Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202301362/1/R3

Uitspraak 202301362/1/R3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5108
Datum uitspraak
9 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 21 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ommen aan de gemeente Ommen een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een brug over de Vecht, inclusief aansluitende infrastructuur en een duikerbrug in/over de vispassage naast de Vecht en het vellen van houtopstand(en), op de percelen kadastraal bekend als gemeente Ambt-Ommen, sectie P, nummers 132, 140, 838 en sectie F, nummers 4084 en 4587, nabij de sluis en stuw te Junne. In de rivier de Vecht ligt, ten noorden van Junne, een stuw, waarop een brug ligt. Door het zwaar verkeer dat in het verleden over de brug is gereden, zijn er scheuren in het metselwerk van de stuw ontstaan. In de periode 1998-2017 was gebruik van de brug alleen toegestaan voor verkeer tot maximaal 3 ton en, met ontheffing, voor lokaal verkeer zwaarder dan 3 ton tot maximaal 15 ton. In 2017 is de brug geheel afgesloten voor verkeer zwaarder dan 3 ton. De gemeente wil met de nieuwe brug de situatie van vóór 2017 herstellen, zodat al het verkeer, dus ook lokaal zwaar (landbouw)verkeer, weer gebruik kan maken van de brug. De nieuwe brug, die 15 m van de huidige brug (bovenstrooms/zuidoostelijk) komt te liggen, mag, net als de huidige brug, niet worden gebruikt door verkeer zwaarder dan 3 ton. Voor lokaal zwaar verkeer tot 60 ton is een ontheffingsstelsel ontwikkeld.
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202301362/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       Erfgoedvereniging Heemschut, gevestigd in Amsterdam,
2.       [appellant sub 2], wonend in Ommen,
3.       Stichting Leefbaar Buitengebied, gevestigd in Geerdijk, gemeente Twenterand, en [appellant sub 3A] en [appellant sub 3B], beiden wonend in Ommen (de Stichting en anderen),
4.       de Fietsersbond, gevestigd in Utrecht,
appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 januari 2023 in zaken nrs. 21/1947, 21/2005, 21/2006, 21/2027 en 22/890 in het geding tussen onder meer:

Erfgoedvereniging Heemschut
[appellant sub 2]
de Stichting en anderen
de Fietsersbond

en

het college van burgemeester en wethouders van Ommen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 september 2021 heeft het college aan de gemeente Ommen een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een brug over de Vecht, inclusief aansluitende infrastructuur en een duikerbrug in/over de vispassage naast de Vecht en het vellen van houtopstand(en), op de percelen kadastraal bekend als gemeente Ambt-Ommen, sectie P, nummers 132, 140, 838 en sectie F, nummers 4084 en 4587, nabij de sluis en stuw te Junne.

Bij uitspraak van 19 januari 2023 heeft de rechtbank de door de Erfgoedvereniging, [appellant sub 2], de Stichting en anderen en de Fietsersbond daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de Erfgoedvereniging, [appellant sub 2], de Stichting en anderen en de Fietsersbond hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting en anderen en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaak met nummer 202301249/1/R1, op een zitting behandeld op 15 juni 2026. In deze zaak zijn verschenen de Erfgoedvereniging, vertegenwoordigd door A. Velsink, de Stichting en anderen, bij monde van [appellant sub 3B] en (via een videoverbinding) [appellant sub 3A], beiden bijgestaan door mr. S.P.M. Schaap, advocaat in Raalte, en het college, vertegenwoordigd door E.J. Greving, bijgestaan door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat in Arnhem, en vergezeld van H.J. Schreuder en A.J. Dekker. Via een videoverbinding heeft de Fietsersbond, vertegenwoordigd door [gemachtigde B], aan de zitting deelgenomen. Verder is op de zitting de gemeente Ommen, als vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat in Arnhem, gehoord.

Overwegingen

Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet

1.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 24 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

Inleiding

2.       In de rivier de Vecht ligt, ten noorden van Junne, een stuw, waarop een brug ligt. Door het zwaar verkeer dat in het verleden over de brug is gereden, zijn er scheuren in het metselwerk van de stuw ontstaan. In de periode 1998-2017 was gebruik van de brug alleen toegestaan voor verkeer tot maximaal 3 ton en, met ontheffing, voor lokaal verkeer zwaarder dan 3 ton tot maximaal 15 ton. In 2017 is de brug geheel afgesloten voor verkeer zwaarder dan 3 ton.

3.       De gemeente wil met de nieuwe brug de situatie van vóór 2017 herstellen, zodat al het verkeer, dus ook lokaal zwaar (landbouw)verkeer, weer gebruik kan maken van de brug. De nieuwe brug, die 15 m van de huidige brug (bovenstrooms/zuidoostelijk) komt te liggen, mag, net als de huidige brug, niet worden gebruikt door verkeer zwaarder dan 3 ton. Voor lokaal zwaar verkeer tot 60 ton is een ontheffingsstelsel ontwikkeld.

4.       Het college heeft hiervoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d en onder g, van de Wabo verleend. Omwonenden, de Stichting, de Erfgoedvereniging en de Fietsersbond zijn het met de verlening van deze vergunning niet eens en zijn daartegen opgekomen.

5.       Ten behoeve van de bouw van de brug is ook een vergunning nodig op grond van de Waterwet. Bij besluit van 15 december 2020 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen een watervergunning op grond van artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de ten tijde van de aanvraag geldende Keur waterschap Vechtstromen verleend. Deze vergunning is het onderwerp van de zaak nr. 202301249/1/R1 die ook op 15 juni 2026 op zitting is behandeld, en waarin bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5109, uitspraak is gedaan.

Geldende regelgeving

6.       De percelen waar de brug wordt gebouwd, liggen in een gebied waar drie bestemmingsplannen gelden. Dit zijn, van zuidwest naar noordoost, het bestemmingsplan "Buitengebied Ommen, Sluis Junne te Junne", het bestemmingsplan "Buitengebied Ommen" en het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening gronden Junne".

De gronden op de linkeroever van de Vecht hebben op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Ommen, Sluis Junne te Junne" de bestemming "Water" en de dubbelbestemmingen "Waarde - Rivieroevers met natuurwaarden" en "Waterstaat - Waterstaatkundige functie". Het bouwplan is alleen in strijd met de bouwregels van laatstgenoemde dubbelbestemming. Die bestemming laat, voor zover het gaat om andere dan daar bedoelde bouwwerken, alleen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken toe.

De brug zelf komt op gronden waarop op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Ommen" de bestemming "Water" rust met de subbestemming "WAs" en de dubbelbestemming "Primair waterstaatsdoeleinden". Het bouwplan is in strijd met de bouwregels van laatstgenoemde dubbelbestemming, omdat die, voor zover het gaat om andere dan daar bedoelde bouwwerken, alleen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken toestaat.

De gronden op de rechteroever van de Vecht hebben op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening gronden Junne" de bestemming "Natuur". De brug is in strijd met deze bestemming.

Beoordeling van de hoger beroepen

7.       Het hoger beroep van de Stichting en anderen was mede ingesteld door [appellant sub 3C]. Hij heeft op de zitting zijn hoger beroep ingetrokken.

Procedurele gronden

8.       [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de voorbereiding zorgvuldig en de belangenafweging niet eenzijdig was. Het college heeft zijn zienswijzen samengevat weergegeven en alleen op deze samenvatting gereageerd. [appellant sub 2] verwachtte dat hij zijn zienswijze nog mondeling kon toelichten. Hij wijst er verder op dat het college niet is ingegaan op het feit dat zijn woning een rijksmonument is en op de geldende regelgeving hiervoor. Hij voert ook aan dat de rechtbank ten onrechte belang heeft gehecht aan de gehouden informatiemarkten, keukentafelgesprekken en overleggen met lokale en bovenlokale (rechts)personen. Tijdens deze momenten was er geen echte inspraak.

8.1.    De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van een onzorgvuldige voorbereiding of eenzijdige belangenafweging. Het college heeft gelegenheid geboden tot het indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbesluit. [appellant sub 2] heeft daarvan gebruik gemaakt. Er bestaat geen verplichting om de indiener van een zienswijze te horen. Het organiseren van bijvoorbeeld informatieavonden is niet voorgeschreven in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het niet of onvoldoende bieden van inspraak in deze fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit. De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Awb zich er niet tegen verzet dat het college zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, of dat op argumenten is ingegaan in het kader van zienswijzen van anderen, maakt niet dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren niet in de overwegingen zijn betrokken. In de Notitie zienswijzen heeft het college gereageerd op het betoog van [appellant sub 2] over de gestelde effecten van de brug op zijn monumentale woning en omgeving en aangegeven dat die er niet zijn. Dat daarbij ten onrechte de woning van [appellant sub 2] een gemeentelijk monument is genoemd en niet een rijksmonument en dat niet op de door [appellant sub 2] genoemde geldende regelgeving is ingegaan, maakt niet dat zijn zienswijze niet bij de besluitvorming is betrokken.

Het betoog slaagt niet.

Nut en noodzaak

9.       De Fietsersbond betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat nut en noodzaak van de nieuwe brug niet zijn onderbouwd.

De Fietsersbond heeft dit niet eerder aangevoerd. In het omgevingsrecht kunnen beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering geldt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Deze uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond niet inhoudelijk bespreken.

10.     [appellant sub 2], de Stichting en anderen en de Erfgoedvereniging betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat nut en noodzaak van een brug voor verkeer tot 60 ton onvoldoende zijn onderzocht.

De Stichtingen anderen voeren aan dat een nieuwe brug is bedoeld voor lokale agrariërs, terwijl zij die brug juist niet nodig hebben. Ander zwaar verkeer zal geen ontheffing kunnen krijgen. Nut en noodzaak blijken volgens hen niet uit de door het college in beroep overgelegde notitie van 15 augustus 2018. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de renovatie van de bestaande brug of naar vervanging van de brug op de bestaande locatie. Ter onderbouwing van hun betoog hebben zij de rapportage 'Verkeerseffecten nieuwe brug Junne' van 17 november 2023 van De Baan verkeersadvies en het rapport 'Toestandsinspectie Brug B13, Brug Junnerweg te Junne' van Caljé Infra Advies overgelegd.

[appellant sub 2] voert aan dat de agrarische sector in Junne inkrimpt en er in Junne geen boeren meer zijn voor wie die brug nodig is. De noodzaak blijkt volgens hem ook niet uit het rapport van Iv-Infra van 20 oktober 2020. Hij wijst erop dat in dat rapport bovendien staat dat, om te kunnen bepalen of een nieuwe brug op de bestaande stuw kan worden gefundeerd, nader onderzoek naar de staat van de stuw uitgevoerd moet worden. Volgens hem is renovatie van de stuw met brug het beste. Daarbij zou een technische voorziening kunnen worden aangebracht, waardoor alleen lokaal zwaar verkeer van de brug gebruik kan maken.

De Erfgoedvereniging voert aan dat er onvoldoende onderzoek is gedaan naar herstel van de stuw en de brug. Na herstel zal de brug weer belastbaar zijn voor verkeer tot 20 ton, zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de waarden van het gemeentelijk monument.

10.1.  Uit de bij de aanvraag behorende stukken, zoals de ruimtelijke onderbouwing 'Nieuwbouw brug bij Junne' en het rapport 'Onderzoek brug op bestaande stuw' van Iv-Infra b.v. van 20 oktober 2020, volgt dat de stuw en brug in het verleden te zwaar zijn belast. Hoewel de brug in 1998 is afgesloten voor zwaar verkeer en een ontheffingsstelsel is ingevoerd voor lokaal zwaar verkeer tot 15 ton, bleef ook ander zwaar verkeer over de brug rijden. Het gevolg daarvan was dat de stuw beschadigd is geraakt. Dit heeft ertoe geleid dat vanaf februari 2017 de brug is afgesloten voor verkeer zwaarder dan 3 ton.

In de door het college overgelegde notitie van 15 augustus 2018 staat dat door de weinige overgangen over de Vecht de brug bij Junne een belangrijke schakel vormt tussen het gebied ten noorden en het gebied ten zuiden van de Vecht. Dit zorgde ervoor dat in de oude situatie veel doorgaand vrachtverkeer gebruik maakte van de brug bij Junne. In de nieuwe situatie, waarin de brug is afgesloten voor zwaar verkeer, maakt het landbouwverkeer vooral gebruik van de Vechtbrug bij Ommen om de Vecht over te steken. Daarbij rijden zij over de Beerzerweg en de Zeesserweg. Deze route is onwenselijk, omdat de Zeesserweg in 2016, na herinrichting van de wegen in de woonwijk Zeesse, is ingericht als fietsstraat.

Mede op basis van deze notitie concludeert het college dat het voor de verkeersstructuur en de verkeersveiligheid wenselijk is om de brug bij Junne te vervangen door een nieuwe brug die toegankelijk is voor zwaar (landbouw)verkeer. Daarbij is, gelet op het door Iv-Infra uitgevoerde onderzoek, gekozen voor een nieuwe brug op korte afstand van de huidige brug.

10.2.  De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de huidige situatie uit oogpunt van verkeersveiligheid niet wenselijk is en dat een nieuwe brug met een verkeersbelasting van 60 ton nodig is om de verkeersonveilige situatie in Ommen Zuid op te lossen. Dat er mogelijk minder agrarisch verkeer dan in het verleden gebruik van de brug zal maken, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij betrekt de Afdeling dat het uitgangspunt voor het college is dat er een brug voor zwaar landbouwverkeer moet zijn. Daarvoor is een brug geschikt voor 60 ton nodig.

De Afdeling is verder met de rechtbank van oordeel dat het college zich ook op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwen van deze brug naast de bestaande stuw het beste alternatief is. Het college heeft zich kunnen baseren op genoemd rapport van Iv-Infra. Daarin staat dat een nieuwe brug met een verkeersbelasting tot 60 ton niet op de bestaande stuw kan worden gefundeerd en dat een nieuwe brug over de bestaande stuw technisch en landschappelijk moeilijk in te passen is. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 2], de Stichting en anderen en de Erfgoedvereniging hierover hebben aangevoerd geen aanleiding om dit onjuist te achten.

Het betoog slaagt niet.

Toename verkeer en verkeersveiligheid

11.     De Fietsersbond, de Stichting en anderen en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de gevolgen voor het verkeer aan de vergunningverlening in de weg staan.

De Fietsersbond voert aan dat de rechtbank voorbij is gaat aan de gevolgen van het bouwplan voor het fietsverkeer. Zij voert aan dat in de ruimtelijke onderbouwing er ten onrechte van uit is gegaan dat de verkeersbewegingen niet zullen toenemen. De brug leidt volgens de Fietsersbond tot meer en zwaarder verkeer. Aangezien ook het recreatief verkeer is toegenomen, zal de veiligheid van het fietsverkeer in het gedrang komen. Er is hier ten onrechte geen naar onderzoek gedaan, aldus de Fietsersbond.

De Stichting en anderen voeren aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de verkeerssituatie in de nieuwe situatie. Volgens hen is onvoldoende duidelijk wie er in de nieuwe situatie van de brug gebruik gaat maken. Een toename van zwaar verkeer zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Zij verwijzen in dit verband de rapportage 'Verkeerseffecten nieuwe brug Junne' van 17 november 2023 van De Baan verkeersadvies.

[appellant sub 2] betoogt dat zwaar sluipverkeer van de brug gebruik gaat maken.

11.1.  Het college heeft zich, onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing en de Notitie Zienswijzen, op het standpunt gesteld dat er door de brug geen wezenlijke wijzigingen in de verkeerssituatie ten opzichte van de situatie voor 2017 ontstaan. Door de geslotenverklaring voor zwaar verkeer in combinatie met de ontheffingsregeling voor lokaal zwaar verkeer zal de verkeersintensiteit niet toenemen. In vergelijking met de situatie sinds de brug in 2017 is afgesloten voor al het zwaar verkeer verwacht het college een beperkte toename van voertuigen die nu geen gebruik kunnen maken van de brug, zoals bedrijfsbusjes en campers, en van het lokale zwaar verkeer met ontheffing. Onder verwijzing naar het verkeerskundig advies 'Brug bij Junne' van 30 maart 2020 geeft het college aan dat de huidige wegen in en rondom Junne toereikend zijn voor het toekomstige verkeersaanbod. Aanvullende infrastructurele maatregelen zijn voor zowel gemotoriseerd als langzaam verkeer niet noodzakelijk.

11.2.  De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat de gevolgen voor het verkeer niet aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staan.

Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het niet aannemelijk is dat de nieuwe brug zal leiden tot een toename van het verkeer die zal leiden tot verkeersonveiligheid. Het verkeer zal weliswaar toenemen ten opzichte van de situatie waarin de brug was afgesloten voor al het zwaar verkeer (vanaf 2017), maar ten opzichte van de situatie van voor 2017 heeft het college deze toename beperkt kunnen achten. In de nieuwe situatie zal de brug, net als toen, alleen door lokaal zwaar verkeer met een ontheffing worden gebruikt. De Afdeling wijst er in dit verband op dat het college in mei 2023 een verkeersbesluit heeft genomen dat dat regelt. Over de vrees van [appellant sub 2] en de Stichting en anderen dat sprake zal zijn van een toename in (zwaar) sluipverkeer overweegt de Afdeling dat het college deze toename niet aannemelijk heeft hoeven achten. De brug kan nu worden gebruikt door personenauto's en dat verandert niet. Voor zover het gaat om zwaar verkeer zonder ontheffing overweegt de Afdeling ten eerste dat het college ervan uit heeft mogen gaan dat verkeersdeelnemers zich aan de verkeersregels houden. De Afdeling overweegt verder dat het college, onder verwijzing naar het verkeerskundig advies van BonoTraffics, van belang heeft kunnen achten dat de wegen ten noorden en ten westen van de brug al zijn gesloten voor vrachtverkeer dat geen ontheffing heeft en dat een handhavingsplan is opgesteld om eventueel zwaar sluipverkeer dat geen ontheffing heeft, tegen te gaan. Nu voorts in het verkeerskundig advies van BonoTraffics staat dat de inrichting van de wegen toereikend is voor het verkeersaanbod en dat al verschillende verkeersmaatregelen gelden en worden genomen om verkeersonveilige situaties te voorkomen, heeft het college in de gestelde verkeersonveilige situaties geen reden hoeven zien de omgevingsvergunning te weigeren.

Het betoog slaagt niet.

Aanhaakplicht - algemeen

12.     Als voor een activiteit naast een omgevingsvergunning ook een vergunning of ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) nodig is, kan de aanvrager kiezen of hij deze trajecten afzonderlijk of gecoördineerd wil doorlopen. Alleen als er op het moment van het besluit over de aanvraag om omgevingsvergunning nog geen vergunning of ontheffing op grond van de Wnb is gevraagd of verleend, bestaat op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 2.2aa, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht de verplichting om tegelijkertijd voor die activiteit een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.

Aanhaakplicht - gebiedsbescherming

13.     Het betoog van [appellant sub 2] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn betoog over de stikstof-uitstoot tijdens de bouw- en gebruiksfase en de gevolgen daarvan voor nabijgelegen Natura 2000-gebieden slaagt niet. [appellant sub 2] heeft in beroep weliswaar naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, over het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 verwezen, maar heeft dit gedaan ter ondersteuning van zijn betoog dat de brug niet noodzakelijk is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank hierin niet hoeven lezen dat [appellant sub 2] vreest voor de gevolgen van het bouwen en gebruiken van de brug voor Natura 2000-gebieden.

Voor zover [appellant sub 2] in hoger beroep alsnog betoogt dat de ontwikkeling leidt tot significante negatieve effecten op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden, overweegt de Afdeling dat, zoals hiervoor onder 9 is overwogen, in het omgevingsrecht beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep kunnen worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.

14.     De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanhaakplicht op grond van de Wnb (gebiedsbescherming) is. Volgens hen is het uitgevoerde onderzoek gebaseerd op onjuiste uitgangspunten. Op de specifieke punten die zij aanvoeren wordt hierna, onder 14.4 en 14.5, ingegaan.

14.1.  Het college heeft zich onder verwijzing naar het rapport 'Ecologische voortoets nieuwbouw brug Junne' van 17 november 2020 van Ecogroen (Ecologische voortoets) en de daarbij behorende notitie met Aerius-berekening van 22 oktober 2020 van Aveco de Bondt op het standpunt gesteld dat er geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden Regge worden veroorzaakt. De uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de Wnb wat betreft Natura 2000. Er zijn vanuit Natura 2000 geen belemmeringen voor verlenen van de omgevingsvergunning met afwijking van het bestemmingsplan, aldus het college. Volgens het college is voor het project niet ook een vergunning op grond van de Wnb nodig.

14.2.  De Stichting en anderen hebben gewezen op de gevolgen van de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923, voor de beoordeling van de aanhaakverplichting. De Afdeling overweegt dat, zoals in die uitspraak onder 25.1 is overwogen, die uitspraak in een zaak als hier aan de orde geen gevolgen heeft.

14.3.  De Afdeling zal hieronder ingegaan op wat de Stichting en anderen hebben aangevoerd over de uitgangspunten die in de Ecologische voortoets zijn gehanteerd.

- aanlegfase

14.4.  Voorop staat dat in het onderzoek moet worden uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten, maar dat die uitgangspunten niet per se geborgd hoeven te worden. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat Aveco de Bondt is uitgegaan van een reële en gebruikelijk wijze van uitvoering voor materieel, de stage-klasse en het motorvermogen. De Stichting en anderen hebben dat niet bestreden, zodat de Afdeling van de juistheid daarvan uitgaat. Daarom hoefden deze aspecten niet in de omgevingsvergunning te worden voorgeschreven.

Daargelaten dat Aevco de Bondt de sloop van de brug wel heeft meegenomen in de berekeningen, is van belang dat die sloop geen onderdeel is van het aangevraagde en vergunde project.

Over het door de Stichting en anderen genoemde wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden overweegt de Afdeling dat daarmee is beoogd te corrigeren wat niet goed is gegaan bij de oorspronkelijke aanwijzing van de Habitatrichtlijngebieden. Zoals de Afdeling heeft uiteengezet in haar uitspraak van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2958, zijn met het wijzigingsbesluit de habitattypen en -soorten, die op het moment van aanwijzen van het desbetreffende Habitatrichtlijngebied al in meer dan verwaarloosbare mate aanwezig waren, alsnog toegevoegd aan de aanwijzingsbesluiten. Dit wijzigingsbesluit is genomen op 22 november 2022, dus na het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend en speelt daarom in deze procedure over de omgevingsvergunning geen rol. De correcties die met het wijzigingsbesluit in de aanwijzingsbesluiten zijn aangebracht, gelden pas vanaf de inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit.

Over de stelling van de Stichting en anderen dat er inmiddels een nieuwe AERIUS Calculator beschikbaar is, overweegt de Afdeling dat AERIUS Calculator regelmatig wordt aangepast naar aanleiding van nieuwe gegevens en inzichten. Dit betekent echter niet dat de versie van AERIUS Calculator die in het onderzoek is gebruikt niet voldoet aan de eis dat die op basis van de beste wetenschappelijke kennis is vastgesteld. Een bestuursorgaan mag zich bij het nemen van een besluit baseren op de versie van AERIUS Calculator die op dat moment beschikbaar en geschikt was voor het maken van de stikstofdepositieberekeningen. Dit kan anders zijn als er ten tijde van het nemen van het besluit concrete aanwijzingen zijn voor twijfel aan de geschiktheid van die versie van AERIUS Calculator. (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1299, onder 20.7). De Stichting en anderen hebben zulke aanwijzingen niet gegeven.

- gebruiksfase

14.5.  Over wat de Stichting en anderen over het wijzigingsbesluit Habitatrichtlijngebieden vanwege aanwezige waarden en de gebruikte versie van AERIUS Calculator hebben aangevoerd, verwijst de Afdeling naar wat zij hiervoor onder 14.4 daarover heeft overwogen.

De Afdeling ziet in wat de Stichting en anderen hebben aangevoerd geen reden om ervan uit te gaan dat in de berekeningen is uitgegaan van de verkeerde referentiesituatie, te weten de situatie van vóór de afsluiting van de brug. Volgens het college is in de berekeningen de huidige situatie vergeleken met de toekomstige situatie. Daarbij zijn het aantal vervoersbewegingen van zwaar- en middelzwaar verkeer met de omrijdroute (door de verkeersmaatregelen op de brug) en het aantal vervoersbewegingen van zwaar- en middelzwaar verkeer met de route over de brug in de nieuwe situatie in beeld gebracht. Dat is ook de situatie waarvan volgens de Stichting en anderen zou moeten worden uitgegaan. De Afdeling volgt de Stichting en anderen ook niet in hun stelling dat is uitgegaan van een onjuiste omrijdroute. De genoemde Coevorderweg is weliswaar afgesloten voor zwaar verkeer, maar, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, zwaar bestemmingsverkeer mag wel van die weg gebruik maken.

Voor zover de Stichting en anderen aanvoeren dat in het onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met ander, niet lokaal zwaar bestemmingsverkeer en een toename aan personenauto's verwijst de Afdeling naar rechtsoverweging 11.2 waar zij heeft overwogen dat het college een toename met dergelijk verkeer niet aannemelijk heeft hoeven achten. Mede daarom overweegt de Afdeling dat de Stichtingen en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat in het onderzoek niet is uitgegaan van reële en aannemelijke uitgangspunten. De Afdeling volgt hen daarom niet dat de het college deze in de omgevingsvergunning had moeten borgen.

- conclusie

14.6.  Alles overziend is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er in verband met gebiedsbescherming geen verplichting is om voor het project een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo aan te vragen.

Het betoog slaagt niet.

Aanhaakplicht - soortenbescherming

15.     De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen aanhaakplicht op grond van de Wnb (soortenbescherming) is. Volgens de Stichting en anderen is vastgesteld dat de grote gele kwikstaart in april 2021 op de stuw aan het broeden was. Niettemin hebben er tussen april 2021 en september 2021, in het broedseizoen, werkzaamheden voor de aanleg van een droogzetvoorziening plaatsgevonden. Vanaf 26 mei 2021 is de grote gele kwikstaart hier niet meer waargenomen. In 2022 was deze vogel opnieuw op de stuw aan het broeden. Volgens de Stichting en anderen laat dit zien dat de werkzaamheden leiden tot het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels en/of het opzettelijk verstoren van vogels, als bedoeld in artikel 3.1 van de Wnb. Ter onderbouwing van hun betoog hebben zij de notitie "Ecologische contra-expertise beschermde natuurwaarden Stuw bij Junne bij Ommen (fase 2)" van EcoNatura van 9 maart 2022 en de rapportage "Ecologisch veldonderzoek vaststelling actueel broeden van de Grote gele kwikstaart op de Stuw bij Junne bij Ommen" van EcoNatura van 30 juni 2022 overgelegd.

15.1.  Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de "Natuurtoets nieuwbouwbrug Junne" (de Natuurtoets) van Ecogroen van 17 november 2020 blijkt dat de werkzaamheden niet resulteren in een overtreding van de verbodsbepalingen van hoofdstuk 3 van de Wnb, mits mitigerende maatregelen in acht worden genomen voor de vleermuizen en vissen en de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen plaatsvinden. Een ontheffing op grond van de Wnb is daarom niet vereist, zodat aanhaken van deze natuurtoestemming niet aan de orde is, aldus het college.

15.2.  De rechtbank is in de overwegingen 35.3 tot en met 35.5 gemotiveerd ingegaan op het betoog van de Stichting en anderen. Zij heeft overwogen dat de Stichting en anderen met hun verwijzing naar de contra-expertise van EcoNatura van 9 maart 2022 niet aannemelijk hebben gemaakt dat de conclusie in de Natuurtoets dat de broedplaats(en) van de grote gele kwikstaart op de stuw niet worden verstoord door de werkzaamheden, niet juist is. Zij is in overweging 35.6 tot het oordeel gekomen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen aanhaakplicht is op grond van de Wnb (soortenbescherming).

De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Zij overweegt nog dat de Stichting en anderen in hoger beroep opnieuw de contra-expertise van Ecogroen van 9 maart 2022 hebben overgelegd. Die contra-expertise gaat echter over de gevolgen van de werkzaamheden ten behoeve van de droogzetvoorziening. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, is daarmee niet aannemelijk gemaakt dat de conclusie in de Natuurtoets over de gevolgen van de werkzaamheden ten behoeve van de brug niet juist is. Dat geldt ook voor de in hoger beroep opnieuw overgelegde rapportage van juni 2022. Deze rapportage betreft een veldonderzoek, waarbij de broedvogelstand op de stuw in 2022 is vastgesteld. Daarin is niet ingegaan op de vraag of de bouw van de brug voorzienbaar tot verstoring van soorten in de zin van artikel 3.1 van de Wnb leidt.

Het betoog slaagt niet.

Natuurnetwerk Nederland

16.     De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aspect 'natuur' niet aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. Zij voeren aan dat er 675 m² van het Natuurnetwerk Nederland verloren gaat, terwijl de brug niet nodig is.

16.1.  De rechtbank is in de overwegingen 58.1 en 58.2 van haar uitspraak ingegaan op dit betoog van de Stichting en anderen. Zij heeft in overweging 58.3 geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aspect 'natuur' niet aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. Zij heeft bij haar oordeel betrokken dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de brug nodig is. Zoals hiervoor onder 10.2 is overwogen, heeft het college nut en noodzaak voldoende onderbouwd. Er is daarom geen grond voor het oordeel dat de rechtbank dit niet bij haar oordeel heeft mogen betrekken.

Het betoog slaagt niet.

Monumentale waarden

17.     [appellant sub 2], De Stichting en anderen en de Erfgoedvereniging betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zijn standpunt over de monumentale waarden heeft mogen baseren op de conclusie van de monumentencommissie Het Oversticht.

[appellant sub 2] voert aan dat de commissie ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de invloed van de ontwikkeling op zijn woning, die een rijksmonument is. De afstand van de brug tot de woning is weliswaar groot, maar het verkeer van en naar de brug moet wel langs zijn woning, die vlak naast de weg staat, rijden. Het gaat om veel zwaarder verkeer dan in de bestaande situatie. Volgens [appellant sub 2] is niet uitgesloten dat de bouw van de brug leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de kwaliteit van de omgeving van de woning.

De Stichting en anderen voeren aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat nut en noodzaak van de brug bij de advisering door de commissie geen rol hebben gespeeld.

17.1.  De stuw is een gemeentelijk monument. De nieuwe brug wordt in de nabijheid van die stuw gebouwd. Het college heeft de monumentencommissie daarom om advies gevraagd. Uit het besluit blijkt dat de monumentencommissie meerdere keren over de ontwikkeling heeft geadviseerd. Het plan is naar aanleiding van de op- en aanmerkingen van de commissie aangepast. De commissie heeft in haar advies van 13 april 2021 ten slotte geconcludeerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de monumentale waarden van de stuw.

17.2.  De rechtbank heeft overwogen dat de vraag of de nieuwe brug nuttig en noodzakelijk is, niet ter beoordeling voorligt bij de commissie. Zij heeft niet, zoals de Stichting en anderen aanvoeren, overwogen dat nut en noodzaak geen rol hebben gespeeld bij de advisering. De Afdeling ziet, gelet op wat zij hiervoor onder 10.2 heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat de commissie bij haar advisering niet nut en noodzaak van de brug als uitgangspunt heeft mogen nemen. Het betoog van de Stichtingen en anderen slaagt daarom niet.

17.3.  De rechtbank heeft verder overwogen dat de monumentale waarden van de woning van [appellant sub 2] niet bij de besluitvorming zijn meegenomen wegens de afstand van de woning tot de brug. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet van belang heeft kunnen achten dat de afstand van ongeveer 700 m dermate groot is dat de realisering van de brug geen gevolgen heeft voor de monumentale waarden van de woning. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zwaar verkeer dat langs zijn woning rijdt de monumentale status van die woning aantast.

Landschappelijke waarden en cultuurhistorische waarden

18.     Over het betoog van [appellant sub 2] en de Erfgoedvereniging dat het project de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van Landgoed Junne en omgeving aantast, overweegt de Afdeling dat de rechtbank in overweging 56.2 daarop is ingegaan. De rechtbank is in overweging 56.3 tot het oordeel gekomen dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aspect 'landschappelijke en cultuurhistorische waarden' niet aan het verlenen van de omgevingsvergunning in de weg staat. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot dit oordeel is gekomen.

Geluid

19.     [appellant sub 2] heeft het betoog dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de toename van het verkeer voor de geluidbelasting op zijn woning niet eerder aangevoerd. Zoals hiervoor onder 9 is overwogen, kunnen in het omgevingsrecht beroepsgronden niet voor het eerst in hoger beroep worden aangevoerd. Een uitzondering wordt gemaakt als uitgesloten is dat andere belanghebbenden daardoor worden benadeeld. Die uitzondering doet zich bij deze beroepsgrond niet voor. De Afdeling zal deze beroepsgrond dus niet inhoudelijk bespreken.

Financiële uitvoerbaarheid

20.     Over het betoog van [appellant sub 2] over de financiële uitvoerbaarheid, overweegt de Afdeling dat de rechtbank in de overwegingen 61.1 en 61.2 gemotiveerd op dit betoog is ingegaan. Zij heeft overwogen dat niet is gebleken van omstandigheden die het college op voorhand hadden moeten doen inzien dat het project niet uitvoerbaar is. De Afdeling ziet in wat is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet tot dit oordeel heeft kunnen komen. Dat het college geen actuele cijfers heeft overgelegd, is naar het oordeel van de Afdeling niet voldoende voor een ander oordeel dan dat van de rechtbank.

Het betoog slaagt niet.

Kappen bomen

21.     De Stichting en anderen betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat, aangezien nut en noodzaak van de nieuwe brug niet zijn aangetoond, geen omgevingsvergunning voor het voor het kappen van 27 bomen had kunnen worden verleend. De Afdeling verwijst in dit verband naar wat hiervoor onder 10.2 is overwogen, over nut en noodzaak.

Conclusie

22.     De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

23.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. De Groot
voorzitter

w.g. Pieters
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026

473


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon