Uitspraak 202403406/1/R3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5341
- Datum uitspraak
- 9 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 april 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Staphorst het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning kappen van 76 bomen op een bosperceel aan de Veldhuisweg in IJhorst, afgewezen. Op 1 februari 2022 heeft [persoon] bij het college een melding ingediend over het kappen van 76 bomen op het bosperceel dat tegenover het perceel [locatie 1] ligt en kadastraal bekend staat als gemeente Staphorst, sectie C, nummer 2575 (het perceel). In de melding staat dat de kap verspreid over twee jaar zal plaatsvinden en dat de kap verspreid over het hele perceel zal plaatsvinden, zodat er overal voldoende lichtinval is. Ook staat in de melding dat verspreid over het perceel bomen zullen worden herplant. [appellant] woont tegenover het perceel op het perceel [locatie 2]. Volgens [appellant] is het in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo om de bomen zonder omgevingsvergunning te kappen. Hij heeft het college daarom verzocht handhavend op te treden tegen de kap van de bomen. Naar aanleiding van het verzoek van [appellant] heeft een toezichthouder van de gemeente het perceel met een bomenspecialist bezocht voor een controle. Na dat bezoek heeft het college geconcludeerd dat voor het kappen van de bomen geen omgevingsvergunning vereist was, omdat sprake is van normaal onderhoud. Het college heeft het verzoek van [appellant]s om handhavend op te treden daarom afgewezen.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
- Kappen
Toon inhoud
202403406/1/R3.
Datum uitspraak: 9 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in IJhorst, gemeente Staphorst,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 25 april 2024 in zaak nr. 23/992 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Staphorst.
Procesverloop
Bij besluit van 28 april 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het zonder omgevingsvergunning kappen van 76 bomen op een bosperceel aan de Veldhuisweg in IJhorst, afgewezen.
Bij besluit van 9 maart 2023 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 28 april 2022 herroepen en het handhavingsverzoek van [appellant] opnieuw afgewezen.
Bij uitspraak van 25 april 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juli 2026, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M.A. Patandin, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, en het college, vertegenwoordigd door A. Hammenga, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt.
Het verzoek om handhaving van de Wabo is gedaan op 2 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Inleiding
2. Op 1 februari 2022 heeft [persoon] bij het college een melding ingediend over het kappen van 76 bomen op het bosperceel dat tegenover het perceel [locatie 1] ligt en kadastraal bekend staat als gemeente Staphorst, sectie C, nummer 2575 (het perceel). In de melding staat dat de kap verspreid over twee jaar zal plaatsvinden en dat de kap verspreid over het hele perceel zal plaatsvinden, zodat er overal voldoende lichtinval is. Ook staat in de melding dat verspreid over het perceel bomen zullen worden herplant. [appellant] woont tegenover het perceel op het perceel [locatie 2]. Volgens [appellant] is het in strijd met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo om de bomen zonder omgevingsvergunning te kappen. Hij heeft het college daarom verzocht handhavend op te treden tegen de kap van de bomen. Naar aanleiding van het verzoek van [appellant] heeft een toezichthouder van de gemeente het perceel met een bomenspecialist bezocht voor een controle. Na dat bezoek heeft het college geconcludeerd dat voor het kappen van de bomen geen omgevingsvergunning vereist was, omdat sprake is van normaal onderhoud. Het college heeft het verzoek van [appellant]s om handhavend op te treden daarom afgewezen.
De aangevallen uitspraak
3. De rechtbank heeft geoordeeld dat geen omgevingsvergunning vereist is, omdat het college de kap van de bomen heeft kunnen aanmerken als "normaal onderhoud" als bedoeld in artikel 12.4, onder c, onder 1, van de planregels. Volgens de rechtbank heeft het college voldoende inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd op welke wijze het uitleg heeft gegeven aan het begrip "normaal onderhoud". Daarbij heeft het college zich mogen baseren op het "Advies inzake schermslag" van 18 juli 2022, opgesteld door Wageningen University & Research (het WUR-advies). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid. Tot slot heeft de rechtbank geconcludeerd dat het college geen nadere eisen kon stellen aan de herplantplicht. Volgens de rechtbank heeft het college daarom terecht volstaan met de mededeling dat elke gekapte boom moet worden vervangen, en het toezenden van een advies over de herplantplicht.
Het procesbelang van [appellant]
4. Het college stelt zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt dat [appellant] geen procesbelang meer heeft, omdat de 76 bomen waarop de melding betrekking heeft inmiddels allemaal zijn gekapt en de bij de melding horende herplantplicht ook al is uitgevoerd.
4.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak.
4.2. De Afdeling volgt het college niet in zijn standpunt dat het procesbelang van [appellant] is komen te vervallen. De Afdeling overweegt daarover dat onvoldoende is vast komen te staan dat ieder belang van [appellant] bij deze procedure is komen te vervallen, omdat [appellant] het doel dat hem met deze procedure voor ogen staat nog kan bereiken, namelijk dat het college handhavend optreedt tegen het zonder omgevingsvergunning gekapt zijn van 76 bomen op het perceel. In dat geval zou [appellant] het college kunnen verzoeken de oorspronkelijke situatie zoveel als mogelijk te laten herstellen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond om het hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren.
Hoger beroep
Heeft het college de kap als "normaal onderhoud" kunnen aanmerken?
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de uitleg die het college aan het begrip "normaal onderhoud" heeft gegeven, niet redelijk is. [appellant] voert hierover aan dat uit vaste jurisprudentie volgt dat bij het ontbreken van een definitie van een begrip in de planregels aansluiting moet worden gezocht bij de definities van het begrip in andere wet- en regelgeving, en, als andere wet- en regelgeving geen aanknopingspunten biedt voor de uitleg van een begrip, bij het algemeen spraakgebruik. [appellant] wijst er daarbij op dat "onderhoud" in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal onder meer wordt omschreven als "het in goede staat houden van". Door aansluiting te zoeken bij het WUR-advies, zoals het college heeft gedaan, heeft het college volgens hem de definitie van het begrip "schermslag" gebruikt om het begrip "normaal onderhoud" uit te leggen. Dat is volgens [appellant] in strijd met de rechtszekerheid, omdat "normaal onderhoud" volgens hem slechts het met enige regelmaat rooien van zieke of dode bomen en het (her)planten van een enkele boom betreft.
Verder wijst [appellant] erop dat de rechtbank er ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden dat haar uitspraak een precedent schept voor het gehele plangebied van het bestemmingsplan "Buitengebied Veegplan", omdat het begrip "normaal onderhoud" in dat hele gebied moet worden uitgelegd zoals de rechtbank dat heeft gedaan.
5.1. Voor het antwoord op de vraag of een activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, zijn de op de verbeelding aangegeven bestemming(en) en aanduiding(en) en de daarbij behorende regels bepalend. Vanwege de rechtszekerheid moet een planregel letterlijk worden uitgelegd. Als die op zichzelf niet duidelijk is, ook niet in samenhang met de andere planregels (systematiek), dan komt betekenis toe aan de niet bindende plantoelichting. Die plantoelichting kan namelijk meer inzicht geven in de bedoeling van de planwetgever. Als een begrip niet in de planregels zelf is omschreven (begripsbepalingen) en als in het bestemmingsplan en de plantoelichting geen aanwijzingen zijn te vinden hoe dat begrip moet worden uitgelegd, dan komt betekenis toe aan de uitleg die het college aan dat begrip heeft gegeven. Het college kan daarbij dan aansluiten bij het algemeen spraakgebruik.
5.2. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van het besluit van 9 maart 2023 op grond van het bestemmingsplan "Buitengebied Staphorst" in samenhang bezien met het bestemmingsplan "Veegplan Buitengebied" aan het perceel de bestemming "Bos" is toegekend. Op grond van artikel 12.4, onder a, onder 2, van de planregels is het op gronden met die bestemming verboden om zonder omgevingsvergunning bomen en andere houtopstanden te vellen, rooien of beschadigen. Op grond van artikel 12.4, onder c, onder 1, van de planregels geldt dat verbod echter niet voor werkzaamheden "betreffende het normale onderhoud en beheer van de gronden". De Afdeling stelt verder vast dat het bestemmingsplan "Veegplan Buitengebied" niet voorziet in een omschrijving van wat onder "normaal onderhoud" moet worden verstaan. Ook zijn in de plansystematiek en de plantoelichting geen aanknopingspunten te vinden voor de wijze waarop dit begrip moet worden uitgelegd. Daarom komt betekenis toe aan de uitleg die het college aan dat begrip heeft gegeven.
5.3. In het besluit van 9 maart 2023 heeft het college toegelicht dat het voor de uitleg van het begrip "normaal onderhoud" aansluiting heeft gezocht bij het WUR-advies. In dat advies wordt "schermslag" gedefinieerd als "een werkwijze ten behoeve van de bosverjonging waarbij een nieuwe bosgeneratie zich kan vestigen onder een scherm van oude bomen". Het college stelt dat het volgens het WUR-advies redelijk lijkt om ervan uit te gaan dat het aanwezige bosklimaat niet sterk wordt beïnvloed zolang de schaduwwerking van het kronendak met niet meer dan 50% afneemt. Bij een kap van maximaal 33% van het bosoppervlak is altijd verzekerd dat 50% van de schaduwwerking behouden blijft, stelt het college. Volgens hem blijven bij een kap van maximaal 33% van het bosoppervlak, verspreid over de hele oppervlakte van het bos, voldoende bomen staan die zorgen voor zaadmateriaal, schaduwwerking op de grond en voor een gunstig klimaat voor het opkomen en ontwikkelen van nieuwe bomen. Daarom is volgens het college sprake van "normaal onderhoud" als maximaal 33% van de bomen op een perceel met de bestemming "Bos" wordt gekapt, mits dat verspreid over de hele oppervlakte van het perceel gebeurt.
5.4. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat het college heeft kunnen aansluiten bij het WUR-advies om uit te leggen wanneer het college het kappen van bomen op gronden met de bestemming "Bos" als werkzaamheden "betreffende het normale onderhoud en beheer van de gronden" als bedoeld in artikel 12.4, onder a, onder 2, van de planregels aanmerkt. Daarover overweegt de Afdeling als volgt.
Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, kan het college voor de uitleg van een begrip uit de planregels aansluiten bij het algemeen spraakgebruik. Dat neemt niet weg dat het college ook ruimte heeft om aansluiting te zoeken bij een andere omschrijving. Dat het college in dit geval voor de uitleg van het begrip "normaal onderhoud" niet is aangesloten bij het algemeen spraakgebruik, maar bij het WUR-advies, leidt op zichzelf daarom niet al tot de conclusie dat sprake is van strijd met de rechtszekerheid. De Afdeling merkt daarbij op dat ook het algemeen spraakgebruik geen eenduidig antwoord geeft op de vraag wat als normaal onderhoud beschouwd moet worden, omdat "onderhoud" in het Van Dale Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal is gedefinieerd als "het in goede staat houden ervan".
De Afdeling ziet verder geen aanleiding voor het oordeel dat het college voor de uitleg van het begrip "normaal onderhoud" op gronden met de bestemming "Bos" niet heeft kunnen aansluiten bij het WUR-advies. Dat dat advies gaat over schermslag, leidt niet tot dat oordeel, omdat uit het WUR-advies blijkt dat schermslag een werkwijze ten behoeve van bosverjonging is, waarbij een nieuwe bosgeneratie zich kan vestigen onder een scherm van oude bomen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor de conclusie dat het college de kap van bomen in het kader van schermslag in dit geval redelijkerwijs niet als een vorm van normaal onderhoud van de gronden met de bestemming "Bos" heeft kunnen aanmerken. Ook volgt de Afdeling [appellant] niet in zijn standpunt dat "normaal onderhoud" zich beperkt tot het met enige regelmaat rooien van zieke of dode bomen en het (her)planten van een enkele boom.
De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van haar uitspraak. Dat de uitspraak van de rechtbank gevolgen heeft voor de wijze waarop het begrip "normaal onderhoud" elders in het plangebied op gronden met de bestemming "Bos" wordt uitgelegd, leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat de rechtbank niet tot haar oordeel heeft kunnen komen.
Het betoog slaagt niet.
Is het besluit zorgvuldig voorbereid?
6. [appellant] betoogt dat het besluit van 9 maart 2023 onzorgvuldig tot stand is gekomen, omdat de inventarisatie van het bosperceel die het college aan dat besluit ten grondslag heeft gelegd onzorgvuldig is. Hij voert daarover aan dat uit de inventarisatie niet kan worden afgeleid welke soort bomen op het bosperceel stonden en welke soort bomen gekapt zijn. Daarbij wijst [appellant] erop dat in de inventarisatie wordt bevestigd dat niet alle stobben terug te vinden zijn.
6.1. Wat [appellant] hierover in hoger beroep heeft aangevoerd is een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 4.1.3 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Is de herplantplicht voldoende concreet?
7. [appellant] betoogt dat de herplantplicht die aan de kap van de bomen verbonden is, onvoldoende concreet is. Hij voert hierover aan dat in het besluit op bezwaar niet inzichtelijk wordt gemaakt wanneer de herplant gaat plaatsvinden, hoeveel bomen herplant zullen worden en welke soort bomen herplant zullen worden. Volgens [appellant] moeten aan de herplantplicht nadere eisen worden gesteld, omdat de kap van de bomen volgens hem wel vergunningplichtig is.
7.1. De Afdeling stelt vast dat het college in zijn reactie op de melding die [persoon] heeft ingediend over de kap van de bomen heeft gewezen op de herplantplicht die geldt op grond van artikel 5, eerste lid, onder c van de Bomenverordening gemeente Staphorst. De vraag of die herplantplicht voldoende concreet is, ligt in deze procedure echter niet ter beoordeling voor. In deze procedure beoordeelt de Afdeling uitsluitend of het college het handhavingsverzoek van [appellant] heeft kunnen afwijzen omdat op grond van het bestemmingsplan geen omgevingsvergunning vereist is voor het kappen van de bomen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.H.A. Alkemade, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Alkemade
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 september 2026
1117