Uitspraak BRS.25.002521
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5233
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
BRS.25.002521
ECLI:NL:RVS:2026:5233
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 november 2025 in zaak nr. NL25.32336 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Betrokkene heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij uitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zestien weken na de bekendmaking van de uitspraak een besluit op de aanvraag neemt.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. K. Yousef, advocaat in Den Haag, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke inlichtingen gegeven.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaak nr. BRS.25.000770 ter zitting behandeld op 15 april 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.R. Botman, mr. A. Röell, mr. R.A. Visser, mr. M.M. Favier en mr. M.A. van Laarhoven, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1. Betrokkene heeft de Syrische nationaliteit. Op 29 oktober 2024 heeft hij een asielaanvraag ingediend. Betrokkene heeft de minister op 25 juni 2025 in gebreke gesteld. Op 17 juli 2025 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag. Met ingang van 14 december 2024 gold voor Syrië een besluit- en vertrekmoratorium (het moratorium) tot en met 13 juni 2025 (Stcrt. 2024, nr. 41538). Volgens artikel 2 van het moratorium wordt de beslistermijn voor alle asielaanvragen van vreemdelingen afkomstig uit Syrië verlengd met een jaar tot ten hoogste 21 maanden.
1.1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister betrokkene door middel van een individuele kennisgeving ervan op de hoogte had moeten stellen dat zijn asielaanvraag onder het moratorium voor Syrië viel.
1.2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.
1.3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het moratorium niet op betrokkene van toepassing is. Het moratorium is weliswaar gepubliceerd in de Staatscourant, maar de minister heeft betrokkene er niet individueel van op de hoogte gesteld dat zijn aanvraag daaronder valt. Dat had hij wel moeten doen om te voldoen aan de vereisten die artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn aan het instellen van moratoria stelt. De rechtbank heeft verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3600, en 10 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3082.
Het hoger beroep van de minister
3. De minister klaagt hierover in zijn enige grief. Hij betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat een individuele kennisgeving geen vereiste is voor de werking van een moratorium in een individuele zaak. De bevoegdheid tot het instellen van een moratorium staat in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn en is geïmplementeerd in artikel 43 van de Vw 2000. Die artikelen schrijven geen specifieke vorm van kennisgeving voor en bepalen alleen dat verzoekers in kennis moeten worden gesteld van het moratorium. In het geval van het moratorium voor Syrische vreemdelingen heeft bekendmaking van het besluit tot het instellen daarvan in de Staatscourant plaatsgevonden. Ook is in dat besluit kenbaar gemaakt op wie het moratorium van toepassing is. Daarnaast is via de website van de IND en in de media breed aandacht geweest voor het moratorium. Ook hebben voorlichtingen plaatsgevonden op opvanglocaties. Daarbij hebben vreemdelingen in de Nederlandse praktijk toegang tot gratis rechtsbijstand door een in asielzaken gespecialiseerde advocaat. Gelet daarop zijn Syrische vreemdelingen voldoende van het moratorium op de hoogte gesteld. De minister verwijst ter vergelijking naar de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3232, waarnaar de Afdeling ook heeft verwezen in voormelde uitspraak van 23 oktober 2019.
Informatieplicht minister bij instellen van een moratorium
4. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is er geen wettelijke verplichting voor de minister om vreemdelingen per individuele kennisgeving te informeren dat hun asielaanvraag onder een moratorium valt. De bevoegdheid om een moratorium in te stellen staat in artikel 31, vierde lid, van de Procedurerichtlijn en is geïmplementeerd in artikel 43 van de Vw 2000. In de genoemde richtlijnbepaling staat dat de lidstaten de betrokken verzoekers binnen een redelijke termijn in kennis stellen van de redenen voor het uitstellen van het afronden van de onderzoeksprocedure. In de genoemde wetsbepaling staat dat mededeling van het uitstel wordt gedaan aan de aanvragers. De minister heeft dus een informatieverplichting. Voornoemde bepalingen schrijven echter niet voor hoe een vreemdeling van het moratorium in kennis moet worden gesteld. Ook uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze bepalingen blijkt niets over de wijze waarop het in kennis stellen moet plaatsvinden. In paragraaf C3/1 van de Vc 2000 is deze informatieplicht toegelicht en staat dat de minister een besluit tot instelling van een besluitmoratorium in de Staatscourant publiceert.
4.1. Aan de verplichting om de betrokken vreemdelingen binnen een redelijke termijn in kennis te stellen van de redenen voor het uitstellen van het afronden van de onderzoeksprocedure, heeft de minister naar het oordeel van de Afdeling voldaan. Daarbij betrekt de Afdeling dat de minister niet heeft volstaan met publicatie van het moratorium in de Staatscourant. De minister heeft daarnaast informatie verstrekt via de media, de website van de IND en op kleinschalige informatiebijeenkomsten in opvangcentra. Gelet daarop heeft de minister Syrische vreemdelingen voldoende van het moratorium op de hoogte gesteld. Bovendien hebben vreemdelingen in de Nederlandse praktijk toegang tot gratis rechtsbijstand door een in asielzaken gespecialiseerde advocaat. Van die asieladvocaten mag worden verwacht dat zij van een moratorium kennis nemen en, indien zij dat nodig achten, de daarin relevante informatie aan hun cliënten doorgeven. Gelet op het voorgaande is het recht van vreemdelingen op een doeltreffende voorziening in rechte, als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest, voldoende gewaarborgd.
4.2. De Afdeling wijst ter vergelijking op voornoemde uitspraak van 8 december 2016, onder 6, over de verlenging van de beslistermijn in de situatie dat een groot aantal asielaanvragen tegelijkertijd wordt ingediend, als bedoeld in artikel 31, derde lid, onder b, van de Procedurerichtlijn, en geïmplementeerd in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vw 2000. Daarin heeft de Afdeling ook geoordeeld dat de minister niet gehouden is om vreemdelingen individueel bij brief te informeren en dat hij op andere manieren aan zijn informatieverplichting heeft voldaan.
4.3. Uit de door de rechtbank genoemde uitspraken van de Afdeling van 23 oktober 2019 en 10 juli 2025 volgt ook geen verplichting voor de minister om vreemdelingen individueel in kennis te stellen. De Afdeling heeft daarin overwogen dat een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend van het instellen van een moratorium op de hoogte moet worden gesteld. Vervolgens heeft zij overwogen dat de minister dit ook doet, doordat hij het besluit tot het instellen van het moratorium in de Staatscourant publiceert en vervolgens elke individuele vreemdeling op wie het moratorium van toepassing is, daarvan ook nog op de hoogte brengt. Met het oordeel dat de minister op die manier voldoet aan de vereisten die de Procedurerichtlijn in situaties als deze stelt, heeft de Afdeling niet tot uitdrukking gebracht dat een individuele kennisgeving vereist is, maar dat de minister met deze werkwijze aan de vereisten van de Procedurerichtlijn voldoet.
Vaste gedragslijn minister
4.4. Hoewel een individuele kennisgeving dus niet wettelijk verplicht is, stelt de Afdeling in het licht van het voorgaande vast dat er een vaste, niet in beleidsregels neergelegde, gedragslijn van de minister is ontstaan waarbij hij vreemdelingen per individuele kennisgeving informeert dat hun asielaanvraag onder een moratorium valt. De minister heeft in de schriftelijke inlichtingen en ter zitting bevestigd dat het gebruikelijk is om vreemdelingen per brief over een moratorium te informeren. Deze gedragslijn heeft de minister vastgelegd in het IB 2024/87. De minister heeft toegelicht dat hij voor het eerst van de vaste gedragslijn heeft afgeweken bij het instellen van het moratorium voor asielaanvragen van Syrische vreemdelingen, omdat het om een zeer omvangrijke groep gaat.
4.5. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 15 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1016, onder 6.2, kan een bestuursorgaan van een vaste gedragslijn afwijken. De toelichting op een afwijking toetst de bestuursrechter aan het motiveringsbeginsel.
4.6. De minister heeft toegelicht dat de gedachte achter een individuele kennisgeving is om vreemdelingen zo goed mogelijk te informeren over de stand van zaken in hun procedure. Het was aanvankelijk ook de bedoeling van de minister om dit bij het moratorium voor Syrische vreemdelingen te doen, zoals blijkt uit het IB 2024/87. Omdat de groep waarop het moratorium betrekking had in vergelijking met andere moratoria erg groot was, is uiteindelijk besloten dat niet te doen. De minister heeft ter zitting toegelicht dat een individuele kennisgeving de juiste informatie moet bevatten en dat het risico op foutieve informatieverstrekking door de grootte van de groep aanzienlijk was. Verder heeft de minister toegelicht dat een generieke brief dat er een moratorium van kracht is geen toegevoegde waarde zou hebben gehad gelet op de informatie die hij via andere kanalen al had verstrekt. De Afdeling is van oordeel dat de minister met het voorgaande deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij heeft afgeweken van zijn vaste gedragslijn.
4.7. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat moratorium niet op betrokkene van toepassing is.
4.8. De grief slaagt.
4.9. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
Conclusie hoger beroep
5. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling bespreekt het beroep.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit
6. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 9 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5232, onder 6.3 tot en met 6.6, schort een moratorium de beslistermijn op gedurende de periode waarvoor dat moratorium geldt. Het moratorium voor asielaanvragen van Syrische vreemdelingen, waar de aanvraag van betrokkene onder viel, gold van 14 december 2024 tot en met 13 juni 2025. Omdat betrokkene zijn asielaanvraag op 29 oktober 2024 heeft ingediend, had de minister na het moratorium nog tot 29 oktober 2025 de tijd om daarop een besluit te nemen. Dat betekent dat betrokkene de minister op 25 juni 2025 prematuur in gebreke heeft gesteld.
7. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 november 2025 in zaak nr. NL25.32336;
III. verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.J.M. Ristra-Peeters, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
915-1048
BIJLAGE
Procedurerichtlijn (2013/32/EU)
Artikel 31
1. De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling.
3. De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure binnen zes maanden na de indiening van het verzoek wordt afgerond.
Wanneer een verzoek onder de procedure van Verordening (EU) nr. 604/2013 valt, vangt de termijn van zes maanden aan op het tijdstip waarop overeenkomstig die verordening wordt vastgesteld welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek, de verzoeker zich op het grondgebied van die lidstaat bevindt en de bevoegde autoriteit de verzoeker heeft overgenomen.
De lidstaten kunnen de in dit lid bepaalde termijn van zes maanden met ten hoogste negen maanden verlengen wanneer:
a) complexe feitelijke en/of juridische kwesties aan de orde zijn;
b) een groot aantal onderdanen van derde landen of staatlozen tegelijk om internationale bescherming verzoekt, waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden;
c) wanneer de vertraging duidelijk toe te schrijven is aan het feit dat de verzoeker de krachtens artikel 13 op hem rustende verplichtingen niet nakomt.
Bij wijze van uitzondering kunnen de lidstaten, in naar behoren gerechtvaardigde gevallen, de in dit lid bepaalde termijn met ten hoogste drie maanden overschrijden wanneer dit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke en volledige behandeling van het verzoek om internationale bescherming.
4. Onverminderd de artikelen 13 en 18 van Richtlijn 2011/95/EU kunnen de lidstaten het afronden van de onderzoeksprocedure uitstellen wanneer redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat de beslissingsautoriteit een beslissing neemt binnen de in lid 3 vastgestelde termijnen door een onzekere situatie in het land van herkomst die naar verwachting tijdelijk is. In dat geval doen de lidstaten het volgende:
a) zij onderzoeken de situatie in dat land van herkomst ten minste om de zes maanden opnieuw;
b) zij stellen de betrokken verzoekers binnen een redelijke termijn in kennis van de redenen voor het uitstel;
c) zij stellen de Commissie binnen een redelijke termijn ervan in kennis dat de procedures voor dat land van herkomst worden uitgesteld.
[…]
Vw 2000
Artikel 43
1. Bij besluit van Onze Minister kan voor bepaalde categorieën vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 hebben ingediend, de termijn, bedoeld in artikel 42, eerste lid, worden verlengd tot ten hoogste eenentwintig maanden, indien naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in het land van herkomst en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of de aanvraag op een van de gronden genoemd in artikel 29 kan worden ingewilligd.
De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.
2. Indien Onze Minister een besluit neemt als bedoeld in het eerste lid, wordt:
a) ten minste elke zes maanden de situatie in het betreffende land van herkomst beoordeeld;
b) binnen een redelijke termijn mededeling van het uitstel en de redenen voor uitstel gedaan aan de aanvragers; en
c) binnen een redelijke termijn mededeling van het uitstel gedaan aan de Europese Commissie.