Ontwikkelingen in de Omgevingskamer

De Omgevingskamer heeft in 2025 ongeveer 2.500 zaken gedaan. De belangrijkste thema’s in deze uitspraken zijn: infrastructuur, energietransitie, natuurbescherming, maar bovenal wonen, wonen en nog eens wonen. Dit jaar had de Omgevingskamer nog steeds in beperkte mate te maken met de Omgevingswet. In totaal zijn er slechts acht uitspraken in hoofdzaken onder de Omgevingswet gedaan en in 2025 zijn er bij de Afdeling bestuursrechtspraak 143 zaken aanhangig onder de Omgevingswet. De Omgevingswet is inmiddels ruim twee jaar van kracht.

Wonen en werken

Sinds de zomer van 2024 geeft de Afdeling bestuursrechtspraak voorrang aan woningbouwzaken met een omvang van twaalf woningen of meer. Dit vooruitlopend op de Wet regie versterking volkshuisvesting die waarschijnlijk later in 2026 van kracht wordt, maar vooral vanwege de maatschappelijke wens woningbouwprocedures te versnellen. Sinds medio 2024 tot eind 2025 zijn er bijna vierhonderd zaken met voorrang behandeld. Het gaat dan in totaal om ruim 82.000 woningen. Een speciaal team van staatsraden en juristen behandelt deze woningbouwzaken. Op de website van de Raad van State worden resultaten van het project ook weergegeven, waarbij ook een regionale verdeling van de zaken zichtbaar is. In de zaken die zien op woningbouw vragen partijen eigenlijk zonder uitzondering aandacht voor de aantasting van uitzicht en privacy en voor de mogelijke beperking van de bestaande bedrijfsactiviteiten door woningbouw dichter bij bestaande bedrijven. Verder zijn verkeers- en parkeerdruk regelmatig terugkerende thema’s. Dit is vergelijkbaar met de thema’s die zijn benoemd in het jaarverslag 2024.

Voorwaardelijke verplichting

Eén uitspraak uit 2025 verdient extra aandacht, namelijk de tussenuitspraak Parkhaven Rotterdam (9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076). Het ging in die zaak om een bestemmingsplan voor 650 woningen in acht woontorens tot zeventig meter. Omwonenden, deels verenigd in een belangengroepering, en nabijgelegen bedrijven waren van oordeel dat de bereikbaarheid en de exploitatiemogelijkheden onaanvaardbaar zouden worden aangetast, met verkeers- en parkeerhinder tot gevolg. Ook vrezen zij dat het rijksmonument Euromast en Het Park worden aangetast. In deze tussenuitspraak heeft de Afdeling bestuursrechtspraak vastgesteld dat, in bepaalde gevallen ook naar het oordeel van de gemeenteraad zelf, verschillende aspecten ontbreken die zien op de realisatie en de instandhouding van de fysieke inrichting van het plangebied. Het gaat om de bereikbaarheid van de bestaande ondernemers, de monumentale waarde van de Euromast en de gewenste hoogwaardige groene inrichting. In de tussenuitspraak benadrukt de Afdeling bestuursrechtspraak expliciet dat, anders dan uit eerdere afspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak kan volgen, een voorwaardelijke verplichting noodzakelijk is voor de realisatie en instandhouding van bepaalde – veelal – fysieke maatregelen. Ook benadrukt de Afdeling bestuursrechtspraak dat daarop geen uitzondering (meer) geldt als het bevoegd gezag eigenaar, zakelijk gerechtigde of beheerder is van de gronden en/of de verwachting uitspreekt dat de maatregelen zullen worden gerealiseerd en in stand gehouden, dan wel privaatrechtelijke afspraken daarover met derden zijn gemaakt. De reden hiervoor is dat hierdoor onvoldoende afdwingbare waarborgen worden geboden aan derden, zoals om- en aanwonenden, die immers afhankelijk zijn van een publiekrechtelijke regeling die hun positie waarborgt en waarop zij zich kunnen beroepen. Randvoorwaarde is wel dat de maatregelen uit het oogpunt van de goede ruimtelijke ordening noodzakelijk zijn.

Natuurbescherming

Na de uitspraken van 18 december 2024 over het intern salderen zijn er in 2025 meerdere uitspraken gedaan die in het verlengde liggen. Inmiddels is ook uitspraak gedaan in de zaak Pasgeld-West (14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:193) waarin is bepaald dat de lijn van de 18 december-uitspraken ook geldt voor bestemmingsplannen met een bijbehorende vergewisplicht voor het bevoegd gezag. De 18 december-uitspraken en de uitspraak in de zaak Pasgeld-West van begin 2026 zullen naar alle waarschijnlijk de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak over natuurbescherming in 2026 domineren.

Een meer specifiek in het oog springende uitspraak is de tussenuitspraak in de zaak over de verbreding en de aanpassing van de A27 door Amelisweerd (30 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1971). In die zaak kwam de Afdeling bestuursrechtspraak tot het oordeel dat bij de beoordeling van de stikstofeffecten van het wegproject onvoldoende rekening is gehouden met het zogenoemde additionaliteitsvereiste. Dat houdt in dat de negatieve effecten van het wegproject weliswaar mogen worden weggestreept (‘gesaldeerd’) tegen de positieve natuureffecten van het beëindigen van agrarische bedrijven, maar dat dit alleen maar mag als die positieve effecten niet al nodig zijn voor het behoud van de beschermde natuurgebieden en ook niet al nodig zijn om te voorkomen dat deze gebieden verslechteren. Dat is in dit geval onvoldoende gebleken. Verder stelt de Afdeling bestuursrechtspraak vast dat, ook na het salderen, natuurwaarden binnen het beschermd natuurgebied Veluwe worden aangetast. Dat vergt een zogeheten ADC-toets, wat betekent dat er een dwingende reden moet zijn voor de verbreding en aanpassing van de A27, daarvoor geen alternatief is en de gevolgen worden gecompenseerd. In de ADC-toets was de compensatie onvoldoende gemotiveerd, omdat het maar de vraag is of de oude eikenbossen, zandverstuivingen en stuifzandheiden zich wel in voldoende mate kunnen ontwikkelen.

Handhaving

Op 5 maart 2025 deed de Afdeling bestuursrechtspraak uitspraak in een omgevingsrechtelijke handhavingszaak (ECLI:NL:RVS:2025:678), waarin de verhouding tussen de beginselplicht tot handhaving en het evenredigheidsbeginsel is verduidelijkt. Met de uitspraak wordt geen afstand genomen van de beginselplicht, maar bij de vraag of van handhaven mocht worden afgezien, moet ook het evenredigheidsbeginsel worden meegenomen (Harderwijk-uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Dat betekent een toets aan de criteria geschiktheid, noodzaak en evenwichtigheid, maar als uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is bij handhaving en dus de beginselplicht tot handhaving voorop blijft staan.