Uitspraak 202301249/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5109
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 15 december 2020 heeft het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen aan de gemeente Ommen een watervergunning verleend voor het realiseren van een brug over de Vecht nabij Junne, inclusief aansluitende infrastructuur en een duikerbrug in/over de vispassage naast de Vecht, gelegen op de percelen kadastraal bekend gemeente Ambt-Ommen, sectie P, nummers 132, 140 en 838, en sectie F, nummer 4084 en 4587, nabij de sluis en stuw in Junne. In de rivier de Vecht ligt, ten noorden van Junne, een stuw met primair een waterstaatkundige functie. Bovenop de stuw ligt een brug die is voorzien van een wegdek met een verkeerskundige functie. Doordat er de afgelopen jaren zwaar verkeer over de brug is gereden, zijn er scheuren in het metselwerk van de stuw ontstaan. In de periode 1998-2017 was het gebruik van de brug alleen toegestaan voor verkeer tot maximaal 3 ton, met een ontheffingsmogelijkheid voor lokaal zwaar verkeer tot maximaal 15 ton. Sinds 2017 is deze ontheffingsmogelijkheid afgeschaft. Om ervoor te zorgen dat al het gemotoriseerde verkeer, waaronder het zwaar verkeer, de Vecht weer kan oversteken, heeft de gemeente Ommen het voornemen een nieuwe brug te realiseren. De nieuwe brug komt op 15 meter afstand van de bestaande brug te liggen.
- Hoger beroep
- Water
Toon inhoud
202301249/1/R1.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Stichting Leefbaar Buitengebied, gevestigd in Geerdijk, gemeente Twenterand, [appellant A] en [appellant B], beiden wonend in Ommen (de Stichting en anderen),
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 19 januari 2023 in zaken nrs. 21/1059, 21/1161 en 21/1162 in het geding tussen onder meer:
de Stichting en anderen
en
het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen.
Procesverloop
Bij besluit van 15 december 2020 heeft het dagelijks bestuur aan de gemeente Ommen een watervergunning verleend voor het realiseren van een brug over de Vecht nabij Junne, inclusief aansluitende infrastructuur en een duikerbrug in/over de vispassage naast de Vecht, gelegen op de percelen kadastraal bekend gemeente Ambt-Ommen, sectie P, nummers 132, 140 en 838, en sectie F, nummer 4084 en 4587, nabij de sluis en stuw in Junne.
Bij besluit van 1 juni 2021 heeft het dagelijks bestuur het door de Stichting en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 19 januari 2023 heeft de rechtbank, voor zover van belang, het door de Stichting en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de Stichting en anderen hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Ook het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Stichting en anderen en het dagelijks bestuur hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak, samen met de zaak met nummer 202301362/1/R3, op een zitting behandeld op 15 juni 2026. In deze zaak zijn verschenen de Stichting en anderen, bij monde van [appellant B] en (via een videoverbinding [appellant A], beiden bijgestaan door mr. S.P.M. Schaap, advocaat in Raalte, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. V.A. Textor, advocaat in Arnhem, en M.G.M. Hoek, en het college, vertegenwoordigd door E.J. Greving, bijgestaan door mr. M.W. van Nijendaal, advocaat in Arnhem, en vergezeld van, H.J. Schreuder en A.J. Dekker. Verder is op de zitting de gemeente Ommen, vertegenwoordigd door mr. M.J. Tunnissen, advocaat in Arnhem, als vergunninghouder gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een watervergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
De aanvraag om een watervergunning is ingediend op 24 november 2020. Dat betekent dat in dit geval de Waterwet, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. In de rivier de Vecht ligt, ten noorden van Junne, een stuw met primair een waterstaatkundige functie. Bovenop de stuw ligt een brug die is voorzien van een wegdek met een verkeerskundige functie. Doordat er de afgelopen jaren zwaar verkeer over de brug is gereden, zijn er scheuren in het metselwerk van de stuw ontstaan. In de periode 1998-2017 was het gebruik van de brug alleen toegestaan voor verkeer tot maximaal 3 ton, met een ontheffingsmogelijkheid voor lokaal zwaar verkeer tot maximaal 15 ton. Sinds 2017 is deze ontheffingsmogelijkheid afgeschaft. Om ervoor te zorgen dat al het gemotoriseerde verkeer, waaronder het zwaar verkeer, de Vecht weer kan oversteken, heeft de gemeente Ommen het voornemen een nieuwe brug te realiseren. De nieuwe brug komt op 15 meter afstand van de bestaande brug te liggen.
3. De gemeente Ommen heeft hiervoor, gelet op artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Keur waterschap Vechtstromen (de Keur) een watervergunning aangevraagd. Bij besluit van 15 december 2020 heeft het dagelijks bestuur de gevraagde watervergunning met voorschriften verleend. Het standpunt van het dagelijks bestuur is dat met inachtneming van de aan de vergunning verbonden voorschriften de zorg voor de waterhuishouding voldoende wordt gewaarborgd. Het dagelijks bestuur heeft bij besluit op bezwaar van 1 juni 2021 de watervergunning in stand gelaten.
De rechtbank heeft het door de Stichting en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. De Stichting en anderen kunnen zich hier niet mee verenigen.
4. Voor de bouw van de brug is ook een vergunning nodig op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij besluit van 21 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ommen op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder d en onder g, van de Wabo verleend. Deze vergunning is het onderwerp van de zaak 202301362/1/R3 die ook op 15 juni 2026 is behandeld, en waarin bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2026:5108 uitspraak is gedaan.
Ontvankelijkheid hoger beroep
5. Het dagelijks bestuur stelt dat de Stichting en anderen geen belanghebbenden zijn bij het besluit tot verlening van de watervergunning.
5.1. De Stichting is, gelet op haar statutaire doelstellingen en de overgelegde lijst van feitelijke werkzaamheden, belanghebbende in deze zaak. Alleen al hierom is het hoger beroep van de Stichting ontvankelijk. Omdat het hogerberoepschrift dat is ingediend namens de Stichting mede is ingediend namens [appellant A] en [appellant B], en een oordeel in deze uitspraak omtrent belanghebbendheid van [appellant A] en [appellant B] in deze procedure voor geen van partijen van belang is, laat de Afdeling dit in het midden. De Afdeling zal het hoger beroep hierna inhoudelijk behandelen.
Procedure
6. De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet digitaal horen van de Stichting en anderen in bezwaar en het in plaats daarvan bieden van een extra schriftelijke ronde, niet in strijd is met de ratio van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens de Stichting en anderen is een schriftelijke ronde niet hetzelfde als gehoord worden door een bezwaarschriftencommissie. Volgens de Stichting en anderen kan niet om andere redenen dan genoemd in artikel 7:3 van de Awb worden afgeweken van het horen van belanghebbenden.
6.1. Van het horen van een belanghebbende kan slechts worden afgezien in de in artikel 7:3 van de Awb genoemde situaties. Die situaties zijn in dit geval niet aan de orde. Het dagelijks bestuur heeft daarom ten onrechte afgezien van het horen van de Stichting en anderen. De rechtbank heeft dus ten onrechte geoordeeld dat een extra schriftelijke ronde in plaats van het mondeling horen in bezwaar, niet in strijd is met artikel 7:2 van de Awb.
Hoewel het horen een essentieel onderdeel vormt van de bezwaarschriftprocedure, kan dit gebrek in dit geval worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Dat artikel bepaalt dat een besluit waartegen beroep is ingesteld ondanks schending van een rechtsregel in stand kan worden gelaten, indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. De Stichting en anderen zijn in de bezwaarprocedure in de gelegenheid gesteld om hun bezwaren toe te lichten en te reageren op het verweerschrift van het dagelijks bestuur. Dat dit destijds door de coronapandemie schriftelijk is gebeurd, is begrijpelijk. Het dagelijks bestuur heeft deze schriftelijke reacties betrokken bij zijn afweging. De Stichting en anderen zijn ook in beroep en hoger beroep in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten. De Afdeling acht aannemelijk dat belanghebbenden door het gebrek niet zijn benadeeld. Het betoog van de Stichting leidt dus niet tot vernietiging van het besluit van 1 juni 2021.
Had het dagelijks bestuur een watervergunning mogen verlenen?
7. De Stichting en anderen betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het dagelijks bestuur een watervergunning had mogen verlenen. Volgens de Stichting en anderen heeft de rechtbank niet onderkend dat de watervergunning is verleend in strijd met de "Beleidsregels waterkwantiteit Keur waterschap Vechtstromen" (de beleidsregels).
Om dit te onderbouwen voeren de Stichting en anderen aan dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beoordeeld of het nut en de noodzaak van de brug zijn aangetoond. Volgens de Stichting en anderen is de bestaande brug in een goede constructieve staat.
De Stichting en anderen voeren verder aan dat de nieuwe brug op een afstand van 15 meter van de bestaande brug komt te liggen. Dit voldoet niet aan de in de beleidsregels vereiste afstand van 250 meter tussen twee bruggen. Volgens de Stichting en anderen heeft de rechtbank niet gemotiveerd waarom zij het standpunt van het dagelijks bestuur volgt dat er maar één brug zal zijn omdat de bestaande brug wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. De Stichting en anderen stellen dat het begrip "brug" moet worden uitgelegd naar normaal spraakgebruik en dat de bestaande brug daarom nog steeds een brug blijft, ook als deze wordt afgesloten. Volgens de Stichting en anderen valt nog niet met zekerheid te zeggen welke functie de bestaande brug zal krijgen.
7.1. Artikel 6.21 van de Waterwet kent een limitatieve opsomming van weigeringsgronden. Het dagelijks bestuur kan een watervergunning slechts weigeren als de vergunning niet verenigbaar zou zijn met de doelstellingen genoemd in artikel 2.1, eerste lid, of de belangen bedoeld in artikel 6.11 van de Waterwet.
7.2. Het dagelijks bestuur heeft op grond van artikel 6.21 van de Waterwet, in samenhang met artikel 3.2, eerste lid, van de Keur, de watervergunning voor het realiseren van een brug verleend. Hoofdstuk 2 van de beleidsregels bevat de regels voor het aanleggen van bruggen in en over oppervlaktewaterlichamen. Met dit beleid heeft het dagelijks bestuur invulling gegeven aan de bevoegdheid die zij op basis van artikel 6.21 van de Waterwet heeft.
In hoofdstuk 2.4 van de beleidsregels staat het afwegingskader voor het al dan niet verlenen van een watervergunning voor een brug. Het criterium onder 1 luidt: "Een watervergunning wordt in beginsel alleen verleend als aangetoond wordt, dat de brug nodig is om op een efficiënte manier van het ene perceel op het andere te komen, dus dienst doet als overgang. Daar waar mogelijk dienen bestaande overgangen te worden benut. Per perceel wordt maximaal 1 brug toegestaan. Bij percelen die over een grotere afstand aan een oppervlaktewaterlichaam grenzen, kunnen 2 of meer bruggen worden toegestaan. Als uitgangspunt wordt een afstand tussen de bruggen 250 meter gehanteerd."
7.3. Het gaat in deze zaak over de vraag of het dagelijks bestuur de watervergunning, gelet op de beleidsregels, had mogen verlenen. De Afdeling overweegt dat de brug "nodig" is als bedoeld in de beleidsregels indien de brug dienst doet als overgang om op een efficiënte manier van het ene perceel op het andere perceel te komen. Het dagelijks bestuur heeft toegelicht dat dit het geval is, omdat de bestaande brug op de stuw niet langer door al het gemotoriseerde verkeer als overgang kan worden gebruikt door scheuren in het metselwerk van de stuw. De Afdeling acht dit aannemelijk en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de watervergunning in strijd met de beleidsregels is verleend.
Wat betreft de vereiste afstand van 250 meter, overweegt de Afdeling het volgende. Volgens de begripsbepaling onder hoofdstuk 2.1 van de beleidsregels is een "brug" een werk over een oppervlaktewaterlichaam, dat bedoeld is om een perceel te ontsluiten of om wegen over oppervlaktewaterlichamen te verbinden. Gelet hierop kan de bestaande brug als een "brug" in de zin van de beleidsregels worden beschouwd, ook wanneer deze wordt afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Dit betekent dat de afstand van de nieuwe brug tot de bestaande brug korter is dan het in de beleidsregels opgenomen uitgangspunt van 250 meter.
Op de zitting heeft het dagelijks bestuur echter toegelicht dat de brug op een afstand van 15 meter van de stuw komt zodat de brug kan worden aangesloten op het bestaande wegennet. Verder heeft het dagelijks bestuur op de zitting toegelicht dat het de afweging heeft gemaakt of bij een afstand van 15 meter tussen de twee bruggen de doelstellingen uit artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet niet in het gedrang komen. Volgens het dagelijks bestuur worden door de afstand van 15 meter het onderhoud aan de watergang en de doelstellingen uit artikel 2.1, eerste lid, van de Waterwet niet belemmerd. De Stichting en anderen hebben dit niet weersproken, zodat de Afdeling ook geen aanleiding ziet om hieraan te twijfelen.
Voor zover de Stichting en anderen hebben gewezen op een interne memo van de gemeente van 4 juli 2024, overweegt de Afdeling dat dit memo van na het besluit op bezwaar is, zodat het dagelijks bestuur daarin geen aanleiding heeft hoeven zien de watervergunning niet te verlenen. Overigens heeft het dagelijks bestuur op de zitting toegelicht dat het naar aanleiding van de memo intern onderzoek heeft verricht en dat de nieuwe brug geen effecten heeft op de doorstroming of het beheer en onderhoud van de watergang.
Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank, gelet op wat hiervoor is overwogen, terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het dagelijks bestuur de watervergunning niet had mogen verlenen vanwege strijd met de beleidsregels.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank, met verbetering van de gronden.
9. Het dagelijks bestuur moet, gelet op wat onder rechtsoverweging 6.1 is overwogen, de proceskosten voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep van de Stichting en anderen vergoeden, behoudens voor zover daarin is gevraagd om vergoeding van de diensten van EcoNatura.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen tot vergoeding van bij Stichting Leefbaar Buitengebied, [appellant A] en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van €3.747,00, waarvan €3.736,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
III. gelast dat het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen aan Stichting Leefbaar Buitengebied, [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 913,00 vergoedt, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. J.F. de Groot, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. L.C.M. Wijgerde, griffier.
w.g. De Groot
voorzitter
w.g. Wijgerde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
672-1138
Vergunningen voor nieuwe brug over de Vecht in Ommen
Uitspraak over de watervergunning die het dagelijks bestuur van het waterschap Vechtstromen heeft verleend aan de gemeente Ommen voor het vervangen van de brug over de Vecht in de buurt van de sluis en de stuw in Junne. Boven op de stuw ligt een brug. Doordat er de afgelopen jaren zwaar verkeer over de brug is gereden, zijn er scheuren in het metselwerk van de stuw ontstaan. Daarom is besloten dat zwaar verkeer niet meer over de brug mocht rijden. Om ervoor te zorgen dat al het verkeer, dus ook zwaar verkeer, de Vecht weer kan oversteken, heeft de gemeente Ommen besloten een nieuwe brug over de Vecht aan te leggen. Deze brug komt op vijftien meter afstand van de bestaande brug. Om dat mogelijk te maken heeft het waterschap een watervergunning verleend. Stichting Leefbaar Buitengebied is tegen de watervergunning in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Volgens de stichting heeft het waterschap de vergunning verleend in strijd met de eigen beleidsregels, omdat de nieuwe brug op te korte afstand van de oude brug komt te liggen. Zie ook de uitspraak met zaaknummer 202301362/1 die de Afdeling bestuursrechtspraak ook op 9 september 2026 openbaar maakt. Die uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Ommen heeft verleend voor het aanleggen van de nieuwe brug. Erfgoedvereniging Heemschut, Stichting Leefbaar Buitengebied, de Fietsersbond en een inwoner van Ommen zijn het niet eens met deze vergunning. Ze betwisten de noodzaak van de aanleg van de nieuwe brug. Ook zou er te weinig onderzoek zijn gedaan naar de gevolgen van de nieuwe brug voor de verkeerssituatie. Volgens de bezwaarmakers zal de aanleg van de nieuwe brug leiden tot een grote toename van het verkeer dat van de brug gebruik zal maken, wat vervolgens verkeersonveilige situaties tot gevolg heeft. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft beide zaken op 15 juni 2026 op zitting behandeld.