Vraagstukken uit 2025
a. Welke eisen gelden voor de beperking van grondrechten in een pluriforme samenleving?
In een maatschappij waarin mensen met verschillende achtergronden en opvattingen samenleven kunnen grondrechten soms botsen met andere grondrechten en belangen. De Afdeling advisering heeft in 2025 in diverse adviezen aandacht gevraagd voor de rol van grondrechten in een pluriforme samenleving. Het ging daarbij steeds om het vinden van de juiste afweging tussen de verschillende belangen bij een voorgestelde beperking van de godsdienstvrijheid.
Dit kwam bijvoorbeeld aan de orde in het advies over een initiatiefwetsvoorstel waarin werd verboden om gebruik te maken van geluidsversterking bij oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging (W04.25.00086/I). De Grondwet beschermt de godsdienstvrijheid, maar biedt ook de mogelijkheid om grenzen te stellen aan de uitingen van godsdienst en levensovertuiging in de openbare ruimte. Nederland kent van oudsher een grote diversiteit in religies, levensbeschouwingen, opvattingen, leefstijlen en waardepatronen (‘pluriformiteit’), waarbij wordt gestreefd naar wederzijdse tolerantie en verdraagzaamheid. Dat maakt dat de beperking van de godsdienstvrijheid een grondige belangenafweging vergt waarbij het belang van bescherming van het grondrecht zwaar weegt. Volgens de Afdeling advisering gaat dit wetsvoorstel verder dan nodig, omdat het een algeheel verbod regelt. Het voldoet daarom niet aan de eisen voor een beperking van de godsdienstvrijheid. Daarnaast pakt het wetsvoorstel discriminerend uit, omdat overwegend één geloofsovertuiging wordt geraakt.
Ook in het advies over het initiatiefwetsvoorstel voor verplichte bedwelming bij rituele slacht (W11.25.00148/IV) wordt ingegaan op de vereiste belangenafweging. In dat advies benadrukt de Afdeling advisering dat ook uit Europese rechtspraak volgt dat fundamentele afwegingen die worden gemaakt over het beperken van de godsdienstvrijheid expliciete discussie in en instemming van het parlement vereisen. Beperkingen van de godsdienstvrijheid moeten volgens de Afdeling advisering daarom zorgvuldig worden overwogen en goed worden gemotiveerd. In dat kader is onder meer van belang dat het wetsvoorstel en de toelichting daarbij voldoende aanknopingspunten bieden om een breed parlementair debat te voeren over de beperkingen, waarin de belangen grondig kunnen worden gewogen.
Beperkingen van de godsdienstvrijheid moeten altijd in of in elk geval op basis van een wet. Daarop wijst de Afdeling advisering in het advies over het ontwerpbesluit waarin buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s) werd verboden om zichtbare uitingen van godsdienst of levensovertuiging te dragen (W16.25.00139/II). In dit advies overweegt de Afdeling advisering dat de wetgever rekening moet houden met de eisen die worden gesteld aan de beperking van grondrechten. Daaruit volgt dat - mede op basis van zorgvuldige consultatie van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en decentrale overheden - expliciete discussie in en instemming van het parlement nodig is. Zo wordt gewaarborgd dat zowel de Eerste als de Tweede Kamer waarin verschillende opvattingen vertegenwoordigd zijn, met de beperking instemt.
b. Wat houdt een zorgvuldige voorbereiding van wetgeving in?
Voor de rechtmatigheid, legitimiteit, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van wetgeving is het belangrijk dat wetten op een zorgvuldige manier tot stand komen. Dit vereist dat bij de voorbereiding van wetsvoorstellen de gevolgen voor het bedrijfsleven, burgers en uitvoeringsorganisaties zoveel mogelijk in beeld worden gebracht en de implicaties van de plannen voldoende worden doordacht. Daarom wordt in de regel tijdens de voorbereiding van een wetsvoorstel een uitvoeringstoets gedaan om informatie te verkrijgen over de uitvoerbaarheid van het voorstel. Daarnaast kan advies worden ingewonnen bij externe adviescolleges, zoals de Autoriteit Persoonsgegevens of het Adviescollege toetsing regeldruk. Ook kunnen geïnteresseerde burgers en organisaties vaak online reageren op wetsvoorstellen die in voorbereiding zijn, de zogenoemde internetconsultatie. De Afdeling advisering benadrukt dat een zorgvuldige wetsvoorbereiding meer is dan een formaliteit; het is een cruciale stap om te komen tot goede wetgeving (W04.25.00116/I).
In haar advies over het wetsvoorstel versterking rechtsbescherming aanbestedingsrecht (W18.25.00018/IV) maakt de Afdeling advisering een opmerking over het ontbreken van een uitvoeringstoets. Daardoor is onvoldoende duidelijk of de voorgestelde regeling voor bijvoorbeeld inkooporganisaties en andere publiekrechtelijke instellingen uitvoerbaar is. En in haar advies over het initiatiefvoorstel om de huren te bevriezen (W04.25.00039/I) merkt de Afdeling advisering op dat consultatie van gemeenten en de Raad voor de rechtspraak voor de hand lag, vanwege hun rol als handhavende instantie respectievelijk in verband met de gevolgen voor de rechtspraktijk. De formele consultatie van verschillende koepels en het verrichten van een Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden lag ook voor hand bij het wetsvoorstel voor het schrappen van voorrang voor statushouders in de sociale huur (W04.25.00152/I). In haar advies over het voorstel tot wijziging van de Omgevingswet in het kader van de legalisering van PAS-projecten (W11.25.00025/IV) onderstreept de Afdeling advisering dat inbreng van burgers, bedrijven en belangenorganisaties in een vroeg stadium via een internetconsultatie van belang is om tot goede en uitvoerbare wetgeving te komen.
Gelet op het belang van een zorgvuldige voorbereiding van wetgeving is het belangrijk dat voldoende tijd wordt genomen om de gebruikelijke stappen nauwkeurig te doorlopen. In uitzonderlijke situaties kan het noodzakelijk zijn om af te zien van bepaalde stappen, bijvoorbeeld als sprake is van acute omstandigheden en spoedige (nood)maatregelen nodig zijn. In haar advies over het wetsvoorstel huurbevriezing woningcorporaties 2025 en 2026 (W04.25.00116/I) benadrukt de Afdeling advisering dat als dat niet aan de orde is, het overslaan van belangrijke fases in het wetgevingsproces bezwaarlijk is. Als veel informatie nog niet bekend is en de besluitvorming eigenlijk nog niet is afgerond, komt bovendien de zorgvuldige advisering door de Afdeling advisering en een zorgvuldige beraadslaging en besluitvorming van regering en parlement onder druk te staan. In de adviezen over de Asielnoodmaatregelenwet (W03.24.00364/II) en de Wet invoering tweestatusstelsel (W03.24.00362/II) merkt de Afdeling advisering daarnaast op dat de politieke wens om snel maatregelen te nemen voor een strenger asielbeleid onvoldoende grond is om stappen in de voorbereiding over te slaan of hiervoor te weinig tijd te nemen.
Tijd nemen voor zorgvuldige amendering
Ook voor amendering van een wetsvoorstel is het belangrijk om de expertise en perspectieven van deskundigen en andere relevante partijen te betrekken en de gevolgen van een amendement voor de samenleving en uitvoeringsorganisaties goed te doordenken. Amendementen worden vaak pas kort voor of tijdens de plenaire behandeling van een wetsvoorstel ingediend. Als gevolg van de tijdsdruk die daardoor ontstaat is er vaak onvoldoende gelegenheid om de consequenties van een ingediend amendement te kunnen doordenken. Ook kunnen hierdoor de financiële consequenties niet voldoende in beeld komen. Dit kan ten koste gaan van de wetgevingskwaliteit. In een briefadvies van 29 april 2025 aan de Tweede en de Eerste Kamer benadrukt de Afdeling advisering daarom het belang dat de regering en de Tweede Kamer voorafgaand aan de stemming over amendementen voldoende tijd nemen om de relevante aspecten ervan in kaart te brengen en deze zorgvuldig te wegen.
In de voorlichting over het amendement om illegaal verblijf strafbaar te stellen (W03.25.00207/II) benadrukt de Afdeling advisering vervolgens dat als dat niet gebeurt, belangrijke vragen die samenhangen met de kwaliteit van wetgeving, onderbelicht kunnen blijven. Ook in haar advies over het amendement bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel maakt de Afdeling advisering hier een opmerking over (W12.25.00031/III).
Het gevolg van onzorgvuldige amendering kan zijn dat pas na stemming wordt geconstateerd dat geamendeerde onderdelen van de wet niet aan de kwaliteitseisen voldoen, bijvoorbeeld omdat ze in strijd zijn met hoger recht of onuitvoerbaar zijn. In sommige gevallen zagen de verantwoordelijke ministers zich dan ook genoodzaakt om de wetsvoorstellen te repareren. In haar adviezen over die reparaties zag de Afdeling advisering aanleiding om opmerkingen te maken over de kwaliteit van het wetgevingsproces. Dat gebeurde naar aanleiding van amendering van de Asielnoodmaatregelenwet (W03.25.00303/II), de Wet versterking regie volkshuisvesting (W04.25.00335/I) en het Belastingplan 2026 (W06.25.00229/III).
c. Wat is het juiste niveau van regelgeving?
Tijdens de voorbereiding van regelgeving wordt gekozen welke elementen in de wet moeten worden geregeld en welke in lagere regelgeving, zoals een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling. Randvoorwaarden daarbij zijn dat de hoofdelementen van een regeling in de wet worden vastgelegd en dat delegatiegrondslagen zo concreet en nauwkeurig mogelijk worden begrensd. Dat garandeert dat de belangrijkste keuzes over de inhoud van het recht worden gemaakt door regering en parlement samen. Betrokkenheid van het parlement betekent immers goedkeuring door de (indirect) democratisch gekozen Eerste en Tweede Kamer. Delegatie moet bovendien zoveel mogelijk worden beperkt tot het niveau van de algemene maatregel van bestuur.
Primaat van de wetgever
In haar advies over de Wijziging van de Woningwet in verband met beleidsmatige waarde (W04.25.00287/I) merkt de Afdeling advisering op dat de waarderingsgrondslag voor het vastgoed kan worden beschouwd als een hoofdelement dat op het niveau van de wet moet worden vastgelegd. Ook de kern van het aanbestedingsrecht hoort in een wet, zo merkte de Afdeling advisering op in het advies over het wetsvoorstel ter uitvoering en implementatie van Europese verordeningen, richtlijnen en besluiten met bepalingen over aanbesteden (W18.24.00348/IV).
In het advies over het wetsvoorstel tot wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (W06.25.00223/III) merkt de Afdeling advisering op dat dit uitgangspunt ook opgaat wanneer sprake is van implementatie van EU-regelgeving. Ook afwegingen die worden gemaakt over het beperken van de godsdienstvrijheid vereisen expliciete discussie in en instemming van het parlement en beperkingen moeten in of in elk geval op basis van een wet, worden vastgelegd (W16.25.00139/II).
Afbakening van de gedelegeerde bevoegdheid
De afbakening van een gedelegeerde bevoegdheid om regelgeving vast te stellen kwam aan de orde in het advies over het wetsvoorstel verbetermaatregelen toeslagen (W06.25.00072/III). Dat voorstel creëert een vrijwel ongeclausuleerde bevoegdheid om bij algemene maatregel van bestuur groepen van gevallen aan te wijzen waarbij rechtsgeldige beschikkingen, voor zover deze terugwerkende kracht hebben, voor het recht op toeslagen buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Van te ruime delegatiegrondslagen was volgens de Afdeling advisering ook sprake bij de uitvoering en implementatie van het Asiel- en migratiepact (W03.25.00165/II) en in het wetvoorstel voor de modernisering van regels voor beroepsonderwijs, educatie en vroegtijdig schoolverlaten in Caribisch Nederland (W05.25.00094/I). Ook het wetsvoorstel Spoedwet vervangen omgevingswaarde stikstof (W11.25.00316/IV) geeft geen concrete kaders of eisen waar de algemene maatregel van bestuur en het nog vast te stellen programma straks aan moeten voldoen om te verzekeren dat een ‘aanzienlijke vermindering’ van de emissie van ammoniak en stikstofoxiden wordt bereikt.
Terughoudendheid vereist bij delegatie aan minister
Ministeriële regelingen kunnen gemakkelijker worden gewijzigd en bieden meer flexibiliteit om slagvaardig te kunnen optreden. Maar ze zijn met minder kwaliteitswaarborgen omkleed: ze worden in de regel niet in de ministerraad behandeld en worden niet ter advisering voorgelegd aan de Afdeling advisering. Delegatie aan de minister is daarom slechts toegestaan voor voorschriften van administratieve aard, uitwerking van details, voorschriften die regelmatig wijziging behoeven en voorschriften die met grote spoed moeten worden vastgesteld.
In haar advies over het wetvoorstel over aanvullende bekostiging bij bijzondere ontwikkelingen in het funderend onderwijs (W05.25.00133/I) merkt de Afdeling advisering op dat voor de vergaande centrale sturing in het onderwijs het niveau van de ministeriële regeling ontoereikend is. Ook het grensbedrag voor de toepassing van daadwerkelijk herstel in het kader van de hersteloperatie Groningen moet ten minste op het niveau van een algemene maatregel van bestuur worden geregeld (W04.24.00359/I). Het verplaatsen van onder andere de selectiecriteria voor de woningbouwimpuls en het beoordelingskader voor aanvragen van het besluit Woningbouwimpuls 2020 naar de onderliggende ministeriële regeling is volgens de Afdeling advisering ook niet passend (W04.25.00136/I). Een vergelijkbare opmerking maakt de Afdeling advisering over de wijziging van het besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (W11.25.00111/IV) en de Wet houdende regels met betrekking tot de handhaving in de sociale zekerheid (W12.25.00053/III).
d. Wat is het belang van consistente regelgeving?
Consistente regelgeving is van belang voor de rechtszekerheid, een aantrekkelijk ondernemingsklimaat en het beeld van een betrouwbare overheid. Bij consistent beleid weten burgers en bedrijven waar ze aan toe zijn en kan de overheid zich richten op eenduidige uitvoering. Zowel de regering als het parlement zagen in 2025 op verschillende terreinen aanleiding om terug te komen van recent vastgestelde wet- en regelgeving. Zo’n snel opeenvolgende wijziging van regelgeving kan nadelige gevolgen hebben.
De regulering van de sociale huurprijzen is een voorbeeld van het opeenvolgend wijzigen van overheidsbeleid en de daar bijhorende wetgeving (W04.25.00116/I). Binnen vijf jaar werden zowel huurders als verhuurders in de sociale sector meermaals geconfronteerd met wijzigingen in de wijze waarop, en daarmee de hoogte van, de toegestane jaarlijkse verhoging van de huurprijzen moest worden berekend. De Afdeling advisering merkt hier op dat het ontbreken van een stabiele lijn het voor sociale verhuurders ingewikkeld maakt om te besluiten over langetermijninvesteringen in onderhoud, renovatie, verduurzaming en nieuwbouw. Dit heeft niet alleen gevolgen voor de woningcorporaties, maar ook voor de ambities van de regering ten aanzien van woningbouw en verduurzaming.
Bij het wetsvoorstel voor de verlenging van de transitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel (W12.25.00031/III) werd bij amendement een vergaande wijziging op het pensioenstelsel zelf ingevoerd. Bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is het wettelijke uitgangspunt dat de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten opgebouwd in het oude pensioenstelsel, worden ingebracht in het nieuwe stelsel, tenzij dit onevenredig ongunstig is voor bepaalde betrokkenen. Het amendement beoogt dit uitgangspunt van ‘ja, tenzij’ al voor inwerkingtreding van de wet te wijzigen naar ‘nee, tenzij’ door een voorafgaand instemmingsvereiste in te voeren. Het doel van de indieners van het amendement is om het draagvlak voor de transitie en het vertrouwen in het pensioenstelsel te vergroten. De Afdeling advisering wijst in haar advies op het belang van consistente wetgeving en rechtszekerheid. Rust en duidelijkheid over de wet- en regelgeving zijn voor veel pensioenfondsen een randvoorwaarde om het benodigde tempo te maken en te houden voor een tijdige overgang.
De besluiten over de beëindiging van de afroming van varkens- en pluimveerechten met ingang van december 2025 zijn een voorbeeld van de wijziging van zeer recent genomen besluiten (W11.25.00317/VI en W11.25.00301/IV). De afroming van beide dierenrechten is in januari 2025 ingevoerd in de Meststoffenwet. Dit om de (verlaagde) mestproductieplafonds te verwezenlijken, die zijn vastgesteld ter uitvoering van de derogatiebeschikking van de Europese Commissie op basis van de Nitraatrichtlijn. De Afdeling advisering merkt over de beëindiging van deze afroming in nog datzelfde kalenderjaar op, dat de maatregel ongedaan wordt gemaakt voordat deze effect heeft kunnen sorteren. Zo’n onbestendig beleid kan negatieve gevolgen hebben voor het ondernemingsklimaat.
e. Welke plek krijgt de uitvoering bij de totstandkoming van nieuwe wetgeving?
Het is belangrijk dat de wetgever aandacht heeft voor de uitvoerbaarheid van wetgeving. Wetgeving kan alleen effectief zijn als de uitvoering in staat is of wordt gesteld de voorgestelde taken en bevoegdheden uit te voeren. Bij de totstandkoming van nieuwe wetgeving zal er daarom steeds oog moeten zijn voor de al bestaande taken en de beschikbare uitvoeringscapaciteit van de uitvoeringsorganisaties. Zo kan worden voorkomen dat de uitvoering in de knel komt en reparatiewetgeving nodig is om grote uitvoeringsproblemen op te lossen.
De mate waarin de wetgever rekening houdt met de uitvoerbaarheid van wetgeving en de wensen en mogelijkheden van de uitvoeringsorganisaties blijkt in de praktijk wisselend te zijn. Zo heeft de Afdeling advisering geadviseerd over wetsvoorstellen waarbij nadrukkelijk oog is geweest voor de uitvoerbaarheid van wetgeving en het voorstel daarop ook is vormgegeven. Voorbeelden hiervan zijn Wet proactieve dienstverlening (W12.25.00040/III) en het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid (W12.25.00053/III)
Bij het wetsvoorstel Wet proactieve dienstverlening (W12.25.00040/III) gaat het om de wens van de uitvoering tot het verbeteren van de toegang van burgers tot al bestaande rechten en voorzieningen vanuit bijvoorbeeld het UWV, de SVB en de gemeenten. De wetgever kiest voor een discretionaire bevoegdheid om proactieve dienstverlening toe te passen. Dit betekent dat de uitvoeringsorganisatie zelf kan bepalen in welke gevallen proactieve dienstverlening wordt toegepast, zodat rekening kan worden gehouden met de beschikbare mensen en middelen. Daarmee wordt voorkomen dat deze nieuwe, aanvullende taak ten koste gaat van de reguliere dienstverlening door de uitvoering. De Afdeling onderschrijft in haar advies deze keuze van de wetgever.
Ook bij het wetsvoorstel Wet handhaving sociale zekerheid (W12.25.00053/III) is de vormgeving afgestemd op de wens van uitvoeringsorganisaties. Het doel van dit voorstel is om binnen de sociale zekerheid evenredig handhaven beter mogelijk te maken. Daarbij is er niet voor gekozen om de discretionaire ruimte van de uitvoering te vergroten. De uitvoering heeft namelijk behoefte aan duidelijke kaders en richtlijn. Daarom biedt het voorstel juist een wettelijk handhavingskader dat voor alle socialezekerheidswetten hetzelfde is. De Afdeling onderschrijft in haar advies nut en noodzaak van deze wijzigingen en de bijdrage die het nieuwe wettelijke handhavingskader kan leveren aan evenredig handhaven met menselijke maat.
Maar de Afdeling advisering ontvangt ook voorstellen waarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met de uitvoerbaarheid van wetgeving en de beschikbare uitvoeringscapaciteit. Een voorbeeld hiervan is het wetsvoorstel over de basisverzekering voor arbeidsongeschikte zelfstandigen (W12.25.00273/III). Dit wetsvoorstel introduceert een nieuw verzekeringsstelsel voor zelfstandigen bij arbeidsongeschiktheid. De uitvoering hiervan blijkt echter voor het UWV en de Belastingdienst op korte termijn niet haalbaar te zijn.
De Afdeling advisering merkt in haar advies op dat dit voorstel de huidige wet- en regelgeving nog complexer maakt. En wet- en regelgeving die steeds complexer wordt, zorgt voor steeds grotere problemen bij burgers en uitvoeringsorganisaties, terwijl die nu al kampen met grote beperkingen in de uitvoering, bijvoorbeeld bij de WIA. De Afdeling advisering concludeert dan ook dat het wetsvoorstel niet of nauwelijks uitvoerbaar is, zeker zolang bestaande uitvoeringsproblematiek niet is opgelost. Zij adviseert dan ook het voorstel opnieuw te bezien, in samenhang met of volgend op de noodzakelijke herziening van de WIA.
Ook in de adviezen over de Asielnoodmaatregelenwet (W03.24.00364/II) en de Wet invoering tweestatusstelsel (W03.24.00362/II) merkt de Afdeling advisering op dat bepaalde maatregelen zullen leiden tot een verhoging van de belasting van de asielketen. Verschillende maatregelen zullen ertoe leiden dat de IND meer en ook bewerkelijkere beslissingen moet nemen. Over deze beslissingen zal ook meer worden geprocedeerd, wat de druk op de rechtspraak verhoogt. Wanneer procedures langer duren, verblijven mensen bovendien langer in de asielopvang.
In het advies over het Wetsvoorstel vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I) merkt de Afdeling advisering ook op dat de voorgestelde maatregelen leiden tot lastenverzwaring. Door de focus van het wetsvoorstel op administreren, monitoren, melden en controleren komt de nadruk voor scholen te liggen op het voldoen aan de procedurevoorschriften. Hierdoor bestaat het risico dat er juist minder ruimte, tijd en aandacht is voor het open gesprek waarin men open kan praten over wat gewenst is en wat niet, en waar grenzen liggen. Ook krijgen scholen te maken met dubbele toezichtslasten van zowel de Inspectie van het Onderwijs als de Nederlandse Arbeidsinspectie.
f. Wat is er nodig om effectieve wetgeving over weerbaarheid te maken?
In 2025 stond ‘weerbaarheid’ meer in de belangstelling bij de wetgever. De veranderende geopolitieke situatie gaf daartoe aanleiding, net als de wens om voorbereid te zijn op mogelijke terroristische dreigingen, sabotage of risico’s op het gebied van natuurrampen en klimaatverandering. Het is belangrijk dat in tijden van crisis essentiële diensten, maatschappelijke en economische processen door kunnen blijven gaan. Daarvoor is in ieder geval nodig dat verantwoordelijkheden en bevoegdheden concreet worden belegd en dat die coherent en consistent zijn.
In het advies over de modernisering van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden (W16.25.00006/II) vraagt de Afdeling advisering aandacht voor de coherentie en consistentie van het staatsnoodrecht als geheel. Daarbij is inzet van verschillende bewindspersonen essentieel om bepalingen in verschillende wetten goed op elkaar af te stemmen en waar nodig gelijk te trekken.
De Wet weerbaarheid kritieke entiteiten (W16.24.00335/I) en de Cyberbeveiligingswet (W16.24.00336/II) implementeren Europese richtlijnen en hebben tot doel de weerbaarheid van vitale maatschappelijke functies of economische activiteiten en essentiële diensten, de zogenoemde kritieke entiteiten, in stand te houden en te versterken. Ook belangrijke maatschappelijke en economische processen vereisen adequate bescherming tegen cyberbeveiligingsrisico’s.
De Afdeling advisering is in de adviezen alert op de vraag hoe die Europese richtlijnen uitvoerbaar ingepast kunnen worden in de Nederlandse structuur en daarmee daadwerkelijk effectief kunnen zijn voor versterking van de weerbaarheid van essentiële diensten. De Afdeling advisering wijst met name op het belang om problemen door overlapping van bevoegdheden te vermijden.
Omdat weerbaarheid bij uitstek een sector-overstijgend onderwerp is, is een duidelijke toedeling van verantwoordelijk- en bevoegdheden van belang, zowel bij instanties die het voorstel moeten uitvoeren als de entiteiten die de activiteiten verrichten. Expliciet vraagt de Afdeling advisering aandacht voor de taakafbakening tussen vakministers en de zelfstandige bestuursorganen en tussen de vakministers en de coördinerende taak en de medebetrokkenheid van de minister van Justitie en Veiligheid.
Ook is in 2025 geadviseerd over het wetsvoorstel wijziging van de Energiewet om het EU-wetgevingspakket te implementeren. Dat regelt dat de minister, om redenen van nationale veiligheid, bindende aanwijzingen kan geven aan elektriciteits- of aardgasbedrijven om veilig te stellen dat essentiële overheidsorganisaties en bedrijven verzekerd zijn van elektriciteit (W19.25.00218/IV). De Afdeling advisering vindt dit een verstandig voorstel. Het is steeds belangrijker geworden dat Nederland weerbaar is tegen geopolitieke dreigingen. Energie is een essentiële voorziening en onze open energiemarkt is kwetsbaar.
Wel vindt de Afdeling advisering dat deze bevoegdheid van de minister niet nauwkeurig is afgebakend, want hiermee kan diep worden ingegrepen in de markt. Om de bevoegdheid beter af te bakenen kan het beste worden aangesloten bij het Europese stelsel. En als een energietekort dreigt, is het niet alleen van belang om te voorzien in leveringszekerheid voor essentiële organisaties, maar ook om te bepalen welke afnemers minder of geen elektriciteit krijgen. Dat is een zaak van algemeen regeringsbeleid.
De Afdeling adviseert daarom deze afweging van prioriteiten te maken bij koninklijk besluit. Daarnaast adviseert zij in de toelichting bij het wetsvoorstel in te gaan op het belang van de energiesector voor de nationale veiligheid en daarbij ook in te gaan op het stelsel van noodbevoegdheden.
