Uitspraak BRS.25.000739
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5373
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000739
ECLI:NL:RVS:2026:5373
Datum uitspraak: 11 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 22 mei 2025 in zaak nr. NL23.35777 in het geding tussen:
[betrokkene] mede voor haar minderjarige kinderen,
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 augustus 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkenen om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 7 november 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 mei 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. C.T.W. van Dijk, advocaat in Utrecht, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkenen zijn een moeder met haar twee minderjarige zonen met de Ghanese nationaliteit. De moeder is in 2009 naar Nederland gekomen met een mvv. Zij heeft met ingang van 19 maart 2009 tot 16 augustus 2010 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ gehad voor verblijf bij haar toenmalige partner. De kinderen zijn in Nederland geboren op 8 september 2010 en 2 september 2014. De minister heeft de vader van de kinderen in 2014 uitgezet naar Ghana. Betrokkenen hebben op 23 februari 2019 tevergeefs een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Afsluiting Definitieve Regeling langdurig verblijvende kinderen. Op 31 mei 2022 hebben betrokkenen aanvragen ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking niet tijdelijke humanitaire gronden voor het uitoefenen van privéleven in verband met artikel 8 van het EVRM. Over die aanvraag gaat deze procedure. Betrokkenen hebben Best Interests of the Child-Assessments (BIC-rapporten) van 15 december 2020 en 29 april 2022 overgelegd over de belangen van de kinderen.
1.1. De minister heeft de aanvraag afgewezen en die afwijzing in het besluit op bezwaar gehandhaafd. Volgens de minister valt een belangenafweging tussen het belang van betrokkenen om hun privéleven in Nederland voort te zetten en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid in het nadeel van betrokkenen uit.
2. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister in overeenstemming met de opdracht van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. De rechtbank heeft namelijk zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken vastgesteld in de door de minister gemaakte belangenafweging. De Afdeling oordeelt dat de minister zijn klachten daarover deels terecht voordraagt, maar zijn grieven niet leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Afdeling bespreekt niet alle grieven van de minister. Een oordeel over die niet besproken grieven acht de Afdeling op dit moment niet nodig, omdat de uitkomst van deze zaak is dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen waarin de minister een nieuwe beoordeling moet maken van alle relevante feiten en omstandigheden en het recht op het moment van het nemen van dat besluit moet toepassen.
Het BIC-rapport van 15 december 2020
3. In grief 1 klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij het BIC-rapport van 15 december 2020 niet kenbaar in zijn besluitvorming heeft betrokken en zijn besluitvorming alleen al daarom gebrekkig is.
3.1. De minister voert aan dat hij in het besluit van 25 augustus 2022 heeft genoemd dat het BIC-rapport van 29 april 2022 een actualisatie is van het BIC-rapport van 15 december 2020 en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn besluitvorming inhoudelijk is ingegaan op beide rapporten, die weinig verschilpunten bevatten. Dit betoog slaagt. De rechtbank heeft ten onrechte niet getoetst of gemotiveerd op welke inhoudelijke passages uit het BIC-rapport van 15 december 2020 de minister volgens haar ten onrechte niet is ingegaan. Uit het feit dat de minister het rapport van 15 december 2020 niet heeft genoemd in het besluit op bezwaar van 7 november 2023 volgt op zichzelf niet dat de minister inhoudelijk is voorbijgegaan aan de in dat rapport genoemde omstandigheden en conclusies.
3.2. De minister heeft zijn klacht terecht voorgedragen.
Beoordelingskader over het belang van het kind
4. In grief 2 klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij het belang van de kinderen ten onrechte niet voorop heeft gesteld in zijn belangenafweging. Volgens de rechtbank heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt dat het ‘in het beste belang van de kinderen is om naar Ghana te vertrekken, ondanks hun kwetsbaarheden en de risico’s van dat vertrek.
4.1. De minister voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet gehouden is om te motiveren dat het in het belang is van de kinderen dat zij hun privéleven in Ghana voortzetten. De minister moet een belangenafweging maken tussen het belang van betrokkenen om hun privéleven in Nederland voort te zetten en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid. De minister moet in die belangenafweging aanzienlijk gewicht toekennen aan het belang van het kind, hoewel dat belang niet al op zichzelf doorslaggevend is voor de uitkomst van de belangenafweging. De uitkomst van de belangenafweging hangt immers af van een weging van alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden. Dit volgt uit de rechtspraak van het EHRM (arresten van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709, paragraaf 78, 24 juli 2014, Kaplan e.a. tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411, paragrafen 88 en 98, en 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 109). Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3813, onder 4 tot en met 4.4.
4.2. De minister heeft zijn klacht terecht voorgedragen.
De juistheid van de conclusies in de BIC-rapporten en de motivering over het gewicht dat daaraan toekomt in de belangenafweging
5. In grief 3 klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij onvoldoende waarde heeft gehecht aan de conclusies in de BIC-rapporten. Volgens de rechtbank moet de minister van de conclusies in die rapporten uitgaan, omdat hij geen aanknopingspunten naar voren heeft gebracht om te twijfelen aan de juistheid of volledigheid van die deskundigenrapporten. In grief 4 klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij in zijn besluitvorming onvoldoende is ingegaan op de banden van de kinderen met Ghana, de banden van de kinderen met Nederland en de voor de kinderen te verwachten moeilijkheden bij een gedwongen vertrek naar Ghana, waaronder het grote risico op ontwikkelingsschade. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de informatie in de BIC-rapporten.
5.1. De minister voert tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij in zijn belangenafweging voldoende is ingegaan op alle bevindingen uit de BIC-rapporten. De minister heeft deze bevindingen weliswaar voor een deel weerlegd, maar is niet op alle bevindingen uit de BIC-rapporten ingegaan.
5.2. De minister is wel voldoende ingegaan op de bevindingen uit de BIC-rapporten over de banden van de kinderen met Ghana en de eventuele ondersteuning van het in Ghana aanwezige netwerk. De minister wijst er namelijk terecht op dat uit deze bevindingen in de BIC-rapporten niet volgt dat betrokkenen in het geheel geen steun kunnen krijgen van een netwerk in Ghana en dat uit wat betrokkenen hebben aangevoerd niet volgt dat geen herstel van het contact met de vader van de kinderen mogelijk is. Verder wijst de minister er terecht op dat betrokkenen niet met stukken hebben onderbouwd dat de moeder de kinderen in Ghana geen stabiliteit en zorg kan bieden.
5.3. De minister gaat in zijn besluitvorming en ook in de grieven echter niet voldoende in op de ook in de BIC-rapporten beschreven bevindingen over de banden van de kinderen met Nederland en individuele omstandigheden die samenhangen met het risico op ontwikkelingsschade dat voor hen bestaat.
5.4. In zijn besluitvorming heeft de minister in het voordeel van betrokkenen meegewogen dat zij in Nederland naar school gaan in het basis- en middelbaar onderwijs. De minister heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de banden van de kinderen met Nederland inherent zijn aan hun verblijf in Nederland. Daaruit volgt echter niet welk gewicht de minister aan die banden heeft toegekend en dus ook niet dat de minister aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan de schoolgang, contacten en activiteiten van de kinderen. Dat had de minister wel moeten doen om daadwerkelijk rekening te houden met het belang van het kind. Vergelijk eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026, onder 4.4 en 5.3.
5.5. Verder is de minister in zijn besluitvorming niet concreet ingegaan op de in de BIC-rapporten genoemde individuele omstandigheden die gaan over het risico op ontwikkelingsschade. De minister heeft in het besluit van 25 augustus 2022 aangenomen dat het in het belang van de kinderen is dat zij hun privéleven in Nederland kunnen voortzetten en dat de mogelijkheid bestaat dat voor de kinderen problemen ontstaan bij een vestiging in Ghana. In het besluit van 7 november 2023 staat dat hij niet verwacht dat er grote problemen in de ontwikkeling van de kinderen ontstaan bij een vertrek naar Ghana, hoewel het moeilijk zal zijn voor de kinderen om zich aan te passen. De minister heeft er daarbij op gewezen dat de moeder de kinderen voldoende kan ondersteunen en begeleiden, dat de kinderen nog jong zijn, dat de kinderen de Ghanese taal spreken, dat de kinderen via hun moeder bekend zijn met de Ghanese cultuur, dat in Ghana een netwerk aanwezig is en dat de kinderen op afstand contact kunnen houden met hun netwerk in Nederland. Daarmee heeft de minister weliswaar oog gehad voor de positie van de kinderen, maar is hij niet deugdelijk gemotiveerd ingegaan op de bevindingen uit de BIC-rapporten over de te verwachten ontwikkelingsschade. De minister heeft namelijk niet uitdrukkelijk bij zijn motivering betrokken dat uit de BIC-rapporten volgt dat een grote kans bestaat op ontwikkelingsschade en is onvoldoende ingegaan op wat het voor de ontwikkeling van de kinderen betekent als zij in Ghana moeten wonen.
5.6. De minister voert verder tevergeefs aan dat algemene uitspraken in de BIC-rapporten over de kwaliteit van onderwijs en zorg niet doorslaggevend zijn voor zijn belangenafweging, omdat die kwaliteit geldt voor alle kinderen in een bepaald land en het recht op onderwijs gewaarborgd is. De opstellers van de BIC-rapporten hebben, onder verwijzing naar algemene landeninformatie, namelijk ingeschat wat het voor de kinderen betekent als zij hun leven in Ghana moeten voortzetten. Dus die algemene uitspraken zijn geïndividualiseerd en op deze kinderen toegespitst. Dat de kwaliteit van onderwijs en zorg voor alle kinderen in Ghana soortgelijk is, betekent daarom niet dat de minister eraan voorbij mag gaan dat een verandering in de kwaliteit van onderwijs en zorg bij een uitzetting van Nederland naar Ghana volgens de BIC-rapporten gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de kinderen in deze zaak. Als zodanig is het dus een aspect dat de minister in deze zaak in zijn beoordeling moet betrekken.
5.7. De grieven 3 en 4 slagen niet.
Conclusie
6. Uit het oordeel van de Afdeling over de grieven 3 en 4 volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. Om deze reden kunnen de grieven 1 en 2 niet tot het daarmee beoogde doel leiden. In een nieuw besluit op bezwaar moet de minister alsnog ingaan op de ook in de BIC-rapporten beschreven banden van de kinderen met Nederland en individuele omstandigheden die samenhangen met het risico op ontwikkelingsschade dat voor hen bestaat.
6.1. Voor de nieuwe besluitvorming wijst de Afdeling de minister er naar aanleiding van grief 7 op dat de minister voor het eerst in beroep heeft aangenomen dat een belangenafweging tussen het belang van de moeder en haar kinderen bij voortzetting van hun privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid alleen in uitzonderlijke omstandigheden in het voordeel van de moeder en haar kinderen kan uitvallen. Vergelijk de arresten van het EHRM van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, paragraaf 79, en 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 58 en 61. In zijn besluitvorming heeft de minister dat standpunt niet ingenomen en erop gewezen dat de moeder met een mvv naar Nederland is gekomen en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft gehad voor verblijf bij haar toenmalige partner. De minister zal in een nieuw besluit op bezwaar deugdelijk moeten motiveren welk uitgangspunt hij aan zijn belangenafweging ten grondslag legt.
6.2. Wat de minister verder aanvoert in de grieven 5 tot en met 8 behoeft geen bespreking. Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden waarop deze rust. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.J. Jongeneel, griffier.
w.g. De Poorter
voorzitter
w.g. Jongeneel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026
958