Uitspraak BRS.26.000428
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:5371
- Datum uitspraak
- 11 september 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 12 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.000428
ECLI:NL:RVS:2026:5371
Datum uitspraak: 11 september 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 januari 2026 in zaak nr. NL25.39224 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 12 augustus 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 15 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit vernietigd, voor zover betrokkene is opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. F. Ben-Saddek, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4168, onder 6.1 en 6.1.1, over de vereiste aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat die het terugkeerbesluit neemt). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
1.2. Verder roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Vos
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 september 2026
644-1111