De Raad als toetser van het klimaatbeleid
De Afdeling advisering toetst jaarlijks op grond van de Klimaatwet het klimaatbeleid van de regering. In 2025 heeft de Afdeling advisering een beschouwing gemaakt over het ontwerp-Klimaatplan 2025-2035 (W19.24.00360/IV) en over de concept-Klimaat- en Energienota 2025 (W19.25.00208/IV).
Ontwerp-Klimaatplan
De Afdeling advisering is op zichzelf positief over de keuze om in te zetten op het bevorderen van groene groei. Zij wijst echter op het belang van het uiteenzetten van een sociaaleconomische structuuranalyse, met een nadruk op de ruimtelijke dimensies van het klimaatbeleid. Van belang is adequate uitvoering van bestaand klimaatbeleid en het tijdig maken van concrete en richtinggevende keuzes over wat er op de korte en middellange termijn moet gebeuren. De Afdeling advisering adviseert een tussendoel voor 2040 vast te leggen in de Klimaatwet.
Zij onderschrijft het belang van klimaatrechtvaardigheid, dat als een belangrijk uitgangspunt in het ontwerp-Klimaatplan is geformuleerd. Omdat gedragsverandering van wezenlijk belang is voor het bereiken van klimaatneutraliteit in 2050, is het volgens de Afdeling van belang om een gedragsstrategie te formuleren en daarbij te concretiseren welk beleid het kabinet voor de komende jaren voor ogen heeft.
De Afdeling adviseert daarnaast duidelijk te maken welke keuzes het kabinet wil maken bij de zogenoemde beleidsmix. Naast het instrumentarium van normeren, beprijzen en subsidiëren adviseert zij, waar nodig, ook faciliteren en compenseren te betrekken.
Concept-Klimaat- en Energienota 2025
Op grond van de Klimaatwet geldt een wettelijk streefdoel van 55% emissiereductie in 2030 ten opzichte van 1990. De Afdeling advisering concludeert dat er nauwelijks vooruitgang is geboekt om de klimaatdoelstellingen voor 2030 te halen. Daarmee is er dus in feite achteruitgang, omdat in de toekomst grotere stappen moeten worden gezet om de klimaatdoelen alsnog te kunnen halen. Maar ondertussen wordt het ambitieniveau voor wind op zee verlaagd en worden de verplichtingen op het gebied van de productie van groene waterstof teruggeschroefd. Daarmee wordt het klimaatbeleid instabieler.
De Afdeling advisering acht het van belang om nadrukkelijker onderscheid te maken tussen bedrijvigheid die wezenlijk is om te behouden voor het versterken van het groeivermogen, voor het ontwikkelen van een duurzame concurrerende industrie of voor het veiligstellen van vitale belangen, en activiteiten waarvoor dat niet of in mindere mate geldt. Investeringen en aandacht kunnen vervolgens primair worden gericht op kansrijke, innovatieve, duurzame bedrijvigheid, die over voldoende fysieke ruimte moet kunnen beschikken en waarvoor voldoende mensen en middelen beschikbaar moeten zijn. Het vervullen van cruciale randvoorwaarden is daarbij onontbeerlijk om ondernemingen een realistisch perspectief te geven op het kunnen ontwikkelen van een duurzaam bedrijfsmodel, zoals het kunnen beschikken over een toereikende energie-infrastructuur.
De Afdeling advisering acht het daarnaast van belang om in het klimaat- en energiebeleid in te spelen op belemmerende factoren. Daarnaast is het belangrijk om besparingsmogelijkheden optimaal te benutten, in te zetten op gedragsverandering en mogelijkheden te bezien voor een slimmere benutting van het elektriciteitsnet.
