Uitspraak 202307783/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5340
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- In het besluit van 3 november 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland aan Greenpoint Ontwikkelingsmaatschappij B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in gebruik nemen van een tankstation, een verkoopruimte inclusief een bereidingsruimte voor broodjes en snacks en een reclamemast op het bedrijvenpark Prisma in Bleiswijk (kavel 7E). Greenpoint heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor het oprichten en in gebruik nemen van een zogeheten multifuel-tankstation (MFT) waar naast vloeibare brandstoffen (benzine en diesel) ook waterstof, LNG (vloeibaar aardgas), CNG (aardgas onder druk) en elektriciteit aan motorvoertuigen wordt afgeleverd. De aanvraag gaat ook over een verkoopruimte inclusief een bereidingsruimte voor broodjes en snacks, en een reclamemast. Het MFT komt op de hoek van de Nieuwe Hoefweg (N209) en de Zoetermeerselaan in Bleiswijk, aan de rand van het bedrijventerrein Prisma, te liggen. [partij A] heeft het perceel in maart 2022 in eigendom verkregen. [partij B] zal het MFT exploiteren.
- Hoger beroep
- Bouwen
Toon inhoud
202307783/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Belangenvereniging de Kruisweg, gevestigd in Bleiswijk, gemeente Lansingerland,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 november 2023 in zaak nr. 21/6199 in het geding tussen:
de Belangenvereniging
en
het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland.
Procesverloop
In het besluit van 3 november 2021 heeft het college aan Greenpoint Ontwikkelingsmaatschappij B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten en in gebruik nemen van een tankstation, een verkoopruimte inclusief een bereidingsruimte voor broodjes en snacks en een reclamemast op het bedrijvenpark Prisma in Bleiswijk (kavel 7E).
In het besluit van 6 juli 2022 heeft het college de aan Greenpoint verleende omgevingsvergunning gewijzigd.
Bij uitspraak van 10 november 2023 heeft de rechtbank het door de Belangenvereniging tegen het besluit van 3 november 2021 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wat betreft de in het besluit van 6 juli 2022 herstelde gebreken en het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 6 juli 2022 ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de Belangenvereniging hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Belangenvereniging heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 24 juli 2026, waar de Belangenvereniging, vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. M.J.J. de Winter, advocaat in Sint-Maartensdijk, en het college, vertegenwoordigd door drs. W.L. Zwijnenburg, bijgestaan door mr. M.J.O. Copier en mr. L.J. Gerritsen, beiden advocaat in Nijmegen, en vergezeld door F. Lelieveld en ing. V.A. Voogt, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting [partij A] en [partij B], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. T. Vlug, advocaat in Rotterdam, gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 18 januari 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Greenpoint heeft een omgevingsvergunning gevraagd voor het oprichten en in gebruik nemen van een zogeheten multifuel-tankstation (MFT) waar naast vloeibare brandstoffen (benzine en diesel) ook waterstof, LNG (vloeibaar aardgas), CNG (aardgas onder druk) en elektriciteit aan motorvoertuigen wordt afgeleverd. De aanvraag gaat ook over een verkoopruimte inclusief een bereidingsruimte voor broodjes en snacks, en een reclamemast.
Het MFT komt op de hoek van de Nieuwe Hoefweg (N209) en de Zoetermeerselaan in Bleiswijk, aan de rand van het bedrijventerrein Prisma, te liggen. [partij A] heeft het perceel in maart 2022 in eigendom verkregen. [partij B] zal het MFT exploiteren.
Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Hoefweg-Noord Prisma" (het bestemmingsplan). Het college heeft besloten om medewerking te verlenen aan realisering van het bouwplan. Het heeft een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo, en daarbij toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3o, van de Wabo. Het heeft daarnaast een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo voor het oprichten van een inrichting.
3. De Belangenvereniging is opgericht toen de plannen voor het bedrijventerrein Prisma bekend werden. Zij behartigt de belangen van de bewoners van de Kruisweg. De Kruisweg ligt ten oosten van het bedrijventerrein. Tussen de Kruisweg en het bedrijventerrein ligt de N209. De afstand tussen het perceel waarop het MFT is voorzien en de dichtstbijzijnde woning aan de Kruisweg is 85 m. De Belangenvereniging vreest dat het MFT zal leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners van de Kruisweg. Zij maakt zich vooral zorgen over de (brand)veiligheid.
Toetsingskader bij afwijking van het bestemmingsplan
4. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Beoordeling van het hoger beroep
5. De Belangenvereniging betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen verklaring van geen bedenkingen van de raad van de gemeente is vereist.
Zij voert hierover aan dat het besluit van de raad van 6 september 2012, waarbij categorieën gevallen zijn aangewezen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist (aanwijzingsbesluit), in strijd is met de rechtszekerheid en onverbindend moet worden verklaard. Volgens de Belangenvereniging kunnen nagenoeg alle projecten onder het aanwijzingsbesluit worden gebracht. Elk plan, ook een schetsplan, kan door het college worden aangemerkt als een 'andersoortig ruimtelijk plan' of 'stedenbouwkundig plan'. En omdat aan de wijze van behandeling geen eisen zijn gesteld, is iedere vorm van behandeling in de commissie of de raad, hoe kort en beperkt ook en of dat vertrouwelijk, kenbaar of niet kenbaar is, voldoende, zonder dat voor derden duidelijk is, en zonder dat de commissie of raad dit zou hebben voorzien. Van een concrete en duidelijke aanwijzing van gevallen waarin een verklaringen van geen bedenkingen niet is vereist, is dus geen sprake, zo betoogt de Belangenvereniging.
Zij voert verder aan dat de Visie Lansingerland duurzaam (de Duurzaamheidsvisie) geen sectorale beleidsnota is als bedoeld in het aanwijzingsbesluit en verder dat, als dat wel zo is, de realisering van het MFT op het perceel daarmee niet in overeenstemming is. Zij wijst er daarbij op dat het MFT ook fossiele brandstoffen verkoopt en deze brandstoffen niet duurzaam zijn.
5.1. Het college kan op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo met een omgevingsvergunning afwijken van het bestemmingsplan als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), is bepaald dat indien sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet wordt verleend, dan nadat de raad heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben. Op grond van artikel 6.5, derde lid, van het Bor kan de raad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist.
5.2. In het aanwijzingsbesluit heeft de raad categorieën van gevallen aangewezen waarvoor een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. In artikel 1, aanhef en onder a, van dit aanwijzingsbesluit staat dat geen verklaring van geen bedenkingen is vereist voor een project dat gelegen is in een door de commissie Ruimte en/of gemeenteraad behandeld (voor)ontwerpbestemmingsplan, een structuurvisie, een stedenbouwkundig plan, een masterplan, een ruimtelijke visie of andersoortig ruimtelijk plan en/of een sectorale beleidsnota en daarmee in overeenstemming is en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening.
5.3. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het bouwplan geen verklaring van geen bedenkingen is vereist, omdat het is overeenstemming is met de Duurzaamheidsvisie, een sectorale beleidsnota zoals bedoeld in het aanwijzingsbesluit.
5.4. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 27 augustus 2014, 201310261/1/A1 (ECLI:NL:RVS:2014:3207), heeft geoordeeld bevat artikel 6.5, derde lid, van het Bor geen vereisten voor de aanwijzing en houdt het evenmin een beperking in voor de categorieën die opgenomen kunnen worden in de aanwijzing. Dat betekent evenwel niet dat die categorieën ook op een zodanige wijze mogen worden geformuleerd dat aan de aanwijzing geen of nauwelijks nog onderscheidende betekenis meer valt toe te kennen. Een dergelijke aanwijzing voldoet niet aan de daaraan uit een oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen en maakt bovendien de in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor neergelegde hoofdregel zinledig.
5.5. De Afdeling ziet in wat de Belangenvereniging heeft aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat in dit geval het aanwijzingsbesluit onvoldoende concreet is en geen onderscheidende betekenis heeft. De Belangenvereniging wijst er terecht op dat de opsomming van plannen waarin een project moet vallen ruim is, maar het moet wel gaan om plannen die door de commissie Ruimte en/of de raad inhoudelijk en kenbaar zijn behandeld. Van een ongeclausuleerde bevoegdheid van het college om zonder een verklaring van geen bedenkingen een omgevingsvergunning te verlenen, is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake.
5.6. De Afdeling ziet in het aangevoerde ook geen grond voor het oordeel dat de rechtbank de zogenoemde Duurzaamheidsvisie niet heeft kunnen aanmerken als een sectorale beleidsnota als bedoeld in het aanwijzingsbesluit. Voor dat oordeel acht de Afdeling het volgende van belang. De raad heeft deze visie op 18 juli 2019 vastgesteld als integrale duurzaamheidsvisie met de naam "Lansingerland duurzaam". Daarin zijn algemene doelstellingen opgenomen waaraan de gemeente in 2050 volgens de raad moet voldoen ten aanzien van drie thema’s, te weten: energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptie. Per thema zijn concrete doelstellingen en maatregelen opgenomen, die uitgewerkt moeten worden in een uitvoeringsprogramma (de zogenoemde Uitvoeringsagenda duurzaamheid die in 2022 door de raad is vastgesteld). De enkele omstandigheid dat sprake is van een visie waarin geen concrete projecten zijn genoemd, ontneemt aan de visie niet het karakter van beleidsnota. Dat is voor de kwalificatie van de visie als beleidsnota niet nodig.
De rechtbank is onder 7.3.2 gemotiveerd ingegaan op het betoog van de Belangenvereniging dat de MFT niet in overeenstemming is met de Duurzaamheidsvisie, waaronder op het argument van de Belangenvereniging dat het MFT ook fossiele brandstoffen verkoopt. Zij is tot het oordeel gekomen dat het MFT daarmee wel in overeenstemming is. De Afdeling kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank. De Afdeling ziet in wat de Belangenvereniging heeft aangevoerd, geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
5.7. Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat een verklaring van geen bedenkingen van de raad niet is vereist.
Het betoog slaagt niet.
6. De Belangenvereniging betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het project niet past in het gemeentelijk beleid. Zij voert aan dat het project in strijd is met de Duurzaamheidsvisie, omdat, kort gezegd, het MFT met overwegend fossiele brandstoffen niet als duurzaam kan worden bestempeld. De Duurzaamheidsvisie kan niet als basis dienen voor dit project. Zij voert ook aan dat het project niet past in de Omgevingsvisie Lansingerland uit 2022 (de Omgevingsvisie), die uitgaat van een natuurlijke buffer tussen wonen en bedrijvigheid en waarin deze locatie juist is aangewezen voor het versterken van het groenblauwnetwerk. Zij voert verder aan dat het project in strijd is met de Visie Horeca Lansingerland (de Horecavisie), aangezien, gelet op de omvang, het assortiment en de locatie, een zelfstandige horecavoorziening zal worden gerealiseerd.
6.1. Wat betreft het betoog van de Belangenvereniging dat de ontwikkeling in strijd met de Duurzaamheidsvisie verwijst de Afdeling naar wat zij hiervoor onder 5.6 heeft overwogen.
6.2. Over het betoog over de Omgevingsvisie overweegt de Afdeling als volgt.
In de Omgevingsvisie zijn drie pijlers met daarbij behorende ambities geformuleerd. De ambities zijn vertaald in een kaartbeeld. De belangrijkste elementen van die kaarten vormen de Omgevingsvisiekaart. Op één van de kaarten, behorende bij de pijlers, is het door de Belangenvereniging genoemde 'groenblauwnetwerk' aangeduid. Dit netwerk ligt ten zuiden van het perceel. Op de Omgevingsvisiekaart, waarop de belangrijkste elementen uit de kaarten per pijler samen zijn gebracht, ligt het perceel in het deelgebied 'Hoogwaardige bedrijvigheid'. Het perceel is daarop, anders dan de Belangenvereniging stelt, niet als onderdeel van het groenblauwe netwerk weergegeven.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de ontwikkeling ook voor het overige in overeenstemming is met de Omgevingsvisie. Volgens het college is in de Omgevingsvisie van belang dat er voldoende voorzieningen voor emissieloos autoverkeer binnen het deelgebied zijn. Het MFT draagt hieraan bij door waterstof en elektriciteit aan te bieden. De Afdeling kan dit standpunt van het college net als de rechtbank volgen.
6.3. Over het betoog over de Horecavisie overweegt de Afdeling als volgt. In de Horecavisie staat dat op het bedrijventerrein geen solitaire horeca is toegestaan, behalve de in de visie uitdrukkelijk genoemde horecabedrijven. Semi-horeca is vanuit economisch oogpunt wel toegestaan. Semi-horeca is volgens de Horecavisie (intern gerichte) horeca waarbij de horecafunctie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en beschouwd kan worden als een dienstverlening aan de klant. Daarbij is vermeld is dat het belangrijk is dat deze horeca een functieondersteunende rol blijft vervullen en dat de horecafunctie nooit een belangrijkere functie voor de winkel mag worden dan de detailhandelsfunctie.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de verkoopruimte in hoofdzaak een detailhandelsfunctie heeft, waar de getankte brandstoffen worden afgerekend en waar voor een tankstation reguliere producten, namelijk aan auto gerelateerde producten en eten (zoals candybars en frisdrank), kunnen worden gekocht. Er is een beperkt horecagedeelte, waar broodjes worden bereid en verkocht. Er is volgens het college sprake van horeca waarbij de horecafunctie ondergeschikt is aan de hoofdfunctie en beschouwd kan worden als een dienstverlening in het kader van de verkoop van brandstoffen.
De rechtbank is onder 10.5.1.1 en 10.5.1.2 gemotiveerd op het betoog van de Belangenvereniging over de Horecavisie ingegaan. Zij heeft, onder verwijzing naar het deskundigenverslag van 14 december 2022 van de door haar ingeschakelde Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (de STAB), concluderend overwogen dat de vergunde horeca ten dienste staat van de bezoeker die komt tanken.
De Afdeling ziet in wat in hoger beroep is aangevoerd, geen aanleiding om de rechtbank niet te volgen in haar oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling in de Horecavisie past.
6.4. Gelet op het voorgaande komt de Afdeling, net zoals de rechtbank, tot het oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ontwikkeling niet in strijd is met het door de Belangenvereniging genoemde gemeentelijk beleid.
Het betoog slaagt niet.
7. De Belangenvereniging betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een aanvaardbaar beschermingsniveau. Zij voeren aan dat, zolang er geen regelgeving is voor ontwikkelingen als deze, waarin sprake is van de verkoop van een combinatie van brandstoffen, aan de ontwikkeling geen medewerking had mogen worden verleend.
7.1. Uit het besluit blijkt dat ten behoeve van de beoordeling van de gevolgen van de ontwikkeling voor de veiligheid verschillende onderzoeken zijn uitgevoerd.
In een advies van de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond van 25 november 2019 wordt gewezen op de verkoop van verschillende brandstoffen bij het MFT. Er staat dat deze combinatie van activiteiten risico's met zich meebrengt, aanvullend op de risico's van elke afzonderlijke activiteit. Een calamiteit bij de ene activiteit kan immers voor een vervolgscenario zorgen bij een andere activiteit. De Veiligheidsregio acht het daarom van belang dat om, naast de voorschriften die volgen uit de richtlijnen voor de afzonderlijke activiteiten (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen; PGS-richtlijnen) aanvullende maatregelen voor te schrijven om te voorkomen dat een calamiteit bij de ene installatie escalatie naar een andere installatie tot gevolg kan hebben.
In een brief van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) van 11 juni 2021, opgesteld in het kader van de beoordeling van de aan de aanvraag ten grondslag gelegde Risicoanalyse / LNG/H2-tankstation Greenpoint Bleiswijk (QRA) van AVIV van 24 juni 2019, is ook aandacht besteed aan de domino-effecten tussen meerdere naburige brandstofinstallaties van het MFT. Er staat dat op elke afzonderlijke brandstofinstallatie een zogenaamde PGS-richtlijn van toepassing is. Met het oog op het voorkomen van domino-effecten schrijven deze PGS-richtlijnen de minimaal aan te houden interne veiligheidsafstanden tussen de installaties voor. In de brief staat verder dat het RIVM recent een het briefrapport 'Interne en externe afstanden voor muitifueltankstations' heeft gepubliceerd, waarin is beoordeeld welke interne veiligheidsafstanden bij een MFT kunnen worden toegepast. In dat briefrapport is geconcludeerd dat voor een MFT de interne veiligheidsafstanden kunnen worden gehanteerd die de PGS-richtlijnen al voorschrijven voor de afzonderlijke brandstofinstallaties waaruit een MFT is samengesteld.
Het college heeft zich op basis van de uitgevoerde onderzoeken op het standpunt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar beschermingsniveau. Het college heeft aan de omgevingsvergunning de voorschriften verbonden die de Veiligheidsregio heeft geadviseerd, waaronder het voorschrift dat moet worden voldaan aan de veiligheidsafstanden uit de afzonderlijke in deze zaak van toepassing zijnde PGS-richtlijnen.
7.2. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van het betoog van de Belangenvereniging over domino-effecten het advies van de STAB betrokken. De STAB is ingegaan op de vraag van de Belangenvereniging of voldoende rekening wordt gehouden met zogeheten domino-effecten, dat wil zeggen interactie tussen meerdere naburige brandstofinstallaties. In haar verslag staat dat het optreden van domino-effecten een bijzonder aandachtspunt is bij een MFT. Zij heeft in dit verband verwezen naar het briefrapport van het RIVM waarin onderzoek is gedaan naar het optreden van domino-effecten. In dat rapport is geconcludeerd dat voor een MFT dezelfde interne veiligheidsafstanden gehanteerd kunnen worden als de afstanden die de zogeheten PGS-richtlijnen al voorschrijven voor de afzonderlijke brandstofinstallaties waaruit een MFT is samengesteld. De STAB wijst erop dat de PGS-richtlijnen zogeheten BBT-informatiedocumenten zijn waar het bevoegd gezag bij de vergunningverlening rekening mee moet houden. De STAB heeft vastgesteld dat het college advies heeft ingewonnen bij de Veiligheidsregio en de in dat advies opgenomen voorschriften aan de vergunning verbonden. De STAB heeft hierbij nog benadrukt dat in voorschrift 4.3.2 aanvullend is bepaald dat aan de veiligheidsafstanden uit de relevante PGS-richtlijnen moet worden voldaan. Het college heeft zich volgens de STAB dus rekenschap gegeven van het advies van de Veiligheidsregio en bepaald dat aan de veiligheidsafstanden van de onderscheidenlijke PGS-richtlijnen moet worden voldaan, waardoor domino-effecten kunnen worden uitgesloten.
7.3. De rechtbank heeft in wat de Belangenvereniging heeft aangevoerd, geen aanleiding gezien de conclusie van de STAB niet te volgen. De Afdeling ziet in wat in hoger beroep is aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet tot dit oordeel heeft kunnen komen. De Afdeling voegt hieraan toe dat het feit dat er op het moment van de besluitvorming geen integrale regelgeving voor een MFT bestond niet betekent dat, zoals de Belangenvereniging aanvoert, het college geen medewerking aan de ontwikkeling heeft mogen verlenen. Er is onderzoek uitgevoerd naar de door de Belangenvereniging gevreesde domino-effecten en er zijn op basis van het advies van de Veiligheidsregio verschillende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbonden. Niet is gebleken dat geen afdoende beoordeling kon worden gemaakt van de veiligheidsrisico's van het MFT.
Het betoog slaagt niet.
8. De Belangenvereniging betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. Zij voert aan dat het project als milieucategorie 4.1 is te bestempelen en dat er, door het toestaan van het MTF op het perceel, afbreuk wordt gedaan aan de in het bestemmingsplan vastgelegde afspraken dat aan de buitenranden van het terrein slechts bedrijven in de milieu-categorieën 3.1 en 3.2 zijn toegestaan. Zij voert verder aan dat het college bij de beoordeling van de aanvraag weliswaar aandacht heeft besteed aan de veiligheidsaspecten, maar niet aan andere ruimtelijke aspecten en geen gedegen afweging gemaakt. Het college is voorbij gegaan aan de toename van de bebouwing en de komst van de horecavoorziening. De leefbaarheid staat door de aanwezige bedrijvigheid en horeca al onder druk. De Belangenvereniging voert verder aan dat er had moeten worden onderzocht of er andere, beter passende locaties voor het bouwplan waren geweest.
8.1. Niet in geschil is dat in verband met de nabij gelegen woningen in het bestemmingsplan is gekozen voor een zonering van bedrijven op het bedrijventerrein. Langs de randen van het bedrijventerrein zijn op grond van het bestemmingsplan bedrijven toegestaan tot en met de milieucategorieën 3.1 en 3.2, als bedoeld in de Staat van Bedrijfsactiviteiten die als bijlage onderdeel uitmaakt van het bestemmingsplan. In het middengebied zijn bedrijven tot en met categorie 4.1 en 4.2 toegestaan. Met de omgevingsvergunning wordt aan de rand van het bedrijventerrein het MFT toegestaan. Dit is geen bedrijf dat valt onder de categorieën 3.1 en 3.2. Het college heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dit bedrijf op deze locatie passend is.
8.2. Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, geldt dat realisering van een bouwplan voor zover daarvoor van het bestemmingsplan wordt afgeweken, niet mag leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat. Dit betekent dat de vraag die beantwoord moet worden is of er aanleiding bestaat voor het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat realisering van het MFT niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de bewoners van de Kruisweg.
Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag de komst van de extra bedrijfsbebouwing en de reclamemast, de toename van en geluidsbelasting vanwege het verkeer en de horecavoorziening bij de afweging betrokken. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het project ruimtelijk aanvaardbaar is. Anders dan de Belangenvereniging stelt, zijn de door haar genoemde aspecten dus wel bij de belangenafweging betrokken.
De Afdeling wijst er verder op dat het college moet beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project waarvoor vergunning is aangevraagd. Als dat project op zichzelf aanvaardbaar is, dan kan het college in beginsel niet vanwege alternatieven voor dat project weigeren daaraan mee te werken. Het college kan dat alleen weigeren als op voorhand duidelijk is dat met één of meer alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De Belangenvereniging heeft niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake is.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
9. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
10. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.J.M. Besselink, voorzitter, en mr. J. Gundelach en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.
w.g. Besselink
voorzitter
w.g. Pieters
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
473
Omgevingsvergunning voor multifuel-tankstation op bedrijvenpark Prisma in Bleiswijk
Uitspraak over de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland heeft verleend aan Greenpoint Ontwikkelingsmaatschappij voor het bouwen en in gebruik nemen van een multifuel-tankstation op het bedrijvenpark Prisma in Bleiswijk. Naast benzine en diesel wordt hier ook waterstof, LNG (vloeibaar aardgas), CNG (aardgas onder druk) en elektriciteit aan motorvoertuigen afgeleverd. Ook heeft Greenpoint vergunning aangevraagd voor een verkoopruimte inclusief een bereidingsruimte voor broodjes en snacks, en een reclamemast op het bedrijvenpark. Het multifuel-tankstation komt op de hoek van de Nieuwe Hoefweg (N209) en de Zoetermeerselaan in Bleiswijk. Belangenvereniging de Kruisweg behartigt de belangen van de bewoners van de Kruisweg. Zij maakt zich vooral zorgen over de brandveiligheid. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de zaak op 24 juli 2026 op zitting behandeld.