Uitspraak BRS.25.000770
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5232
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.000770
ECLI:NL:RVS:2026:5232
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.47583 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 28 mei 2025 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken vanaf 15 september 2025 alsnog een besluit op de aanvraag neemt..
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
Betrokkene heeft daarop gereageerd.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. BRS.25.002521 ter zitting behandeld op 15 april 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.R. Botman, mr. A. Röell, mr. R.A. Visser, mr. M.M. Favier en mr. M.A. van Laarhoven, en betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.M. van Eik en mr. Q.M.J.A. Crul, advocaten in Amsterdam, zijn verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Syrische nationaliteit. Op 15 maart 2024 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Betrokkene heeft de minister op 14 november 2024 in gebreke gesteld. Op 29 november 2024 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Met ingang van 14 december 2024 gold voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium (het moratorium) tot en met 13 juni 2025 (Stcrt. 2024, nr. 41538). Volgens artikel 2 van het moratorium wordt de beslistermijn voor alle asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit Syrië verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.
1.1. Deze uitspraak gaat onder andere over de vraag of de minister de beslistermijn in de asielzaak van betrokkene terecht met een jaar heeft verlengd door het instellen van een moratorium in de zin van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. Die bepaling is geïmplementeerd in artikel 43 van de Vw 2000. De vraag of de minister het moratorium terecht heeft ingesteld, is niet aan de orde.
1.2. Deze uitspraak heeft uit oogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbescherming in algemene zin en door de fundamentele aard van de rechtsvragen die worden behandeld een algemene, zaaksoverstijgende strekking. Daarom geeft de Afdeling in deze uitspraak ook een uitgebreide en algemeen geformuleerde motivering. Die motivering is van belang voor lopende en toekomstige zaken van andere vreemdelingen die gemotiveerd uitleggen dat de minister de beslistermijn in hun asielzaak ten onrechte heeft verlengd met een jaar door het instellen van een moratorium.
1.3. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
1.4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Volgorde behandeling
2. De Afdeling komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de beslistermijn niet met een jaar heeft kunnen verlengen met het instellen van het moratorium. Hierna legt de Afdeling uit hoe zij tot dit oordeel komt. Daarbij geeft zij eerst het oordeel van de rechtbank en de standpunten van partijen weer (onder 3-5). Vervolgens gaat de Afdeling in op het betoog van de minister dat de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk had moeten verklaren, omdat hij met het moratorium de beslistermijn met terugwerkende kracht met een jaar heeft verlengd. In dat kader beantwoordt de Afdeling de vraag of betrokkene onder het toepassingsbereik van het moratorium valt en of de minister door het instellen van het moratorium de beslistermijn in de asielzaak van betrokkene met een jaar heeft mogen verlengen (onder 6-6.9). Vervolgens gaat de Afdeling in op het betoog van de minister dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte gegrond heeft verklaard, omdat ten tijde van het uitspraak het moratorium nog van kracht was en de rechtbank geen beslistermijn in de toekomst kon opleggen (onder 6.10-6.13). Tot slot legt de Afdeling met het oog op de rechtspraktijk en de rechtseenheid uit wat het opschorten van de beslistermijn door het instellen van een moratorium betekent in voorkomende gevallen voor beroepen die Syrische vreemdelingen hebben ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun asielaanvragen (onder 9).
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw 2000, in beginsel binnen zes maanden op een asielaanvraag een besluit moet nemen. De minister had daarom uiterlijk op 15 september 2024 op de asielaanvraag van betrokkene een besluit moet nemen. Omdat de minister geen besluit heeft genomen, is het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond. Aangezien de minister de beslistermijn van asielaanvragen van Syrische vreemdelingen met een jaar heeft verlengd met het moratorium, heeft de rechtbank bepaald dat de minister vanaf 15 september 2025 acht weken de tijd heeft om op de asielaanvraag van betrokkene een besluit te nemen.
Hoger beroep minister
4. De minister klaagt over dit oordeel. Hij betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de beslistermijn ten tijde van de uitspraak nog niet was verstreken, omdat het moratorium gold. Daarom had de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk dan wel ongegrond moeten verklaren. Het opleggen van een beslistermijn op een moment dat deze termijn nog niet is verstreken, is bovendien niet in overeenstemming met artikel 8:55d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft volgens de minister verder miskend dat hij de mogelijkheid heeft de beslistermijn verder te verlengen als de onzekere situatie in Syrië had voortgeduurd. Doordat de rechtbank al een beslistermijn heeft opgelegd, heeft zij de minister die mogelijkheid ontnomen.
4.1. In de schriftelijke inlichtingen en ter zitting heeft de minister zijn standpunt nader toegelicht. Volgens de minister moet een onderscheid worden gemaakt tussen de duur waarvoor het moratorium wordt ingesteld en de verlenging van de beslistermijn als gevolg daarvan. De juridische grondslag daarvoor ligt volgens de minister in artikel 43 van de Vw 2000. Op grond van die bepaling mag de minister de beslistermijn verlengen tot ten hoogste 21 maanden wanneer een korte periode van onzekerheid bestaat over de situatie in een land van herkomst waardoor hij geen besluit op asielaanvragen kan nemen. De minister moet de situatie in het land van herkomst elke zes maanden opnieuw onderzoeken. Wanneer de minister verlenging van een moratorium niet noodzakelijk acht, blijft het besluit tot het instellen van een moratorium ten grondslag liggen aan de verlenging van de beslistermijn. Deze werkwijze is volgens de minister niet in strijd met artikel 31 van de Procedurerichtlijn, omdat die bepaling alleen voorschrijft dat hij de asielprocedure uiterlijk binnen 21 maanden na indiening van de aanvraag moet afronden. Die maximale termijn waarbinnen een besluit moet zijn genomen is ook opgenomen in het moratorium. De minister wijst er verder op dat hij na afloop van een moratorium doorgaans niet direct een besluit kan nemen op alle asielaanvragen die daaronder vielen. Het is daarom noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de duur van het moratorium en de verlenging van de beslistermijn.
Standpunt betrokkene
5. Volgens betrokkene biedt artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn, op grond waarvan de minister een moratorium kan instellen, geen grondslag voor een verlenging van de beslistermijn. Het vierde lid geeft lidstaten alleen de mogelijkheid om het afronden van de onderzoeksprocedure uit te stellen gedurende de onzekere situatie in het land van herkomst. Het derde lid van voormeld artikel biedt een wettelijke grondslag om de beslistermijn te verlengen in de in dat lid genoemde situaties. Omdat de minister het moratorium voor zes maanden heeft ingesteld en vervolgens niet heeft verlengd, heeft de minister slechts het beslismoment zes maanden uitgesteld. De mogelijkheid van verlenging van de beslistermijn tot ten hoogste 21 maanden, die is opgenomen in artikel 43 van de Vw 2000, is een onjuiste implementatie van de Procedurerichtlijn.
Het oordeel van de Afdeling
Toepassingsbereik van een moratorium
6. De Afdeling beantwoordt eerst de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het moratorium ook van toepassing is op de asielaanvraag van betrokkene, ook al was de beslistermijn daarvoor al verstreken voordat de minister het moratorium instelde. Die vraag gaat immers vooraf aan de vragen of de minister door het instellen van het moratorium de beslistermijn in de asielzaak van betrokkene met terugwerkende kracht met een jaar heeft mogen verlengen en of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk is.
6.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het moratorium ook van toepassing is op de asielaanvraag van betrokkene. De minister kan een moratorium instellen als er een onzekere situatie is in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is en waardoor redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat hij een besluit neemt. De bevoegdheid om een moratorium in te stellen staat in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn en is geïmplementeerd in artikel 43 van de Vw 2000. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, is het uitgangspunt dat een moratorium geldt voor alle vreemdelingen die onder het toepassingsbereik daarvan vallen en een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel hebben lopen waarop de minister nog geen besluit heeft genomen. Een moratorium is dus ook van toepassing op aanvragen waarvan de beslistermijn al was verstreken voordat het moratorium werd ingesteld. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, onder 5.3, en 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3082, onder 1.1. Een andere uitleg is moeilijk verenigbaar met de reden waarom de minister een moratorium instelt. Als gevolg van een onzekere situatie in een land van herkomst, kan de minister immers doorgaans geen besluit nemen op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land.
6.2. Dat laat onverlet dat de minister gedurende een moratorium een besluit op asielaanvragen mag nemen en dat hij dat in bepaalde gevallen ook moet doen. In artikel 4 van het moratorium staat dat het niet van toepassing is op een aantal in de Vw 2000 omschreven gevallen, waaronder vreemdelingen die onder het bereik vallen van de Dublinverordening en vreemdelingen die van internationale bescherming behoren te worden uitgesloten. Op die aanvragen moet de minister dus een besluit nemen. Datzelfde geldt als gedurende het moratorium de uiterste beslistermijn van 21 maanden is verstreken, als bepaald in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
De beslistermijn na afloop van het moratorium
6.3. De minister betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij door het instellen van het moratorium de beslistermijn in de asielzaak van betrokkene met terugwerkende kracht met een jaar heeft verlengd. De rechtbank had het beroep tegen het niet tijdig nemen van het besluit daarom niet-ontvankelijk moeten verklaren. Een verlenging met een jaar is volgens de minister niet in strijd met de Procedurerichtlijn, omdat die juist vereist dat hij een asielaanvraag volledig en zorgvuldig behandelt. De minister wijst er daarbij op dat hij na afloop van het moratorium ook niet meteen een besluit op alle lopende asielaanvraag kan nemen, waardoor een verlenging met een jaar gerechtvaardigd is.
6.4. Dit betoog slaagt niet. Een richtlijnconforme uitleg van artikel 43 van de Vw 2000 aan de hand van de context, bewoording en doelstelling van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn brengt met zich dat de minister de beslistermijn in deze zaak niet met een jaar heeft kunnen verlengen door het instellen van het moratorium. Dat laatste artikel laat alleen toe dat een besluit op een asielaanvraag wordt uitgesteld voor de duur waarvoor het moratorium van kracht is. Het moratorium kan de beslistermijn dus alleen opschorten. Dat kan ook als het "bevriezen" van de beslistermijn worden begrepen. Met het instellen van het moratorium heeft de minister de beslistermijn dus alleen opgeschort voor de duur waarvoor het moratorium van kracht was. De Afdeling licht haar oordeel hieronder toe. Daarbij zal zij steeds de term opschorten gebruiken, ook voor die gevallen waarin de beslistermijn van zes maanden al was verstreken toen het moratorium van kracht werd.
6.5. In artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn staat dat de beslistermijn in asielzaken in beginsel zes maanden bedraagt. Dat lid benoemt verder drie situaties waarin de minister de beslistermijn kan verlengen. Het moratorium is echter niet gebaseerd op het derde lid, maar op het vierde lid van voornoemd artikel. In tegenstelling tot het derde lid en tot artikel 43 van de Vw 2000 wordt in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn niet gesproken over het verlengen van de beslistermijn, maar over het uitstellen van het afronden van de onderzoeksprocedure door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is. Dit verschil in bewoording tussen het derde en vierde lid van artikel 31 van de Procedurerichtlijn is ook in andere taalversies van de Procedurerichtlijn waar te nemen. In de Engelse taalversie staat in het derde lid "extend" en in het vierde lid "postpone". In de Franse taalversie staat in het derde lid "prolonger" en in het vierde lid "différer". In de Duitse taalversie staat in het derde lid "verlängern" en in het vierde "aufschieben".
6.6. De Afdeling is daarom van oordeel dat het vierde lid geen grondslag biedt om de beslistermijn te verlengen. De Afdeling vindt voor deze uitleg ook steun in het doel en de systematiek van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. De minister stelt een moratorium in als hij als gevolg van een onzekere situatie in een land van herkomst geen besluiten op asielaanvragen van vreemdelingen uit dat land kan nemen. De minister heeft de verplichting om de situatie in het land van herkomst tenminste elke zes maanden te onderzoeken. Dat volgt uit artikel 31, vierde lid, aanhef en onder a, van de Procedurerichtlijn. Als de onzekere situatie is opgehouden en het moratorium niet langer van kracht is, kan de minister weer besluiten nemen op aanvragen die onder het moratorium vielen. De bewoordingen van artikel 31 van de Procedurerichtlijn noch de context ervan bieden aanknopingspunten voor een categoriale verlenging van de beslistermijn met een jaar.
De mogelijkheden die de minister na afloop van een moratorium heeft
6.7. Dat de minister na afloop van het moratorium niet meteen besluiten op alle nog lopende asielaanvragen kan nemen, zoals hij betoogt, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij wijst de Afdeling er in de eerste plaats op dat de minister doorgaans, als hij een moratorium instelt terwijl de beslistermijn van in beginsel zes maanden nog niet is verstreken, na afloop van het moratorium de resterende beslistermijn kan gebruiken om besluiten te nemen op de asielaanvragen die daaronder vielen. Indien dat in voorkomende gevallen niet mogelijk is, zoals de minister aanvoert, zijn er, ten tweede, mogelijkheden die hij kan gebruiken.
6.8. Artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn biedt de mogelijkheid om de termijn van zes maanden te verlengen met ten hoogste negen maanden in drie limitatief opgesomde situaties, waaronder onder meer de complexiteit van een aanvraag. Het is aan de minister om in voorkomende gevallen te bezien of er aanleiding is van die verlengingsmogelijkheid gebruik te maken. Verder biedt de laatste alinea van artikel 31, derde lid, van de Procedurerichtlijn de mogelijkheid om bij wijze van uitzondering, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de beslistermijnen met ten hoogste drie maanden te overschrijden wanneer dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van de asielaanvraag. Dat is geïmplementeerd in artikel 42, vijfde lid, van de Vw 2000.
6.9. Het voorgaande betekent dat in deze zaak en andere asielzaken van Syrische vreemdelingen waarin zich de situatie voordoet dat de beslistermijn van zes maanden al was verstreken voordat de minister het moratorium instelde, de minister na afloop van het moratorium een besluit op die asielaanvraag moest nemen, tenzij hij de beslistermijn op andere gronden rechtmatig heeft verlengd. Het betekent ook dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk is, omdat betrokkene de minister in gebreke heeft gesteld en beroep heeft ingediend nadat de beslistermijn van zes maanden al was verstreken en voordat de minister het moratorium instelde.
Gegrondheid van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit en een beslistermijn in de toekomst
6.10. De minister betoogt terecht dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten onrechte gegrond heeft verklaard, omdat ten tijde van de uitspraak het moratorium nog van kracht was en de rechtbank geen beslistermijn in de toekomst heeft kunnen opleggen.
6.11. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het moratorium ook van toepassing is op de asielaanvraag van betrokkene. Zij heeft daaraan echter niet de juiste gevolgen verbonden. Hoewel de beslistermijn van zes maanden al was verstreken toen betrokkene de minister in gebreke stelde en beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag, was het moratorium nog van kracht ten tijde van de uitspraak van de rechtbank. De minister heeft daarmee de beslistermijn opgeschort voor de duur waarin het moratorium van kracht was. De minister betoogt terecht dat de rechtbank daarom in dit geval nog geen beslistermijn kon opleggen. Immers, een beslistermijn opleggen ten tijde van het moratorium kan niet, omdat de minister het moratorium instelt omdat hij wegens een onzekere situatie doorgaans geen besluit kan nemen. Dat is alleen anders als zich een situatie voordoet als bedoeld onder 6.2 van deze uitspraak waarin de minister tijdens het moratorium een besluit op de asielaanvraag moet nemen. Zo’n situatie doet zich in deze zaak echter niet voor. Een beslistermijn opleggen na afloop van het moratorium kan echter ook niet. De minister wijst er terecht op dat de bestuursrechter een termijn bepaalt binnen welke het bestuursorgaan een besluit moet nemen, die in beginsel ingaat op de dag na verzending van de uitspraak, als het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is (artikel 8:55d van de Awb). Vgl. de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2642, onder 2.2. De rechtbank kon daarom niet bepalen dat de minister vanaf 15 september 2025 binnen acht weken een besluit op de asielaanvraag had moeten nemen.
6.12. De minister wijst er bij het voorgaande ook nog terecht op dat het opleggen van een beslistermijn na afloop van het moratorium in de weg zou staan aan de mogelijkheid die hij heeft om het moratorium te verlengen, als er nog steeds een onzekere situatie is in het land van herkomst, en aan de mogelijkheden die de minister heeft om de beslistermijn te verlengen. De rechtbank had het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit daarom ongegrond moeten verklaren. Betrokkene had vervolgens na afloop van het moratorium zonder voorafgaande ingebrekestelling opnieuw beroep in kunnen stellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Hier doet zich immers de situatie voor dat redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat betrokkene een nieuwe ingebrekestelling indient, als bedoeld in artikel 6:12, derde lid, van de Awb. Betrokkene heeft de minister immers al rechtsgeldig in gebreke gesteld. De rechtbank heeft onder deze omstandigheden wel aanleiding kunnen zien om de minister te veroordelen in de proceskosten van het beroep.
6.13. De eerste grief slaagt.
7. De tweede grief slaagt niet. Daarin voert de minister aan dat de beslistermijn niet begint te lopen bij de aanmelding op 15 maart 2024, maar op de datum van de formele indiening van de asielaanvraag op 17 maart 2024. Nadien heeft de minister in de schriftelijke inlichtingen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5543, onder 3.3, echter onderkend dat de beslistermijn is aangevangen op 15 maart 2024, omdat betrokkene toen ten overstaan van de autoriteiten in persoon zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt, waarvan de loopbrief het bewijs vormt.
8. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg van artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Het moratorium en beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit
9. Deze zaak gaat over de situatie dat voorafgaand aan het instellen van het moratorium de beslistermijn is verstreken en beroep is ingesteld wegens niet-tijdig nemen van een besluit, waarop uitspraak is gedaan tijdens het moratorium. Zonder een limitatieve opsomming te beogen, licht de Afdeling hierna, met het oog op de rechtspraktijk en rechtseenheid, toe wat het opschorten van de beslistermijn door het instellen van een moratorium betekent in andere voorkomende gevallen voor beroepen die Syrische vreemdelingen hebben ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun asielaanvragen.
Situatie 1a: beslistermijn van zes maanden verstreken, ingebrekestelling vóór en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit tijdens het moratorium, rechtbankuitspraak tijdens het moratorium
De beslistermijn van zes maanden is verstreken voordat de minister het moratorium instelde. De vreemdeling heeft de minister rechtsgeldig in gebreke gesteld voordat het moratorium van kracht werd. Hij heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ten tijde van het moratorium ingediend. Als de rechtbank uitspraak doet op het beroep terwijl het moratorium nog voortduurt, dan is dat beroep ongegrond en bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De vreemdeling kan na afloop van het moratorium zonder voorafgaande ingebrekestelling beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit instellen.
Situatie 1b: beslistermijn van zes maanden verstreken, ingebrekestelling vóór en beroep tegen het tijdig nemen van een besluit tijdens het moratorium, rechtbankuitspraak na het moratorium
Als de rechtbank onder deze omstandigheden uitspraak doet op het beroep op het moment dat het moratorium niet meer van kracht is, dan is het beroep ook ongegrond en bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De minister heeft het moratorium immers ingesteld, omdat hij wegens een onzekere situatie doorgaans geen besluit kan nemen. De vreemdeling kan vervolgens na afloop van het moratorium zonder voorafgaande ingebrekestelling beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit instellen.
Situatie 2a: beslistermijn van zes maanden verstreken, ingebrekestelling en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit vóór het moratorium, rechtbankuitspraak na het moratorium
De beslistermijn van zes maanden is verstreken voordat de minister het moratorium instelde. De vreemdeling heeft de minister rechtsgeldig in gebreke gesteld en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ingesteld voordat het moratorium van kracht werd en de rechtbank heeft uitspraak gedaan na afloop van het moratorium. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Situatie 2b: beslistermijn van zes maanden verstreken, ingebrekestelling en beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit na het moratorium
De beslistermijn van zes maanden is verstreken voordat de minister het moratorium instelde. De vreemdeling heeft na afloop van het moratorium de minister rechtsgeldig in gebreke gesteld en beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is ontvankelijk en gegrond.
Situatie 3: beslistermijn van zes maanden verstreken, ingebrekestelling tijdens het moratorium
De beslistermijn van zes maanden is verstreken voordat de minister het moratorium instelde. De vreemdeling heeft de minister in gebreke gesteld tijdens het moratorium. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is dan niet-ontvankelijk, omdat de ingebrekestelling prematuur is ingediend.
Situatie 4: beslistermijn van zes maanden niet verstreken voor het moratorium
De beslistermijn van zes maanden is niet verstreken voordat de minister het moratorium instelde. De vraag of het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk en gegrond is, hangt af van de nog resterende beslistermijn na afloop van het moratorium en het moment waarop de vreemdeling de minister in gebreke heeft gesteld en zijn beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ingediend.
Situatie 5: 21 maandentermijn verstreken tijdens het moratorium
Tijdens het moratorium zijn 21 maanden verstreken nadat de vreemdeling zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. De vreemdeling heeft de minister vervolgens tijdens het moratorium dan wel daarna in gebreke gesteld en beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Het beroep is ontvankelijk en gegrond, omdat de minister door het verstrijken van de 21 maandentermijn een besluit op de asielaanvraag moet nemen. Zie onder 6.2 van deze uitspraak.
Conclusie hoger beroep
10. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De uitspraak van de Afdeling leidt ertoe dat dat de rechtbank het beroep ten tijde van de uitspraak ongegrond had moeten verklaren. Dat hoeft naar de huidige stand van zaken echter niet meer, omdat het moratorium niet langer van kracht is. De Afdeling komt om die reden hieronder bij het beroep daarom niet meer tot een ongegrondverklaring.
Het beroep
11. De Afdeling stelt vast dat het beroep van betrokkene tegen het niet tijdig nemen van een besluit ontvankelijk is. De minister had oorspronkelijk op 15 september 2024 een besluit op de asielaanvraag van betrokkene moeten nemen. Betrokkene heeft de minister bij brief van 14 november 2024 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft hij ingesteld op 29 november 2024. Daarmee heeft betrokkene voldaan aan artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Daaruit volgt dat beroep kan worden ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en er twee weken zijn verstreken na de dag waarop een belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
12. Zoals de Afdeling hiervoor heeft overwogen, heeft de minister de beslistermijn opgeschort gedurende de periode waarvoor het moratorium van kracht was. Het moratorium voor asielaanvragen van Syrische vreemdelingen, waar de asielaanvraag van betrokkene ook onder viel, gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Omdat de beslistermijn van zes maanden al was verstreken voordat het moratorium van kracht werd, had de minister uiterlijk op 14 juni 2025 een besluit moeten nemen op de asielaanvraag van betrokkene. De minister heeft nog geen besluit genomen. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom gegrond.
13. Betrokkene verzoekt om te bepalen dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag neemt en een dwangsom op te leggen voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om daaraan te voldoen.
13.1. Gelet op artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb is het de taak van de bestuursrechter om een nadere termijn te stellen als het beroep tegen het uitblijven van een besluit gegrond is en er nog steeds geen volledig besluit bekend is gemaakt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 8 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1560, onder 4.1 en 4.2, is voor asielzaken het 8+8-wekenmodel passend voor het bepalen van de termijn voor het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. Dat wil zeggen dat die termijn in beginsel niet onnodig lang of onrealistisch kort is. De Afdeling ziet aanleiding om daarvan in deze zaak af te wijken. De Afdeling vindt daarvoor van belang dat ruim twee jaar is verstreken sinds het moment dat betrokkene een asielaanvraag heeft ingediend. De uiterlijke beslistermijn van 21 maanden uit artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn is daarmee overschreden. Daar staat tegenover dat dit de eerste uitspraak is waarin de Afdeling oordeelt dat de minister de beslistermijn niet met een jaar kon verlengen met het instellen van een moratorium, terwijl dat wel de gangbare praktijk was. Daarom bepaalt de Afdeling dat de minister in dit geval binnen acht weken een nieuw besluit op de aanvraag moet nemen. Bij het bepalen van deze termijn heeft de Afdeling ook rekening gehouden met het feit dat dit een asielzaak is die nauwgezette zorgvuldigheid behoeft, mede in verband met het verbod op refoulement.
14. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit. De Afdeling bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt. De Afdeling bepaalt daarbij met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb dat de minister een dwangsom verbeurt voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om de uitspraak na te leven. De Afdeling stelt de hoogte van deze dwangsom vast op € 100,00 per dag, met een maximum van € 15.000,00. Omdat ten tijde van het beroep het moratorium nog niet van kracht was en betrokkene terecht beroep heeft ingesteld, moet de minister de proceskosten van het beroep vergoeden. De hoogte van die vergoeding is vastgesteld op basis van 1 punt voor het indienen van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag en 1 punt voor het bijwonen van de zitting in beroep. Daarbij wordt een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 28 mei 2025 in zaak nr. NL24.47583;
III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond;
IV. vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
V. draagt de minister van Asiel en Migratie op om binnen acht weken na verzending van deze uitspraak een besluit te nemen op de asielaanvraag en dat op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
VI. bepaalt dat de minister van Asiel en Migratie aan betrokkene een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag dat hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00;
VII. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
915-1048
BIJLAGE
Procedurerichtlijn (2013/32/EU)
Artikel 31
1. De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure binnen zes maanden na de indiening van het verzoek wordt afgerond.
Wanneer een verzoek onder de procedure van Verordening (EU) nr. 604/2013 valt, vangt de termijn van zes maanden aan op het tijdstip waarop overeenkomstig die verordening wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, de verzoeker zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt en de bevoegde autoriteit de verzoeker heeft overgenomen.
De lidstaten kunnen de in dit lid bepaalde termijn van zes maanden met ten hoogste negen maanden verlengen wanneer:
a) complexe feitelijke en/of juridische kwesties aan de orde zijn;
b) een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden;
c) wanneer de vertraging duidelijk toe te schrijven is aan het feit dat de verzoeker de krachtens artikel 13 op hem rustende verplichtingen niet nakomt.
Bij wijze van uitzondering kunnen de lidstaten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de in dit lid bepaalde termijn met ten hoogste drie maanden overschrijden wanneer dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
4. Onverminderd de artikelen 13 en 18 van Richtlijn 2011/95/EU kunnen de lidstaten het afronden van de onderzoeksprocedure uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt binnen de in lid 3 vastgestelde termijnen door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is. In dat geval doen de lidstaten het volgende:
a) zij onderzoeken de situatie in dat land van herkomst ten minste om de zes maanden opnieuw;
b) zij stellen de betrokken verzoekers binnen een redelijke termijn in kennis van de redenen voor het uitstel;
c) zij stellen de Commissie binnen een redelijke termijn ervan in kennis dat de procedures voor dat land van herkomst worden uitgesteld.
[…]
Vw 2000
Artikel 42
1. Op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28, dan wel een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33, wordt binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag een beschikking gegeven.
[…]
4. De termijn, bedoeld in het eerste lid, kan met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien:
a) Complexe feiten of juridische kwesties aan de orde zijn;
b) Een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden; of
c) De vertraging van de behandeling van de aanvraag aan de vreemdeling is toe te schrijven.
5. Bij wijze van uitzondering kunnen, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de in het eerste en vierde lid genoemde termijnen met ten hoogste drie maanden worden verlengd indien dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van de aanvraag.
[…]
Artikel 43
1. Bij besluit van Onze Minister kan voor bepaalde categorieën vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 hebben ingediend, de termijn, bedoeld in artikel 42, eerste lid, worden verlengd tot ten hoogste eenentwintig maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag op een van de gronden genoemd in artikel 29 kan worden ingewilligd.
De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.
2. Indien Onze Minister een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, wordt:
a) ten minste elke zes maanden de situatie in het betreffende land van herkomst beoordeeld;
b) binnen een redelijke termijn mededeling van het uitstel en de redenen voor uitstel gedaan aan de aanvragers; en
c) binnen een redelijke termijn mededeling van het uitstel gedaan aan de Europese Commissie.