Thom de Graaf
Vice-president van de Raad van State
“In 2025 bracht de Afdeling advisering 312 adviezen en voorlichtingen uit. Daaruit bleek dat zorgvuldige wetsvoorbereiding en consistente regelgeving een belangrijk punt van aandacht blijven, misschien wel meer dan voorheen. Maar daar komt iets bij. Is er in beleid en wetgeving wel voldoende aandacht voor de lange termijn, voor de volgende generaties en hun belangen? Zaken als pensioenen, klimaat, migratie en woningbouw strekken zich uit over langere tijd. Politiek en bestuur richten zich begrijpelijk vaak op de ‘problemen van nu’, voor de ‘mensen van nu’.
Maar er is ook een morele verplichting om duurzame oplossingen te kiezen die de lasten van ons leven niet naar de toekomst doorschuiven. Wetgever en bestuur moeten zich aan de ‘tirannie van het hedendaagse’ weten te onttrekken. Hoe weeg je de belangen van wie nog geen stemrecht hebben, of in het geval van de generaties die nog niet geboren zijn, zelfs helemaal geen stem? Hoe zorgen we ervoor dat politici, beleidsmakers, ambtenaren en parlementariërs van nu rekening houden met hun toekomst? In mijn laatste jaarverslag verkent de Raad van State de mogelijkheden daartoe. Het gaat om het recht op een toekomst voor degenen die na ons komen.

Meer aandacht in beleid en wetgeving voor toekomstige generaties
Er is in beleid, wetgeving en internationale verdragen echt al wel wat te vinden over wat we ‘intergenerationele rechtvaardigheid’ noemen. Maar we kunnen een stap verder zetten, zodat de toekomst hierin een structurele plek krijgt. Tal van goede initiatieven, zoals future design of Toekomsttafels kunnen een vaste plek krijgen in de beleidsvorming. Het is ook zinvol om te onderzoeken of de waarde van een duurzame toekomst voor volgende generaties een verankering in onze Grondwet zou kunnen krijgen zoals dat ook in andere landen is gebeurd. De internationale en nationale rechtspraak krijgen daar ook steeds meer oog voor. En bij de beoordeling van nieuwe wetsvoorstellen zal de Afdeling advisering daar nog beter naar kunnen kijken.
Er is niet alleen toekomst, er is ook een verleden, ik kom daar aan het einde van mijn vice-presidentschap niet onderuit. Terugkijkend waren er veel hoogtepunten, zoals de nationale en internationale symposia en seminars die wij organiseerden en de binnengeleiding van de toekomstige koningin toen zij achttien jaar werd en toetrad tot de Raad van State.
Wat een zware wissel op iedereen trok: de toeslagenaffaire en natuurlijk corona – ik zie de lege zalen en gangen in ons gebouw nog voor me. Belangrijk was toen de gezamenlijke verklaring van de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer, de president van de Rekenkamer, de Nationale ombudsman en ik als vice-president van de Raad van State waarin wij publiekelijk duidelijk maakten dat de democratische rechtsstaat ‘open’ bleef, ondanks het stilvallen van de samenleving, en dat we pal stonden voor het continueren en functioneren van het democratisch proces.
In juli 2026 sluit ik mijn voltijdse professionele leven af, na meer dan 45 jaar aan de publieke zaak te hebben gewijd. Ik wil mij blijven inzetten voor het publieke belang, maar dan met aanmerkelijk meer vrijheid en flexibiliteit. Ik krijg meer tijd voor mijn persoonlijke leven, mijn kinderen en kleinkinderen. De beschouwing over intergenerationele rechtvaardigheid is ook voor hen.”
