Ontwikkelingen in de Vreemdelingenkamer

In 2023 deed de Vreemdelingenkamer van de Afdeling bestuursrechtspraak 5.450 uitspraken: 3.856 uitspraken in hoofdzaken en 1.594 uitspraken op verzoeken om een voorlopige voorziening. Opvallend veel uitspraken hadden te maken met de Europese Dublinverordening, op grond waarvan wordt bepaald welke lidstaat van de Europese Unie verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag. Hieronder worden enkele belangrijke uitspraken van de Vreemdelingenkamer uitgelicht.

Nareismaatregel

In drie rechtszaken heeft de Afdeling bestuursrechtspraak op 8 februari 2023 uitspraak gedaan over de zogenoemde nareismaatregel (ECLI:NL:RVS:2023:506, ECLI:NL:RVS:2023:507 en ECLI:NL:RVS:2023:508). De nareismaatregel is onderdeel van het asielakkoord dat het kabinet in augustus 2022 sloot om de opvangcrisis op korte termijn op te lossen. Deze maatregel houdt kort gezegd in dat gezinsleden van iemand die een asielvergunning heeft (een statushouder) zes maanden langer moeten wachten voordat zij naar Nederland mogen komen. De rechtbanken in Amsterdam, Middelburg en Arnhem oordeelden in december 2022 al dat dit in strijd is met de Vreemdelingenwet 2000 en de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft zich in haar uitspraak op het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid daarbij aangesloten. Daarbij onderschrijft de Afdeling bestuursrechtspraak de wens van de staatssecretaris om de situatie in de asielopvang te verbeteren, maar zij oordeelt ook dat er voor de nareismaatregel geen wettelijke basis is in het Nederlandse recht. Daarnaast is de maatregel in strijd met de Vreemdelingenwet 2000 en de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn. De uitspraak betekent dat de staatssecretaris de overkomst van de gezinsleden moet faciliteren zonder hen te laten wachten.

Dublinoverdrachten naar Italië

Op 26 april 2023 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid volgens de toenmalige stand van zaken geen asielzoekers mocht terugsturen naar Italië die op grond van de Europese Dublinverordening eigenlijk wel moeten worden teruggestuurd (ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655). De Italiaanse autoriteiten boden namelijk geen opvang aan deze zogenoemde 'Dublinclaimanten’ vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten. Zonder opvang bestaat er een "reëel risico" dat zij niet kunnen voorzien in hun belangrijkste basisbehoeften, zoals onderdak, eten en stromend water. Dat is in strijd met de mensenrechten. Wanneer dit risico bestaat, mag de staatssecretaris niet uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel dat de situatie in een andere lidstaat, in dit geval Italië, aan de mensenrechten voldoet. De uitspraken hebben ook tot gevolg dat de staatssecretaris zolang deze situatie voortduurt, asielaanvragen die Italië op grond van de Europese Dublinverordening eigenlijk moet behandelen, toch zelf zal moeten behandelen.

Opschorting van Dublin-overdracht naar andere lidstaten

Op 22 november 2023 deed de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak in drie zaken (ECLI:NL:RVS:2023:4197, ECLI:NL:RVS:2023:4198 en
ECLI:NL:RVS:2023:4199) over de mogelijkheid van opschorting van Dublin-overdrachten bij een verzoek om voorlopige voorziening. Het gaat om op het oog technische materie, maar voor de asielpraktijk in Nederland is deze van groot praktisch belang. Als de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een asielzoeker op grond van de Europese Dublinverordening wil terugsturen naar een andere EU-lidstaat heeft hij daar zes maanden de tijd voor. De rechtbank kan met een voorlopige voorziening deze zogenoemde overdrachtstermijn opschorten totdat zij een einduitspraak heeft gedaan. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak kan in hoger beroep een voorlopige voorziening treffen, maar de overdrachtstermijn wordt dan alleen opgeschort, als de rechtbank dat eerder ook deed. Heeft de rechtbank dat niet gedaan, dan heeft het toewijzen van een voorlopige voorziening door de Afdeling bestuursrechtspraak geen gevolgen voor de overdrachtstermijn. Die blijft dan dus doorlopen. Als de termijn van zes maanden is verstreken, dan kan de asielzoeker niet meer teruggestuurd worden naar een andere EU-lidstaat en zal de staatssecretaris de asielaanvraag zelf moeten behandelen.

In de uitspraken deed de Afdeling bestuursrechtspraak suggesties voor oplossingsrichtingen. Zo zouden de rechtbanken hun werkwijze kunnen aanpassen door eerder dan nu te beslissen op een verzoek om een voorlopige voorziening. Nu wordt vaak tegelijk met de uitspraak in de hoofdzaak het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen, maar dan is de overdrachtstermijn al voor een deel verstreken. Ook kan de wetgever zich beraden op de wijze waarop hij invulling heeft gegeven aan artikel 27, derde lid, van de Dublinverordening. Deze bepaling geeft de wetgever namelijk ook andere keuzemogelijkheden bij het bepalen van het moment waarop de overdrachtstermijn start of opgeschort wordt.

24-weken-termijn voor werkende asielzoekers

Tot slot oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak op 29 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4418 en ECLI:NL:RVS:2023:4341) dat het UWV bij het verstrekken van werkvergunningen aan asielzoekers niet langer de eis mag stellen dat zij maximaal 24 weken per jaar mogen werken. Deze zogenoemde 24-weken-eis verhindert dat asielzoekers effectieve toegang krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt. Deze eis doet afbreuk aan het “doel en nuttig effect van de Europese Opvangrichtlijn” en is daarom in strijd met het Europees recht. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde hiermee uitspraken van de rechtbank in Arnhem en Utrecht, die eerder tot hetzelfde oordeel kwamen dat de 24-weken-eis onverbindend is. De Afdeling bestuursrechtspraak wees in haar uitspraak naast de rechtspraak van het Hof van Justitie in Luxemburg, ook op het eindrapport dat onderzoeksbureau Regioplan in april 2023 heeft opgesteld op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en werkgelegenheid. Uit dat rapport volgt dat de 24‑weken‑eis in de praktijk inderdaad de effectieve toegang tot de arbeidsmarkt voor asielzoekers verhindert. Volgens dit rapport vormt de eis voornamelijk een drempel voor werkgevers die meestal op zoek zijn naar personeel voor de langere termijn. De eis maakt van de asielzoeker geen aantrekkelijke werknemer. De investering is voor werkgevers vaak te groot. Door de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak wordt de 24-weken-eis niet meer toegepast.