Uitspraak BRS.25.000904
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5282
- Datum uitspraak
- 10 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Op 20 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvullend terugkeerbesluit genomen en bij besluit van diezelfde datum een inreisverbod tegen appellant uitgevaardigd.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.25.000904
ECLI:NL:RVS:2026:5282
Datum uitspraak: 10 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 juli 2025 in zaak nr. NL25.17706 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Op 20 maart 2025 heeft de minister een aanvullend terugkeerbesluit genomen en bij besluit van diezelfde datum een inreisverbod tegen appellant uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 9 juli 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. H. Palanciyan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De derde grief leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Appellant klaagt tevergeefs dat de rechtbank in dit geval, gezien het arrest van het Hof van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892, ambtshalve had moeten beoordelen of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd. De uitspraak van de Afdeling van 2 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4178, onder 13.5 en 13.6, gaat over dat arrest. De Afdeling heeft daarin geoordeeld dat uit dat arrest slechts volgt dat de rechtbank op basis van concrete aanwijzingen uit de haar ter kennis gebrachte gegevens van het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor haar gevoerde procedure op tegenspraak, ambtshalve moet nagaan of een mogelijke schending van het beginsel van non-refoulement aan de orde is die noodzaakt tot een geactualiseerde refoulementbeoordeling. Nu van zodanige aanwijzingen geen sprake was, heeft de rechtbank terecht niet beoordeeld of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd.
1.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.
2. De overige grieven leiden ook niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat die grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roepen die grieven geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest Remling, punt 24).
3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 september 2026
918-1086