Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak BRS.25.001438

Uitspraak BRS.25.001438

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5292
Datum uitspraak
14 september 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 24 april 2025 heeft een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

BRS.25.001438
ECLI:NL:RVS:2026:5292
Datum uitspraak: 14 september 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellant],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2025 in zaak nr. NL25.20338 in het geding tussen:

appellant

en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Bij uitspraak van 26 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Stap, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

Inleiding

1.        Appellant heeft de Afghaanse nationaliteit. Hij heeft voor de machtsovername door de Taliban in augustus 2021 als psycholoog gewerkt voor de International Psychosocial Organization (IPSO), een ngo gefinancierd door de Duitse autoriteiten met veelal Afghaanse werknemers. De minister heeft geloofwaardig geacht dat de Taliban in februari 2022 bij appellant een huiszoeking hebben gedaan, zijn IPSO-pasje hebben gevonden en hem hebben mishandeld. De minister heeft de asielaanvraag echter afgewezen, omdat de problemen geen reëel risico op ernstige schade opleveren.

Het hoger beroep

2.        Appellant klaagt in zijn eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat de minister zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico op ernstige schade loopt. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in het algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 staat dat voormalig medewerkers van ngo’s voor de Taliban geen doelwit vormen en dat hij Afghanistan legaal is uitgereisd. Appellant betoogt dat de rechtbank voorbij is gegaan aan de door hem in beroep ingebrachte landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) over de positie van medewerkers van ngo’s, terwijl daaruit volgens hem wel blijkt dat hij bij terugkeer gevaar loopt.

2.1.        Appellant betoogt allereerst tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister er terecht op heeft gewezen dat de omstandigheid dat hij legaal is uitgereisd erop wijst dat hij niet in de negatieve aandacht van de Taliban staat. Hoewel uit het door VWN genoemde e-mailbericht van 28 april 2025 volgt dat de luchthavencontroles van de Taliban niet bestand zijn tegen Afghanen die het systeem weten te omzeilen, ook als zij door de Taliban worden gezocht, volgt uit de verklaringen van appellant juist dat hij de veiligheidscontrole niet heeft omzeild. Appellant heeft verklaard dat hij met zijn eigen paspoort op legale wijze is uitgereisd, waarbij hij uitvoerig door de Taliban is ondervraagd maar geen problemen heeft ondervonden. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister appellant zijn legale uitreis mocht tegenwerpen.

2.2.        Appellant betoogt wel terecht dat de rechtbank de in beroep aangedragen landeninformatie onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij de toetsing van het standpunt van de minister dat appellant, als voormalig medewerker van een ngo, geen reëel risico op ernstige schade loopt. Zo bevat de informatie van VWN onder meer een verwijzing naar het rapport ‘EUAA Country Guidance: Afghanistan’ van mei 2024. De verslagperiode van dit rapport liep van april 2022 tot en met mei 2023 en het bevat daarmee recentere bronnen dan het ambtsbericht van juni 2023. Uit paragraaf 3.10 volgt dat sinds de machtsovername door de Taliban het aantal arrestaties van humanitaire medewerkers is toegenomen. Ook verwijst de brief van VWN naar informatie van de diplomatieke veiligheidsdienst van de Verenigde Staten van 28 maart 2024, waaruit volgt dat mensen die hebben samengewerkt met ngo’s een bijzonder risico lopen om in de gaten te worden gehouden en doelwit te worden van geweld door leden van de Taliban. Verder noemt de brief een nieuwsbericht van Radio Free Europe van 25 oktober 2024, waaruit volgt dat de Taliban medewerkers van ngo’s in de gaten houden en soms arresteren en vervolgen.

2.3.        Appellant betoogt eveneens terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister erop mocht wijzen dat hij nog acht maanden na de huiszoeking in Afghanistan heeft verbleven zonder problemen met de Taliban te ondervinden. Appellant heeft in het nader gehoor namelijk verklaard dat hij een aantal dagen na de huiszoeking zijn woning heeft verlaten. Ook heeft hij verklaard dat de Taliban vervolgens bij zijn huis langs zijn geweest om naar hem te informeren en dat zijn familie toen heeft gezegd dat hij in het ziekenhuis was. Na twee of drie dagen, zo verklaart appellant, heeft zijn hele gezin de woning verlaten en eerst een paar nachten bij vrienden doorgebracht, waarna zij zijn ondergedoken bij de zwager van appellant. Appellant kwam daar slechts sporadisch buiten. Appellant betoogt terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister deze verklaringen niet kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling en dat de rechtbank ook niet heeft gemotiveerd waarom dat niet hoefde. De Afdeling overweegt in dit verband dat, gelet op de inhoud van de verklaringen van appellant, niet inzichtelijk is waarom de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling in het nadeel van appellant heeft betrokken dat hij na de huiszoeking nog acht maanden in Afghanistan heeft verbleven. Uit die verklaringen kan immers worden afgeleid dat appellant in vrijwel die gehele periode ondergedoken was op een ander adres dan het adres dat bij de Taliban bekend was. Onder die omstandigheden is naar het oordeel van de Afdeling het verblijf van acht maanden niet zonder meer een indicatie dat appellant niet meer in de negatieve belangstelling stond of zou staan van de Taliban. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.4.        Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank niet onderkend dat het besluit een motiveringsgebrek bevat, nu de minister de in beroep overgelegde landeninformatie over de positie van ngo-medewerkers en de verklaringen van appellant over zijn onderduikadres in de periode dat hij na de huiszoeking nog in Afghanistan verbleef, niet kenbaar bij zijn oordeel heeft betrokken. Appellant betoogt daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat appellant bij terugkeer naar Afghanistan geen reëel risico op ernstige schade loopt, mede in het licht bezien van de eerder geloofwaardig geachte mishandeling.

2.5.        De eerste grief slaagt.

3.        In de tweede grief betoogt appellant dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de minister de individuele omstandigheden niet in onderlinge samenhang heeft bezien met zijn verblijf in het Westen.

3.1.        Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, slaagt dit betoog ook. In de door de rechtbank aangehaalde uitspraak van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4648, onder 15.1, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister bij zijn beoordeling of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij, gelet op het samenstel van zijn individuele omstandigheden, problemen zal krijgen bij terugkeer naar Afghanistan, alle relevante individuele factoren die een vreemdeling heeft aangedragen, in onderlinge samenhang moet bezien, waaronder ook de omstandigheid dat een vreemdeling in het Westen heeft verbleven. Zoals de Afdeling hiervoor heeft geconcludeerd, moet de minister opnieuw beoordelen of appellant, in het licht van de door hem ingebrachte informatie en afgelegde verklaringen over zijn problemen met de Taliban, een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Afghanistan. In het verlengde daarvan moet de minister ook opnieuw beoordelen hoe het verblijf van appellant in het Westen meeweegt in deze beoordeling.

3.2.        De tweede grief slaagt.

4.        Het hogerberoepschrift roept geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).

Conclusie

5.        Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, is het beroep gegrond en vernietigt de Afdeling het besluit van 24 april 2025. De minister moet een nieuw besluit op de asielaanvraag nemen met inachtneming van deze uitspraak. De minister moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 26 september 2025 in zaak nr. NL25.20338;

III.        verklaart het beroep gegrond;

IV.        vernietigt het besluit van 24 april 2025, V-[…];

V.        veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.

w.g. De Poorter
voorzitter

w.g. Iedema
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 14 september 2026

915-1088


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon