Uitspraak BRS.26.004427
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5416
- Datum uitspraak
- 14 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.004427 en BRS.26.004428
ECLI:NL:RVS:2026:5416
Datum uitspraak: 14 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 14 augustus 2026 in zaak nr. NL26.15027 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 16 maart 2026 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat hij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 14 augustus 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bulthuis, advocaat in Groningen, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Appellant werpt in grief 1 de vraag op of de door de minister gemaakte geloofwaardigheidsbeoordeling met toepassing van WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het asielrelaas van appellant ongeloofwaardig is, en de minister daarbij alle relevante aspecten heeft betrokken, leidt de toepassing van WI 2024/6 in het geval van appellant niet tot een onrechtmatig besluit.
2. Uit het voorgaande volgt dat beantwoording van de door appellant opgeworpen vraag over de uitleg van artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, niet nodig is voor de oplossing van deze zaak. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punt 34, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 35, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding om deze zaak aan te houden in afwachting van een antwoord van het Hof op de al gestelde prejudiciële vragen van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:139.
3. De grieven van appellant leiden niet tot een gegrond hoger beroep. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift, naast grief 1, geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
4. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Drop
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026
392