante] heeft na de relatiebreuk, op 20 april 2011, de Dienst Toeslagen verzocht om het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag wordt gestort te wijzigen naar haar rekeningnummer. Ook heeft zij op die datum de kinderopvangtoeslag gewijzigd naar één kind, omdat alleen [kind B] bij haar woont. Op 22 april 2011 heeft de Dienst Toeslagen aan [appellante] meegedeeld dat het rekeningnummer waarop de kinderopvangtoeslag wordt gestort is gewijzigd. De wijziging van de kinderopvangtoeslag van twee kinderen naar één kind heeft de Dienst Toeslagen in augustus 2011 verwerkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4285
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504130/1/A2

202504264/1/A2

Bij besluit van 15 maart 2024 heeft het dagelijks bestuur van het Waterschap De Dommel het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen. [appellante] exploiteert een akker- en tuinbouwbedrijf in Oirschot en is onder meer eigenaar van een perceel waarop zij sinds 2019 miscanthus (olifantsgras) teelt. In 2022 heeft [appellante] toenemende groei van biezen op het perceel geconstateerd. De geoogste miscanthus was vermengd met biezen en kon daardoor niet meer tot bioplastics worden verwerkt. De afnemer accepteerde het geoogste product niet en dat heeft tot omzetderving geleid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4273
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202504264/1/A2

202504375/1/R2

Bij besluit van 30 mei 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veldhoven een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] vanwege kamergewijze verhuur in strijd met het bestemmingsplan.Tijdens een controle heeft een toezichthouder van de gemeente vastgesteld dat op de bovenverdieping van de bedrijfsruimte direct achter de bedrijfswoning drie kamers worden verhuurd. Het college heeft na een hercontrole een last onder dwangsom opgelegd aan [appellant] vanwege kamergewijze verhuur in strijd met het bestemmingsplan. [appellant] heeft in bezwaar gevallen aangedragen, waarbij volgens [appellant] ook in strijd met het bestemmingsplan wordt gewoond, maar waarbij het college niet is overgegaan tot handhaving. Volgens [appellant] heeft het college in strijd met het gelijkheidsbeginsel gehandeld door bij hem wel te handhaven. Het college heeft zich in het besluit op bezwaar op het standpunt gesteld dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4286
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • Verordeningen
  • uitspraakin de zaak202504375/1/R2

202504468/1/A2

[appellant] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade (aanvullende compensatie), zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). [appellant] is een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag. In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende (financiële) regelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. [appellant] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht, moet door de Dienst Toeslagen op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. [appellant] heeft beroep ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat een besluit op haar aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade uitbleef.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4302
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504468/1/A2

202504469/1/A2

[wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade (aanvullende compensatie), zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). [wederpartij] is een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag. In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende (financiële) regelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. [wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht, moet door de Dienst Toeslagen op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. [wederpartij] heeft beroep ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat een besluit op zijn aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade uitbleef.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4301
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504469/1/A2

202504596/1/A2

[wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade (aanvullende compensatie), zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). wederpartij] is een gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag. In de Wet hersteloperatie toeslagen zijn verschillende (financiële) regelingen neergelegd voor gedupeerde ouders. [wederpartij] heeft de Dienst Toeslagen verzocht om aanvullende compensatie voor de werkelijke schade, zoals bedoeld in artikel 2.1, derde lid, van de Wht. Op grond van artikel 6.2, eerste lid, van de Wht, moet door de Dienst Toeslagen op de aanvraag aanvullende compensatie worden beslist binnen een termijn van zes maanden na ontvangst van de aanvraag. Deze termijn kan eenmaal met maximaal zes maanden worden verlengd. [wederpartij] heeft beroep ingesteld gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat een besluit op haar aanvraag aanvullende compensatie voor de werkelijke schade uitbleef.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4299
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202504596/1/A2

202504663/1/A2

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen aan [appellant] een schadevergoeding toegekend van € 10.666,67, vermeerderd met wettelijke rente van € 1.051,93, voor waardedaling van het winkelgedeelte van zijn pand. [appellant] was tot 15 december 2020 eigenaar van een pand met winkel- en bedrijfsruimte en bovenwoning aan de [locatie] in Appingedam. In de winkel- en bedrijfsruimte op de begane grond exploiteerde [appellant] een bloemenzaak- en binderij. In 2011 heeft [appellant] het pand te koop gezet voor € 495.000. Op 13 november 2020 heeft [appellant] het pand verkocht voor € 235.000. Uit de akte van levering van 15 december 2020 volgt dat € 75.000 van de verkoopprijs is toegekend aan het winkelgedeelte en € 160.000 aan de woning. [appellant] heeft op 17 september 2020 het Instituut verzocht om vergoeding van waardedaling van de bovenwoning. Bij besluit van 8 juni 2021 heeft het Instituut een vergoeding van € 10.970,29, vermeerderd met de wettelijke rente, toegekend. Dit besluit is in rechte onaantastbaar.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4307
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202504663/1/A2

202504678/1/A3

Bij besluit van 26 januari 2024 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan [appellante] een bestuurlijke boete opgelegd van € 7.500,00. Bij besluit van 12 juni 2024 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. [appellante] heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 12 juni 2024. De rechtbank heeft [appellante] hierop een nota voor het griffierecht toegezonden van € 187,00. [appellante] heeft vervolgens een betaling van € 240,00 gedaan, waarna de rechtbank het te veel betaalde griffierecht van € 53,00 heeft teruggestort. [appellante] heeft op 5 maart 2025 het resterende griffierecht betaald. De rechtbank heeft vastgesteld dat [appellante] het griffierecht daarmee niet binnen de gestelde betalingstermijn heeft voldaan. Volgens de rechtbank is het niet op tijd betalen van het resterende griffierecht niet verschoonbaar. Dat [appellante] niet direct bereid was het griffierecht te betalen omdat de rechtbank een fout had gemaakt, is volgens de rechtbank geen goede reden om niet tijdig te betalen. De rechtbank heeft daarom het beroep niet-ontvankelijk verklaard. [appellante] betoogt dat zij niet de nadelige gevolgen van de fout van de rechtbank zou moeten hoeven dragen. [appellante] had van de rechtbank enige coulance verwacht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4297
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202504678/1/A3

202505467/2/A2

Het verzet richt zich tegen de uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van 19 december 2025 in zaak nr. 202505467/1/A2. Bij die uitspraak heeft de Afdeling zich na vereenvoudigde behandeling kennelijk onbevoegd verklaard kennis te nemen van het hoger beroep van [opposant] tegen een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 13 juli 2023. Tegen deze uitspraak heeft [opposant] verzet gedaan. De Afdeling overweegt in deze uitspraak ambtshalve het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3447, en de in deze uitspraak genoemde rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens), is in een bestuursrechtelijke procedure eenieder die daarin een rol heeft, waaronder de rechtszoekende, gebonden aan het beginsel van behoorlijke procesvoering. Dat beginsel houdt onder meer in dat zowel schriftelijk als mondeling het debat met elkaar gevoerd moet worden op een fatsoenlijke manier, zonder daarbij gebruik te maken van ongepaste, beledigende en dreigende teksten en/of uitlatingen. Het verzetschrift van [oppasant] bevat een groot aantal passages met ongepaste, beledigende en dreigende teksten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4188
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Verzet
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202505467/2/A2

202505612/1/A2

Bij besluit van 12 december 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen [appellant] niet rijgeschikt verklaard. Eind 2023 heeft [appellant] een aanvraag ingediend voor de verlenging van zijn rijbewijs. Omdat [appellant], geboren op [geboortedatum] 1940, ouder dan 75 jaar was, moest hij daarvoor een gezondheidsverklaring invullen en naar een keuringsarts. Naar aanleiding van de verklaring en het advies van de keuringsarts is [appellant] naar een oogarts verwezen die een gezichtsvelddefect bij hem heeft vastgesteld. Het CBR heeft vervolgens aanleiding gezien om aanvullende medische keuringen en rijtesten te laten verrichten. De eerste rijtest is afgebroken in verband met gevaarzetting. [appellant] heeft toen verzocht om een tweede rijtest. Die heeft plaatsgevonden in het kader van een herkeuringstraject. De tweede rijtest wees uit dat [appellant] niet in staat is om veilig een auto te besturen. Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 12 december 2024, heeft het CBR [appellant] daarom niet rijgeschikt verklaard.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4274
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202505612/1/A2

202506029/1/A2

Bij besluit van 26 juli 2023 heeft het Instituut Mijnbouwschade Groningen een aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie 1] in de stad Groningen. Van 25 november 2013 tot 1 november 2025 woonde zij aan de [locatie 2] in Groningen. Daaraan voorafgaand woonde zij - in ieder geval vanaf 16 augustus 2012 - aan de [locatie] te Eenrum. Deze adressen liggen in het aardbevingsgebied. Het Instituut heeft op 12 juli 2023 de aanvraag van [appellante] om vergoeding van immateriële schade als gevolg van de gaswinning in Groningen ontvangen. Immateriële schade is ander nadeel dan vermogensschade en betreft schade die iemand lijdt in de vorm van pijn, psychisch leed, verdriet of gederfde levensvreugde. Het Instituut heeft de aanvraag afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4264
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202506029/1/A2

202506214/1/R4

Bij besluit van 3 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen zijn beslissing om op 28 november 2025 spoedeisend bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met artikel 10, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening gemeente Groningen 2025 en artikel 10, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Afvalstoffenverordening Groningen 2025 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 212,10, voor rekening van [appellant] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een kartonnen doos die op 28 november 2025 is aangetroffen op een ondergrondse papiercontainer met locatie nummer 3566 aan het Floresplein in Groningen. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat zijn adresgegevens op het adreslabel van de doos staat. [appellant] betoogt dat het college hem ten onrechte als overtreder heeft aangemerkt. Hij voert aan dat de enkele omstandigheid dat de aangetroffen kartonnen doos tot hem herleidbaar is, onvoldoende is om aan te nemen dat hij deze op de ondergrondse papiercontainer heeft geplaatst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4284
Datum uitspraak
22 juli 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202506214/1/R4
vorige pagina1234...1.259volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon