Uitspraak 202405259/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5400
- Datum uitspraak
- 10 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202405259/1/V1.
Datum uitspraak: 10 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
[appellant]
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2024 in zaak nr. NL24.18125 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 24 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.R. Coene, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Bij besluit van 11 juni 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant ingewilligd.
Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten.
Overwegingen
1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 6 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 11 juni 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk.
3. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 11 juni 2026, hangende het hoger beroep, een besluit genomen op de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen.
4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe.
5. De minister is in het besluit van 11 juni 2026 geheel aan de aanvraag van appellant tegemoetgekomen. Appellant heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet laten weten het niet eens te zijn met dit besluit. Er is geen beroep van rechtswege ontstaan, als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, waarop de Afdeling nog moet beslissen.
6.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026
1078