Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202602426/1/R1 en 202602426/2/R1

Uitspraak 202602426/1/R1 en 202602426/2/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5397
Datum uitspraak
10 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 25 oktober 2023 heeft het college appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast om twee buitenvoorzieningen voor paarden op hun perceel [locatie] te Venhuizen te verwijderen.
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202602426/1/R1 en 202602426/2/R1.
Datum uitspraak: 10 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[verzoeker A] en [verzoeker B], beiden wonend in Venhuizen, gemeente Drechterland,

verzoekers,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 juni 2026 in zaak nr. 24/1393 in het geding tussen:

en

het college van burgemeester en wethouders van Drechterland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2023 heeft het college appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast om twee buitenvoorzieningen voor paarden op hun perceel [locatie] te Venhuizen te verwijderen.

Bij besluit van 28 februari 2024 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juni 2026 heeft de rechtbank het door appellanten daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 14 juli 2026 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot twaalf weken na de uitspraak van de rechtbank.

Tevens hebben appellanten de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Appellanten en het college hebben nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 augustus 2026, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. J.R. Dobbelsteijn Bisschops, rechtsbijstandverlener te Ingen, en het college, vertegenwoordigd door mr. W. van Houten en mr. G.F.H. Velthuizen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overgangsrecht

2.       Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.

2.1.    Bij besluit van 15 oktober 2023 heeft het college aan appellanten een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.

3.       Appellanten wonen op het perceel [locatie] te Venhuizen. Een toezichthouder van de gemeente heeft op 13 juni 2023 een controle uitgevoerd op het perceel. Bij die controle heeft de toezichthouder geconstateerd dat twee voorzieningen waren aangelegd om paarden in te houden.

De voorzieningen bestaan elk uit een drainagesysteem, met daarop een laag puin, een mat en een toplaag van zand en een omheining. De ene voorziening is 228 m2 groot, de andere 595 m2.

4.       Het college heeft aan het besluit van 25 oktober 2023 ten grondslag gelegd dat sprake is van een overtreding van artikel 2.1, eerste lid,  aanhef, en artikel 2.3a, eerste lid, van de Wabo. Volgens het college hebben appellanten zonder de vereiste omgevingsvergunning twee paardenbakken op hun achtererf gebouwd. Daarbij zijn de paardenbakken, zo stelt het college, niet vergunningsvrij (geweest) en komt hen geen beroep toe op het overgangsrecht uit het bestemmingsplan.

Is sprake van een bouwwerk

5.       Appellanten hebben aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat de afzonderlijke onderdelen van de voorzieningen voor de paarden, namelijk de drainage, de bodemverbetering en de daaromheen opgerichte hekwerken, vergunningvrije bouwwerken waren ten tijde van de oprichting. Ook in samenhang bezien zijn die volgens hen niet vergunningplichtig.

5.1.    De voorzieningenrechter ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de bodemconstructie en de omheining daarvan als één geheel en als een bouwwerk moeten worden beschouwd. Deels bepalend voor de vraag of sprake is van een bouwwerk is immers het antwoord op de vraag of sprake is van een constructie. De rechtbank heeft daarom terecht de verschillende onderdelen van de voorzieningen voor de paarden in samenhang beschouwd. Voor zover appellanten hebben betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de voorzieningen bestaande paardenbakken zijn en onder het overgangsrecht vallen, overweegt de voorzieningenrechter dat wat zij in hoger beroep hebben aangevoerd zo goed als een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 7 tot en met 13 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.

Had moeten worden afgezien van handhavend optreden

6.       Ook wat de stelling van appellanten betreft dat had moeten worden afgezien van handhaving omdat dit niet evenredig is, overweegt de voorzieningenrechter dat wat zij in hoger beroep hebben aangevoerd zo goed als een herhaling is van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De voorzieningenrechter kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 14 en verder opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De voorzieningenrechter voegt daaraan nog toe dat appellanten hebben betoogd dat van handhaving moet worden afgezien omdat dit disproportioneel is. Zij hebben op de zitting verklaard dat het weghalen van deze buitenvoorzieningen betekent dat de paarden geëuthanaseerd moeten worden. De voorzieningenrechter overweegt dat appellanten dit niet aannemelijk hebben gemaakt. Voor zover appellanten hebben verwezen naar een op 25 augustus 2026 ingediende aanvraag om een legaliserende vergunning, overweegt de voorzieningenrechter dat dit zodanig laat is gedaan, dat met deze aanvraag geen concreet zicht op legalisering is ontstaan op grond waarvan handhaving onevenredig zou zijn.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

8.       Gelet op de bevestiging van de aangevallen uitspraak zullen appellanten als gevolg van de uitspraak in deze zaak onmiddellijk de aan de last verbonden dwangsom verbeuren, omdat de begunstigingstermijn dan is verstreken. De voorzieningenrechter ziet als rechter die uitspraak doet in de hoofdzaak aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat appellanten direct na het doen van deze uitspraak aan de last moet voldoen. Deze voorlopige voorziening houdt in dat de begunstigingstermijn van de last onder dwangsom wordt verlengd tot zes weken na verzending van deze uitspraak. De voorzieningenrechter acht dit, gelet op wat op de zitting hierover is besproken, een redelijke termijn om aan de last te kunnen voldoen, die niet wezenlijk langer is dan nodig om aan de last te kunnen voldoen.

9.       Gelet op het bovenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

10.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.       bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de begunstigingstermijn, die is verbonden aan de last onder dwangsom die bij besluit van het college van burgemeester en wethouders van Drechterland van 25 oktober 2023, kenmerk 137812, is opgelegd, wordt verlengd tot zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak;

III.      wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. A. ten Veen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier.

w.g. Ten Veen
voorzieningenrechter

w.g. Van Helvoort
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026

361


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon