Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken

Uitspraken

De Afdeling bestuursrechtspraak toetst of de overheid het recht goed heeft toegepast bij het nemen van een besluit. In dit onderdeel vindt u alle uitspraken die de Raad van State op zijn website publiceert. Meer informatie over de taak van de Afdeling bestuursrechtspraak vindt u in de rubriek Bestuursrechtspraak.


aantal resultaten: 126.681
aantal resultaten per pagina

Toon overzicht van de actuele uitspraken:

  • Hoofdzaken
  • Voorlopige voorzieningen
  • Interessant voor de media

BRS.26.002605

Bij besluit van 27 januari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5121
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002605

BRS.26.003777

Bij besluit van 6 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Betrokkene is een staatloze Palestijn. Hij is op 6 juli 2026 per vliegtuig vanuit Turkije op Schiphol aangekomen, waar hij asiel heeft aangevraagd. De minister heeft hem in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Op 13 juli 2026 heeft de minister betrokkene gehoord over zijn asielmotieven. Op 15 juli 2026 heeft betrokkene correcties en aanvullingen ingediend. Op 17 juli 2026 heeft de minister de asielaanvraag ingewilligd, de grensdetentie uit eigen beweging opgeheven en betrokkene toegang tot Nederland verleend. De minister heeft de werkwijze die hij hanteert in een geval als dat van betrokkene opgenomen in werkinstructie (WI) 2026/23. Daarin staat dat het uitgangspunt is dat de asielaanvraag van iedere vreemdeling die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden uit de Schengengrenscode aanvankelijk in de asielgrensprocedure wordt behandeld, tenzij een van de genoemde uitzonderingen van toepassing is. Gedurende de behandeling van de aanvraag wordt de vreemdeling in grensdetentie geplaatst. Wanneer de minister concludeert dat de aanvraag niet verder kan worden behandeld in de asielgrensprocedure, wordt de vreemdeling toegang tot Nederland verleend en wordt de grensdetentie opgeheven. De Afdeling constateert dat deze werkwijze in feite ongewijzigd is gebleven bij het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5077
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003777
  • persberichtbij de uitspraak in de zaakBRS.26.003777

BRS.26.004089

Bij besluit van 3 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen,

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5118
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004089

BRS.26.004214

Bij besluit van 30 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5117
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004214

BRS.26.004220

Bij besluit van 3 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5112
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004220

BRS.26.004291

Bij besluit van 29 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5099
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004291

BRS.26.004400

Bij besluit van 9 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5110
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004400

BRS.26.004430

Bij besluit van 9 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5115
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004430

BRS.26.004620

Bij besluit van 18 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5211
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004620

BRS.26.004625

Bij besluiten van 7 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie. aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5212
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004625

202202020/1/A3

Uitspraak over een ontheffing die het college van gedeputeerde staten van Utrecht al in 2020 verleende aan Faunabeheereenheid Utrecht voor het doden van vossen in weidevogelgebieden en bij biologische kippenbedrijven in de provincie Utrecht. Stichtingen de Faunabescherming, Fauna4Life en Animal Rights waren het niet eens met deze ontheffing en kwamen daartegen in beroep bij de rechtbank Midden-Nederland. De rechtbank oordeelde in 2022 dat het college onvoldoende had onderbouwd dat het doden van vossen noodzakelijk is om weidevogelgebieden en pluimvee te beschermen en dat er geen andere bevredigende oplossingen bestaan. De rechtbank droeg het college op om een nieuw besluit te nemen. Het college is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. En met succes, zo blijkt uit de uitspraak van vandaag. Het is namelijk geen eis voor het college van gedeputeerde staten dat het 𝒂𝒂𝒏𝒕𝒐𝒐𝒏𝒕 wat “het precieze aandeel van de vos is in de predatie van weidevogels, of wat het effect van een groter afschot van vossen op de stand van deze vogels is.” Het college moet voldoende 𝒂𝒂𝒏𝒏𝒆𝒎𝒆𝒍𝒊𝒋𝒌 maken dat de ontheffing bijdraagt aan het belang van de bescherming van weidevogels. Het hoger beroep van het college is dan ook gegrond. Na de uitspraak van de rechtbank heeft het college in 2023 een nieuw besluit genomen en de ontheffing voor het doden van vossen in stand gelaten. De bezwaren van de Faunabescherming, Fauna4Life en Animal Rights hebben ook betrekking op dit nieuwe besluit. Maar volgens de Afdeling bestuursrechtspraak hebben de stichtingen in dit geval geen belang meer bij een rechterlijke uitspraak. De ontheffing is namelijk niet meer van kracht en de Wet natuurbescherming waarop de ontheffing is gebaseerd is inmiddels ingetrokken. En ook het Faunabeheerplan 2019-2025 dat aan de ontheffing ten grondslag lag, geldt niet meer. Het antwoord op de vraag of het in dit geval aannemelijk is dat het doden van de vos noodzakelijk is om de weidevogels te beschermen, zal niet in relevante mate van betekenis zijn voor toekomstige gevallen, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5173
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Flora en fauna
  • uitspraakin de zaak202202020/1/A3

202302956/1/R4, 202306976/1/R4 en 202307114/1/R4

Bij besluit van 16 februari 2022 heeft de raad van de gemeente Arnhem de aanvraag van Zorgwonen Bronbeek om een bestemmingsplan vast te stellen voor de wijziging van de bestemming "Maatschappelijk" van het perceel Bronbeeklaan 66 naar de bestemming "Wonen" afgewezen. De gemeente Arnhem is eigenaar van het perceel Bronbeeklaan 66. Dit perceel is, met ingangsdatum 17 augustus 1964, in erfpacht uitgegeven. De einddatum is 17 augustus 2039. Het erfpachtrecht is tot een gebruik als ‘bejaardentehuis’ beperkt. Zorgwonen Bronbeek is sinds 31 augustus 2018 erfpachter. Op de locatie was tot in 2017 een zorgcomplex voor senioren (de Paasbergflat) operationeel. Het gebouw staat nu zo goed als leeg. Zorgwonen Bronbeek heeft om vaststelling van een bestemmingsplan voor de locatie verzocht om hier maximaal 59 zelfstandige wooneenheden en vijf onzelfstandige wooneenheden mogelijk te maken. De bouw daarvan paste niet binnen het toentertijd geldende bestemmingsplan "Velperweg e.o.". De raad heeft in bezwaar vastgehouden aan de afwijzing van deze aanvraag omdat deze volgens hem strijdig is met een goede ruimtelijke ordening en de erfpachtakte een evidente privaatrechtelijke belemmering voor de uitvoerbaarheid van een dergelijke bestemming oplevert. Na het besluit op bezwaar heeft de raad voor de locatie een bestemmingsplan vastgesteld. Dit voorziet in 54 zelfstandige woningen. De raad heeft ook een exploitatieplan vastgesteld omdat het erfpachtcontract niet voorziet in publiekrechtelijk kostenverhaal en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5143
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202302956/1/R4, 202306976/1/R4 en 202307114/1/R4

202304520/1/R4

Bij besluit van 7 juni 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal [appellant] een omgevingsvergunning eerste fase verleend om haar melkveehouderij aan de [locatie A] in Wamel deels om te zetten in een varkenshouderij. [appellant] exploiteert een melkveehouderij aan de [locatie A] in Wamel. Zij heeft een omgevingsvergunning aangevraagd omdat zij een bestaande stal wil slopen en twee nieuwe stallen wil bouwen. Daarin wil zij, in plaats van 160 stuks melk- en kalfkoeien en 151 stuks vrouwelijk jongvee nog slechts 140 zoogkoeien houden, met daarnaast 2.880 vleesvarkens en 2.880 gespeende biggen. Verder wil zij een mestscheidingsinstallatie en een mestbassin bouwen. De omgevingsvergunning eerste fase die in dit geding voorligt, is alleen verleend voor het wijzigen van de inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. De bouw van de bouwwerken zal aan de orde komen bij de tweede fase. [persoon B] en [persoon A] wonen aan de [locatie B], [locatie C] en [locatie D] in de directe omgeving van de inrichting van [appellant]. Zij vrezen overlast door de voorgenomen verandering van een volledige melkveehouderij naar een gedeeltelijke varkenshouderij.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5166
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Vee e.a. dieren
  • uitspraakin de zaak202304520/1/R4

202305140/1/R2

Bij afzonderlijke besluiten van 13 juli 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond [appellanten] onder oplegging van een dwangsom gelast om voor 1 oktober 2020 de zonder omgevingsvergunning op de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond gerealiseerde erfafscheidingen te verwijderen, te verlagen tot 1 m, of te verplaatsen tot achter de voorgevelrooilijn. [appellanten] zijn eigenaren van respectievelijk de percelen [locatie A] en [locatie B] in Helmond. In september 2019 heeft een toezichthouder van de gemeente geconstateerd dat aan de voorzijde van deze percelen zonder omgevingsvergunning erfafscheidingen zijn geplaatst. Het college heeft hen in verband daarmee bij brieven van 15 januari 2020 een voornemen tot handhaving toegestuurd. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding en het college bevoegd was om handhavend op te treden. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het door het college gevoerde handhavingsbeleid zoals neergelegd in de "Beleidsregel handhaving particuliere bouwwerken Helmond 2013" in algemene zin onevenredig is.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5186
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202305140/1/R2

202305735/1/R1

De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het bestemmingsplan ‘Hotel Corfwater’ van de gemeente Schagen vernietigd. Ook de omgevingsvergunning die het college van burgemeester en wethouders verleend voor de bouw van het nieuwe hotelcomplex is vernietigd. De gemeente wilde met het bestemmingsplan een nieuw hotelcomplex mogelijk maken dat ruimte biedt aan 240 hotelkamers, horeca, wellness en vergader- en congresfaciliteiten. Het voormalige hotel ‘Huis ter Duin’ dat in het gebied ligt, wordt gerenoveerd en krijgt horeca-, vergader- en congresfaciliteiten en ook ruimte voor kantoren. Het gebied grenst aan het Natura 2000-gebied Zwanenwater & Pettemerduinen. Het Zijper Landschap en Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging afdeling Alkmaar-Den Helder en enkele inwoners van Petten zijn het niet eens met het bestemmingsplan en zijn daartegen in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij voerden onder meer aan dat het stikstofonderzoek waarop de gemeenteraad het bestemmingsplan heeft gebaseerd, niet deugt. De Afdeling bestuursrechtspraak constateert onder meer dat het onderzoek naar de stikstofgevolgen van het plan meerdere gebreken bevat. Zo omvat dat onderzoek ook de naastgelegen camping, maar die maakt geen onderdeel uit van dit bestemmingsplan. De gemeenteraad heeft op de rechtszitting in juli van dit jaar erkend dat er een afzonderlijke stikstofberekening voor het hotel had moeten worden gemaakt. Ook is in de zogenoemde referentiesituatie rekening gehouden met de stikstofuitstoot van een manege die tot 2012 in het gebied aanwezig was. Er staat echter niet vast dat die manege uitsluitend is gestopt vanwege de beoogde bouw van het hotel. De gemeenteraad heeft op de rechtszitting erkend dat de manege niet had mogen worden meegenomen in de referentiesituatie. Ook is onduidelijk of in het stikstofonderzoek is uitgegaan van de juiste hoeveelheid verkeer die het hotelcomplex zal aantrekken. Tot slot ontbreekt een toets aan het additionaliteitsvereiste.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4966
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Noord-Holland
  • uitspraakin de zaak202305735/1/R1

202307677/1/R1

Bij besluit van 28 september 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk aan [appellant] en anderen medegedeeld dat een door hen ingediende ingebrekestelling ten aanzien van het niet tijdig beslissen op hun handhavingsverzoek prematuur is en daarom niet in behandeling zal worden genomen. Bij besluit van 10 december 2020 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] en anderen met betrekking tot de aanleg van een verharding en een aarden wal met een kunststofbuis op het perceel aan de [locatie A] in Beverwijk afgewezen. Op het perceel aan de [locatie A] werd voorheen een agrarisch bedrijf geëxploiteerd. [partij A] en [partij B] zijn eigenaar van dit perceel. [appellant] en anderen wonen aan de Creutzberglaan in Beverwijk aan de oostzijde van het perceel. [partij A] en [partij B] hebben ter hoogte van de percelen van [appellant] en anderen een verharding, een aarden wal en een kunststof buis aangelegd en bomen en coniferen aangeplant. [appellant] en anderen zijn het daar niet mee eens.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5169
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202307677/1/R1

202403433/1/A3

Bij besluit van 3 november 2022 heeft de burgemeester van Hellevoetsluis (nu: Voorne aan Zee) een evenementenvergunning verleend voor de landelijke Sinterklaasintocht. Op 12 juli 2022 heeft de burgemeester een aanvraag ontvangen voor een evenementenvergunning voor de landelijke Sinterklaasintocht in Hellevoetsluis in 2022. De stichting en [appellant] hebben op 12 oktober 2022 bezwaar gemaakt tegen de evenementenvergunning, die op dat moment nog niet was verleend. De stichting en [appellant] willen dat Zwarte Piet deelneemt aan de intocht en hierover wordt niets in de evenementenvergunning bepaald. Hiermee wordt er volgens de stichting en [appellant] genocide gepleegd. Bij het bezwaar hebben de stichting en [appellant] vier verzoeken ingediend die samenhangen met de landelijke Sinterklaasintocht. Het college heeft, nadat de evenementenvergunning op 3 november 2022 was verleend, geoordeeld dat de stichting en [appellant] geen belanghebbenden zijn bij het besluit om de evenementenvergunning te verlenen. Daarnaast heeft het college de vier verzoeken van de stichting en [appellant] niet aangemerkt als aanvragen waarop een besluit moet worden genomen, omdat die verzoeken geen aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb zijn.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5142
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202403433/1/A3

202404202/1/R3

Bij besluit van 31 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen aan [partij] een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een aanbouw op het perceel [locatie A] in Groningen. De omgevingsvergunning is ter legalisatie van de al gerealiseerde aanbouw verleend voor de activiteiten bouwen en gebruiken in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo. [appellante] woont op het naastgelegen adres aan de [locatie B] en is het niet eens met de verlening van de omgevingsvergunning, omdat volgens haar de afwijkingen van het bestemmingsplan onvoldoende zijn gemotiveerd en haar woon- en leefklimaat door de aanbouw onevenredig wordt aangetast.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5182
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202404202/1/R3

202404480/1/R3

In het besluit van 22 mei 2024 heeft de raad van de gemeente Gouda het bestemmingsplan "Partiële herziening binnenstad" vastgesteld. In de binnenstad van Gouda gelden onder andere de bestemmingsplannen "Binnenstad West" en "Binnenstad Oost". Deze herziening voorziet in een actualisatie van deze bestemmingsplannen naar aanleiding van verschillende veranderingen in beleid die na vaststelling van deze twee bestemmingsplannen hebben plaatsgevonden. Ook worden bij deze herziening grote buitenplanse afwijkingen die voor de vaststelling van het bestemmingsplan zijn vergund, verwerkt in het bestemmingsplan. [appellante] bezit drie aaneensluitende panden in de binnenstad van Gouda. Deze panden zijn met een huisnummerbesluit samengevoegd tot één huisnummer en staan bekend als [locatie]. Zij is het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vindt dat zij als gevolg daarvan in haar gebruik van de drie panden als één pand benadeeld wordt, omdat daarin wordt voorzien in het gezamenlijk geschikt maken van maar maximaal twee naast elkaar gelegen gebouwen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5144
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Tussenuitspraak/bestuurlijke lus
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202404480/1/R3

202404589/1/R2

Bij besluit van 17 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Helmond [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 1500,- ineens, gelast om voor 1 mei 2022 de zonder omgevingsvergunning op het perceel [locatie A] in Helmond gerealiseerde erfafscheiding (inclusief begeleidende palen) te verlagen tot een hoogte van 1 meter, dan wel deze te verwijderen. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] in Helmond. Bij een controle door een toezichthouder van de gemeente is geconstateerd dat bij de woning op het hoekperceel zonder omgevingsvergunning een erfafscheiding van 2 m hoog is geplaatst. De erfafscheiding staat op de grens met het openbaar gebied en loopt van voor de woning, langs de zijkant tot aan de achterzijde van de woning. De rechtbank heeft [appellant] niet gevolgd in het betoog dat de erfafscheiding, voor zover gelegen achter de voorgevelrooilijn, zonder omgevingsvergunning kon worden gebouwd, gelet op artikel 2, aanhef en onder 12, van Bijlage II van het Bor. Zij is dan ook van oordeel dat voor de erfafscheiding als geheel een omgevingsvergunningplicht bestaat.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5189
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202404589/1/R2

202404703/1/R4

Bij besluit van 26 januari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noardeast-Fryslân de aanvraag van de maatschap om een omgevingsvergunning voor onder meer het verplaatsen van 15 stuks jongvee buiten behandeling gesteld. De maatschap heeft een veehouderij op het adres [locatie A] in Augsbuurt. Zij heeft een aanvraag ingediend om de inrichting milieuneutraal te wijzigen. De wijzigingen zijn het verplaatsen van 15 stuks jongvee, het bouwen van een wagenberging, het ombouwen van het jongveegedeelte naar melkvee in de melkveestal en het verplaatsen van de dieseltank, de vaste mestopslag en de kunstmestsilo. In de toelichting bij de aanvraag heeft ze geschreven dat een m.e.r.-beoordelingsbesluit niet nodig is. Dit is een besluit waarin wordt beoordeeld of vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteiten voor het milieu kunnen hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Er is namelijk, zo wordt aangegeven in de toelichting, geen sprake van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een installatie. De veehouderij moet volgens de maatschap als één installatie worden gezien en binnen de veehouderij wijzigt het aantal stuks jongvee niet.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5183
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Milieu - Overige
  • Vee e.a. dieren
  • uitspraakin de zaak202404703/1/R4

202404768/1/R3

In het besluit van 16 april 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam ten behoeve van het bestemmingsplan "Joppelaan" hogere waarden als bedoeld in artikel 110a van de Wet geluidhinder (Wgh) vastgesteld. In het besluit van 4 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Schiedam het bestemmingsplan "Joppelaan" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de bouw van twee woningen mogelijk ten oosten van de Joppelaan 1 en ten zuiden van de Kerkweg 46a in Schiedam. Dit gebied is in de huidige situatie onbebouwd en had onder het voorgaande bestemmingsplan een agrarische bestemming. Om de bouw van de woningen mogelijk te maken zijn, vanwege een vlak bij het plangebied gelegen spoorweg, door het college ook hogere geluidwaarden vastgesteld. Het beroep is ingesteld door omwonenden van het plangebied en door Stichting De Werf, muziekvereniging St. Radboud, Rooms-Katholieke begraafplaats St. Jacobus en het Kennisnetwerk Burgerbetrokkenheid Schiedam. Deze stichtingen en verenigingen zijn ook gevestigd in de directe omgeving van het plangebied. Zij kunnen zich niet verenigen met de besluiten. Zij vinden dat het plangebied ontwikkeld moet worden in samenspraak met de buurt en dat andere ontwikkelingen hier beter passen dan de bouw van twee woningen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5187
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Geluid
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202404768/1/R3

202405584/1/A2

Bij besluit van 21 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen het verzoek van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 17.000,00 aan haar [vader] over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, waarbij in de primaire fase dit wordt uitgevoerd door de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN). In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. In de periode lopend van 2014 tot en met 2017 heeft zij € 17.000,00 geleend van haar ouders en dit in verschillende bedragen contant ontvangen. Zij heeft op het moment dat het bedrag opliep de lening vastgelegd in een akte die op het Turkse Consulaat te Rotterdam is opgesteld op 25 oktober 2017. Haar vader is op de akte als de geldlener aangemerkt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5151
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202405584/1/A2

202405625/1/R4 en 202405628/1/R4

Bij besluit van 17 augustus 2021 heeft de minister van Economische Zaken en Klimaat (nu: de staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, beiden: de staatssecretaris) een opsporingsvergunning aardwarmte verleend aan Shell Geothermal B.V. (nu: OMV GeoTherm NL B.V. (OMV)) en aan D4 B.V. (D4) voor het gebied Rijnland. Bij besluiten van 8 juni 2022 heeft de staatssecretaris de bezwaren van Zuid-Holland en Dunea niet-ontvankelijk verklaard, omdat er geen feitelijke gevolgen zouden zijn voor hun belangen of voor de aan hen toevertrouwde belangen. Volgens de staatssecretaris zijn zij daarom geen belanghebbenden. De rechtbank heeft geoordeeld dat Zuid-Holland en Dunea wel belanghebbenden zijn. Zij heeft hun beroepen daarom gegrond verklaard, de besluiten van 8 juni 2022 vernietigd en de staatssecretaris de opdracht gegeven om binnen zes weken nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren. De staatssecretaris, Wayland en Yeager zijn van mening dat Zuid-Holland en Dunea geen belanghebbenden zijn en hebben daarom hoger beroep ingesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5167
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Milieu - Overige
  • uitspraakin de zaak202405625/1/R4 en 202405628/1/R4

202405930/1/R2

Bij besluit van 18 mei 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tilburg de aanvraag van Bliss B.V. om een omgevingsvergunning voor het legaliseren van de verbouw aan en de ingebruikname van een woning aan de Lovensekanaaldijk 23 in Tilburg, geweigerd. Bliss B.V. heeft een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend om de verbouw en de illegale bewoning van een pand als bedrijfswoning aan de Lovensekanaaldijk in Tilburg te legaliseren. In het pand vindt de opslag plaats van verpakkingsmateriaal ten behoeve van coffeeshops. Het pand wordt bewoond door een persoon die in dienst is bij het daar gevestigde bedrijf. Volgens Bliss B.V. is bewoning noodzakelijk, omdat er kan worden ingebroken door mensen die denken dat er drugs liggen opgeslagen in het pand. Het college heeft de vergunning geweigerd. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat een bedrijfswoning op grond van het bestemmingsplan "Groeseind 2017" niet is toegestaan en het realiseren van een bedrijfswoning niet passend wordt geacht binnen het beleid. Het college ziet geen noodzaak om op deze locatie een bedrijfswoning toe te staan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5145
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202405930/1/R2

202406515/1/R2

Bij besluit van 17 september 2024 heeft de raad van de gemeente Cranendonck het bestemmingsplan "Dorpsstraat 11-13 te Soerendonk" gewijzigd vastgesteld. Het plan voorziet in een appartementencomplex met 18 woningen aan de Dorpsstraat 11 en 13 in Soerendonk. [appellanten] wonen aan de Sint [locatie] in Soerendonk, schuin achter het plangebied. Zij zijn het niet eens met het plan. [appellanten] betogen dat hun woon- en leefklimaat wordt aangetast door het plan. Zij voeren aan dat het appartementencomplex met een bouwhoogte van maximaal 11 meter en drie bouwlagen te hoog is en niet past bij de omliggende panden. In het ontwerpbestemmingsplan bedroeg de bouwhoogte nog maximaal 10 meter en in het eerste gesprek met de initiatiefnemer was sprake van twee bouwlagen. Verder vrezen zij voor aantasting van hun privacy, omdat hun tuin en woonkamer zichtbaar zijn vanuit het appartementencomplex.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5188
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202406515/1/R2

202406590/1/A3

Bij besluit van 27 februari 2023 heeft de burgemeester van Dinkelland aan Pelle’s Eten & Drinken (Pelle’s) een evenementenvergunning verleend en een ontheffing op grond van artikel 3 van de Zondagswet. Het college heeft bij datzelfde besluit op grond van artikel 4.6 van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Dinkelland (APV) ontheffing aan Pelle’s verleend. [appellante] woont aan de [locatie] in Deurningen. Op het perceel achter haar woning is de horecagelegenheid Pelle’s Eten & Drinken gevestigd. Pelle’s organiseert jaarlijks een Weizenmiddag. Volgens de aanvraag van Pelle’s van 1 februari 2023 vindt de ‘Weizenmiddag 2023’ plaats op het terras van Pelle’s waarbij (weizen-)bieren worden getapt en achtergrondmuziek wordt gespeeld. Op dat terras wordt een tent en een bar geplaatst. De blaaskapel zal zesmaal gedurende tien à vijftien minuten spelen en het gaat daarbij om onversterkte muziek. Het evenement vindt plaats van 13.00 tot 21.30 uur, waarbij tot 21.00 uur achtergrondmuziek op het terras ten gehore wordt gebracht, en er worden maximaal 250 bezoekers verwacht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5174
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202406590/1/A3

202406591/1/A3

Bij besluit van 17 maart 2023 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellante] afgewezen. [apppellante] woont aan de [locatie] in Deurningen. Op het perceel achter haar woning is de horecagelegenheid Pelle’s Eten & Drinken (Pelle’s) gevestigd. Pelle’s organiseert jaarlijks een Weizenmiddag. Bij besluit van 27 februari 2023 heeft de burgemeester Pelle’s een vergunning verleend voor het organiseren van het evenement ‘Weizenmidddag 2023’ (het evenement) op 7 mei 2023. Aan de evenementenvergunning heeft de burgemeester voorschriften verbonden, waaronder voorschriften voor het toegestane geluid en het voorkomen van ernstige geluidsoverlast. [appellante] heeft het college op 6 maart 2023 verzocht om preventief handhavend op te treden tegen de te verwachten geluidshinder als gevolg van de activiteiten tijdens het evenement van 7 mei 2023. Dat verzoek heeft het college afgewezen en vervolgens heeft het college het bezwaar van [appellante] daartegen ongegrond verklaard. [appellante] is ook tegen de evenementenvergunning opgekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college het handhavingsverzoek van [appellante] terecht heeft afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5175
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202406591/1/A3

202406632/1/R1

Bij besluit van 20 februari 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam de Tabakshop een last onder bestuursdwang opgelegd om in de winkel op het adres [locatie] in Amsterdam de met het bestemmingsplan strijdige verkoop van headshopartikelen, minisupermarkt gerelateerde artikelen en souvenirs te staken en gestaakt te houden. De Tabakshop exploiteert een winkel in het pand aan de [locatie] in Amsterdam. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Haarlemmerbuurt/Westelijke eilanden", zoals dat is gewijzigd door het paraplubestemmingsplan "Winkeldiversiteit Centrum", is in de winkel detailhandel toegestaan, met uitzondering van smartshops, sekswinkels, minisupermarkten, souvenirwinkels, headshops, seedshops en growshops, tenzij op de verbeelding aangeduid. Toezichthouders van de gemeente hebben tussen 26 september 2022 en 30 januari 2023 verschillende controles uitgevoerd in de winkel. Zij hebben daarbij geconstateerd dat de Tabakshop in strijd met het bestemmingsplan souvenirs verkoopt, omdat die souvenirs niet achter in de winkel staan en meer dan 5% van het netto winkelvloeroppervlak beslaan. Verder is geconstateerd dat de Tabakshop de winkel in strijd met het bestemmingsplan als headshop en minisupermarkt gebruikt. Bij besluit van 20 februari 2023 heeft het college de Tabakshop gelast om dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik binnen drie weken te beëindigen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5147
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202406632/1/R1

202407965/1/R3

Bij besluit van 26 september 2024 heeft de raad van de gemeente Noordenveld het bestemmingsplan "Maatlanden de Zulthe" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een nieuw woongebied op gronden aan de noordwestkant van Roden, die voorheen waren bestemd voor agrarische doeleinden. Het plan maakt maximaal 120 woningen mogelijk, met groen, wegen en parkeervoorzieningen. Daarnaast maakt het plan een ontsluiting mogelijk aan de westzijde van het plangebied op de weg de Maatlanden. De stichting en [appellant] zijn het niet eens met het bestemmingsplan. Zij vinden dat de raad het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Zij vrezen vooral dat het plein leidt tot nadelige gevolgen voor de waterhuishouding in het gebied, en daarmee tot verzakkingen en schade aan bestaande bebouwing in de omgeving.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5165
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • RO - Drenthe
  • uitspraakin de zaak202407965/1/R3

202500113/1/A2

Bij besluit van 25 november 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellante] een tegemoetkoming in faunaschade van € 12.815,39 toegekend. [appellante] exploiteert een melkveehouderij in Wijdewormer. Op 4 juli 2021 heeft zij een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wnb, ingediend voor de schade die voornamelijk door grauwe ganzen aan haar percelen grasland is toegebracht. De tegemoetkoming is aangevraagd voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 september 2021. Het college heeft aan [appellante] een tegemoetkoming in faunaschade toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van een schadebedrag van € 15.815,52 en heeft hierbij een eigen risico van 20% ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a, van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5185
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500113/1/A2

202500117/1/A2

Bij besluiten van 9 december 2021, 22 december 2021 en 13 januari 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [wederpartij] tegemoetkomingen in faunaschade van respectievelijk € 22.800,00, € 5.100,00 en € 60.000,00 toegekend. [wederpartij] exploiteert een vollegrondsgroentebedrijf in Warmenhuizen. Op 7 juli 2021, 2 augustus 2021 en 11 oktober 2021 heeft zij aanvragen om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wnb, ingediend voor de schade die grauwe ganzen aan haar percelen spitskool en sla hebben toegebracht. De tegemoetkomingen zijn aangevraagd voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 september 2021. Het college heeft aan [wederpartij] tegemoetkomingen in faunaschade toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van schadebedragen van € 28.500,00, € 6.375,00 en € 75.000,00 en heeft op elk van deze bedragen een eigen risico van 20% ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a, van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5179
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500117/1/A2

202500120/1/A2

Bij afzonderlijke besluiten van 9 december 2021 heeft het college aan [wederpartij] tegemoetkomingen in faunaschade van respectievelijk € 14.400,00, € 2.000,00 en € 64.000,00 toegekend. [wederpartij] exploiteert een vollegrondsgroentebedrijf in Heerhugowaard. Op 6 juli 2021, 22 juli 2021 en 22 september 2021 heeft zij aanvragen om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wnb, ingediend voor de schade die grauwe ganzen aan haar percelen sla en spitskool hebben toegebracht. De tegemoetkomingen zijn aangevraagd voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 september 2021. Het college heeft aan [wederpartij] tegemoetkomingen in faunaschade toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van schadebedragen van € 18.000,00, € 2.500,00 en € 80.000,00 en heeft op elk van deze bedragen een eigen risico van 20% ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5180
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500120/1/A2

202500122/1/A2

Bij besluit van 22 december 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [wederpartij] een tegemoetkoming in faunaschade van € 31.894,64 toegekend. [wederpartij] exploiteert een melkveebedrijf in Den Ilp. Op 21 juni 2021 heeft zij een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb), ingediend voor de schade die grauwe ganzen en brandganzen aan haar percelen grasland hebben toegebracht. De tegemoetkoming is aangevraagd voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 september 2021. Het college heeft aan [wederpartij] een tegemoetkoming in faunaschade toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van een schadebedrag van € 40.173,84 en heeft hierop een eigen risico van 20% ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5177
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500122/1/A2

202500125/1/A2

Bij besluit van 10 november 2022 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de maatschap een tegemoetkoming in faunaschade van € 44.623,81 toegekend. De maatschap exploiteert een melkveebedrijf in Den Ilp. Op 28 juni 2022 heeft zij een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wnb, ingediend voor de schade die (voornamelijk) grauwe ganzen aan haar percelen grasland hebben toegebracht. De tegemoetkoming is aangevraagd voor de periode van 1 maart 2022 tot en met 1 september 2022. Het college heeft aan de maatschap een tegemoetkoming in faunaschade toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van een schadebedrag van € 56.918,12 en heeft hierop een eigen risico van 20% ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a, van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5178
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500125/1/A2

202500133/1/A2

Bij besluit van 9 december 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [wederpartij] een tegemoetkoming in faunaschade van € 4.114,19 toegekend. [wederpartij] heeft een veehouderij in Zuidoostbeemster. Op 18 juni 2021 heeft zij een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wnb, ingediend voor de schade die grauwe ganzen en brandganzen aan haar percelen grasland hebben toegebracht. De tegemoetkoming is aangevraagd voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 september 2021. Het college heeft aan [wederpartij] een tegemoetkoming van € 4.114,19 toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van een schadebedrag van € 5.142,72, en heeft hier een eigen risico van 20% op ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a, van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5181
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500133/1/A2

202500235/1/A2

Bij besluit van 25 november 2021 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [wederpartij] een tegemoetkoming in faunaschade van € 8.985,47 toegekend. [wederpartij] exploiteert een melkveehouderij in Amstelveen. Op 27 mei 2021 heeft hij een aanvraag om een tegemoetkoming in faunaschade, als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wnb, ingediend voor de schade die (voornamelijk) grauwe ganzen aan zijn percelen grasland hebben toegebracht. De tegemoetkoming is aangevraagd voor de periode van 1 maart 2021 tot en met 1 september 2021. Het college heeft aan [wederpartij] een tegemoetkoming in faunaschade toegekend. Het college is hierbij uitgegaan van een schadebedrag van € 11.296,32 en heeft hierop een eigen risico van 20% ingehouden. Dit percentage is ontleend aan artikel 5, vierde lid, gelezen in samenhang met artikel 6a, van de Beleidsregel tegemoetkomingschade Noord-Holland (de Beleidsregel), zoals die sinds 1 mei 2021 luidde. Vóór deze datum werd een eigen risico van 5% gehanteerd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5176
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Conclusie
  • Hoger beroep
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202500235/1/A2

202500798/1/A2

Bij besluit van 17 november 2022 heeft de minister van Financiën geweigerd een schuld van [appellante] over te nemen. [appellante] is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Zij heeft verzocht om overname van een schuld van haar aan Incasso Result B.V. (Incasso) ter hoogte van € 33.218,28 (de schuld) op grond van artikel 4.1 van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). De uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (SBN) heeft Incasso verzocht om informatie over de schuld te geven. Daarop heeft Incasso een geldleningsovereenkomst tussen [appellante] en [persoon] van 10 september 2017 overgelegd, een brief van Incasso van 15 december 2017, waarin staat dat [persoon] de vordering in handen heeft gegeven aan Incasso, en een overzicht van de schuld van [persoon] aan Incasso van 4 augustus 2010. De minister heeft de schuld niet overgenomen, omdat deze niet is vastgelegd in een notariële akte of rechterlijke uitspraak. De minister heeft geen aanleiding gezien om de hardheidsclausule toe te passen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5148
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202500798/1/A2

202501396/1/R4

Bij besluit van 22 februari 2023 heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een bedrijfswoning op het adres [locatie] in Beltrum afgewezen. [appellant] wil een nieuwe bedrijfswoning bouwen. Op het perceel waarop [appellant] de bedrijfswoning wil bouwen geldt het bestemmingsplan "Buitengebied Berkelland 2020". In artikel 3.2.3, onder b, van de planregels is bepaald dat een bedrijfswoning niet groter mag zijn dan 1000 m3. Het college heeft de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning voor het realiseren van een bedrijfswoning afgewezen, mede omdat de bedrijfswoning groter is dan 1000 m3. Het college wil niet afwijken van deze planregel. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag mocht afwijzen, omdat de woning groter is dan 1000 m3. [appellant] heeft betoogd dat de zolder niet moet worden meegerekend bij het berekenen van de inhoud, omdat deze niet voor bewoning is bestemd, maar in de planregels wordt voor de wijze van meten van de inhoud geen onderscheid tussen de verschillende functies van ruimten gemaakt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5172
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202501396/1/R4

202501437/1/R1

Bij besluit van 19 december 2024 heeft de raad van de gemeente Middelburg het bestemmingsplan "Partiële herziening Mortiere fase 3D en 5A" vastgesteld. Het plan is een partiële herziening van het bestemmingsplan "Mortiere", waarbij uitsluitend de verbeelding is aangepast. Met het plan wordt een deel van de woonbestemmingen langs de Duke Ellingtonstraat gewijzigd in de bestemming "Groen", met als gevolg dat in dit deel van het plangebied nog slechts twee woningen kunnen worden gebouwd. De bouwvlakken voor die woningen worden westwaarts verschoven, langs respectievelijk de Bud Powellstraat en de Count Basiestraat. Ten oosten van de locatie bevindt zich een hoogspanningsleiding. [appellant] en anderen betogen dat de raad ten onrechte geen vooroverleg heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5152
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Zeeland
  • uitspraakin de zaak202501437/1/R1

202502672/1/A3

Bij besluit van 28 juli 2022 heeft de minister van Financiën, voor zover hier van belang, het verzoek van [wederpartij] op grond van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) om wissing van zijn persoonsgegevens uit de Fraude Signalering Voorziening (FSV), niet ingewilligd. Bij brief van 3 maart 2022 heeft [wederpartij] verzocht om, voor zover hier van belang, wissing van zijn persoonsgegevens in de FSV. Bij besluit van 28 juli 2022 heeft de minister dat verzoek niet ingewilligd. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister bij besluit van 28 maart 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister het verzoek om wissing had moeten inwilligen. Volgens de rechtbank valt wat de minister aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd niet onder een van de uitzonderingsgronden van artikel 17, derde lid, van de AVG.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5161
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Persoonsgegevens
  • uitspraakin de zaak202502672/1/A3

202502716/1/R4

Bij besluit van 15 juli 2021 heeft het college an burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen plaatsing van een buitenunit van een airco-installatie (de airco-unit) aan de gevel van de woning aan de [locatie] in Ulft, afgewezen. [appellant] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen de airco-unit op de zijmuur van de woning van zijn buren [persoon A] en [persoon B]. Volgens [appellant] veroorzaakt de airco-unit geluidoverlast. Het college heeft het verzoek om handhaving afgewezen bij het besluit van 15 juli 2021. Bij besluit van 13 januari 2022 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. In haar uitspraak van 28 juni 2023 in zaak nr. 22/1100 heeft de rechtbank (kort gezegd) geoordeeld dat het college ten onrechte geen geluidmeting heeft gedaan. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit neemt met inachtneming van haar uitspraak. Naar aanleiding van deze uitspraak heeft het college geluidmetingen laten uitvoeren. De conclusie daarvan is dat de airco-unit in de maximale bedrijfsstand in de nachtperiode een te hoog geluidsniveau op de gevel van de woning van [appellant] veroorzaakt, namelijk 42 dB(A), inclusief een correctie voor de gevelreflectie en een toeslag voor tonaal geluid.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5171
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
  • uitspraakin de zaak202502716/1/R4

202502723/1/A2

Bij besluit van 1 juni 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) haar schuld van € 1.000,00 aan [persoon] over te nemen, afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister, In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft bij de minister een schuldenlijst ingediend met verschillende schulden. Zij heeft de minister onder andere verzocht om haar schuld aan [persoon] over te nemen op basis van de Wht.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5154
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202502723/1/A2

202502744/1/A2

Bij besluit van 22 september 2022 heeft de Dienst Toeslagen de hoogte van de aanvullende werkelijke schadevergoeding van [appellant] vastgesteld op € 4.223,00. [appellant] is een gedupeerde ouder van de toeslagenaffaire. Op 31 januari 2020 heeft zij een verzoek gedaan voor een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag. Bij de uitvoering van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2012 en 2013 is sprake geweest van institutionele vooringenomenheid van de Dienst Toeslagen. De Dienst Toeslagen heeft daarom bij besluit van 12 oktober 2021 het definitieve compensatiebedrag op € 27.181,00 vastgesteld, waarvan € 6.000,00 is toegekend voor geleden immateriële schade. Volgens [appellant] is de werkelijke schade die zij heeft geleden hoger dan het definitieve compensatiebedrag. Zij heeft daarom een verzoek ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade (CWS) om aanvullende compensatie voor de werkelijk geleden schade.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5170
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202502744/1/A2

202502772/1/A2

Bij besluit van 3 juni 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) deels ingewilligd en voor het overige afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister. In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. [appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft bij de minister een schuldenlijst ingediend met verschillende schulden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5153
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202502772/1/A2

202502956/1/R3

In het besluit van 24 april 2025 heeft de raad van de gemeente De Wolden het bestemmingsplan "Buitengebied, deelplan Nolderwoud" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt de transformatie van het recreatiepark Het Nolderwoud in Zuidwolde mogelijk. De beoogde ontwikkeling voorziet aan de zuidkant van het recreatiepark in het toevoegen van een aantal nieuwe lodges rondom de visvijver, de bouw van nieuwe groepsaccommodaties en de realisatie van een kantine en winkel ten behoeve van vissers die gebruik maken van de visvijver. [appellant] en anderen zijn het niet eens met dit besluit. Zij zijn allen eigenaar van recreatiewoningen aan de noordzijde van het recreatiepark. Zij vrezen als gevolg van dit plan in hun gebruiksrechten te worden geschaad. [appellant] en anderen betogen dat het besluitvormingsproces onzorgvuldig heeft plaatsgevonden. Zij vinden dat zij als particuliere eigenaren van de recreatiewoningen aan de noordzijde van het plangebied onvoldoende zijn betrokken bij de plannen. Ook vinden zij dat zij als direct belanghebbenden ten onrechte niet op de hoogte zijn gebracht van de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen tegen het ontwerpbestemmingsplan.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5150
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Drenthe
  • uitspraakin de zaak202502956/1/R3

202503258/1/R2

Bij besluit van 25 april 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van de gebouwen A en E van fase I van de herontwikkeling van het VDMA-terrein in Eindhoven. Het VDMA-terrein ligt aan de Raiffeisenstraat ongenummerd nabij de Raiffeisenstraat 1A in Eindhoven. Voor de herontwikkeling van dit terrein heeft de raad van de gemeente Eindhoven op 8 maart 2022 het bestemmingsplan "III Binnenstad (VDMA-terrein)" vastgesteld. Dit bestemmingsplan is in rechte onaantastbaar. Vervolgens heeft het college op 25 april 2025 drie omgevingsvergunningen verleend aan VDMA Development C.V. en VDMA Development B.V. voor fase 1 van de herontwikkeling van het VDMA-terrein. De eerste vergunning is verleend voor het bouwen van de gebouwen A en E. Gebouw A voorziet in 210 woningen en gebouw E in 110 short stay appartementen en 26 woningen. Hierbij wordt ten aanzien van de bouwhoogte van de gebouwen A en E binnenplans afgeweken van het bestemmingsplan "III Binnenstad (VDMA-terrein)". Tevens wordt binnenplans afgeweken van het bouwverbod zoals opgenomen in het Paraplubestemmingsplan "Archeologie 2023". De tweede vergunning is verleend voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan ten behoeve van het realiseren van de functies short stay en logies in gebouw E voor de duur van maximaal 15 jaar vanaf eerste ingebruikneming. Daarmee wordt ongeveer 10.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) die in het bestemmingsplan was bestemd voor kantoorruimte, vervangen door 110 short stay eenheden, waarbij maximaal 25 eenheden mogen worden ingezet als logiesfunctie met een verblijfsduur van 3 tot en met 13 nachten. Cocagne Investments B.V. is eigenaar van het perceel aan de Vestdijk 47 in Eindhoven, direct ten zuiden van het VDMA-terrein. Zij exploiteert daar het hotel Pullman Eindhoven Cocagne. Zij vreest dat de verleende vergunningen negatieve effecten voor haar perceel en bedrijfsvoering zullen hebben.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5184
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • RO - Noord-Brabant
  • uitspraakin de zaak202503258/1/R2

202503397/1/A2

Bij besluit van 23 oktober 2023 heeft het CBR het rijbewijs van [appellant] met ingang van 30 oktober 2023 ongeldig verklaard. De politie heeft op 13 maart 2023 aan het CBR meegedeeld dat een vermoeden bestaat dat [appellant] niet langer beschikt over de vereiste rijvaardigheid en/of lichamelijke en/of geestelijke gesteldheid om motorrijtuigen te besturen. Daarbij is onder meer vermeld dat [appellant] artikel 8, tweede lid en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (de Wvw) heeft overtreden, omdat op 12 maart 2023 bij hem een ademalcoholgehalte is geconstateerd van 630 µg/l. Verder is in het proces-verbaal vermeld dat sprake is van herhaald plegen binnen vijf jaar, nu op 21 en 22 november 2022 bij hem ademalcoholgehaltes zijn geconstateerd van respectievelijk 690 µg/l en 605 µg/l. Het CBR heeft naar aanleiding hiervan bij besluit van 23 maart 2023 bepaald dat [appellant] een onderzoek moet laten doen naar zijn alcoholgebruik en heeft de geldigheid van zijn rijbewijs geschorst.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5168
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Wegenverkeerswet
  • uitspraakin de zaak202503397/1/A2

202503510/1/A2

Bij besluit van 13 april 2023 heeft de Belastingdienst/Toeslagen geweigerd om een al betaalde private schuld van [appellant] te compenseren. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister. [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Op 28 juli 2021 heeft hij € 30.000,00 ontvangen van de zogenoemde Catshuisregeling, zoals bedoeld in artikel 2.7 van de Wht. Met dit bedrag heeft hij op dezelfde dag een bankschuld aan ING-bank van € 24.900,00 afgelost. [appellant] heeft verzocht om compensatie voor de afgeloste bankschuld, zoals bedoeld in artikel 4.3 van de Wht. De schuld is een doorlopend krediet, die op grond van de Wht wordt aangemerkt als een financieel product. De minister heeft zijn verzoek afgewezen, omdat volgens de minister niet gebleken is van betalingsachterstanden bij het terugbetalen van de doorlopende kredieten.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5159
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Geld
  • uitspraakin de zaak202503510/1/A2

202503643/1/A2

Bij besluit van 3 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan de gemeente Den Haag instemming verleend voor de periode van 5 september 2022 tot en met 22 december 2023 voor het aanleggen van ondergrondse verbindingen ten behoeve van toegang tot een parkeergarage en ondergrondse fietsenstalling en het treffen van tijdelijke verkeersmaatregelen ter hoogte van het Deltaplein in Kijkduin. KROM is de eigenaar van een parkeergarage, een winkelcentrum, en meerdere horecaruimtes in Kijkduin. De rechtbank heeft vastgesteld dat het college bij besluit van 3 februari 2022 de door de gemeente gevraagde instemming heeft verleend voor de periode van 5 september 2022 tot en met 22 december 2023. De werkzaamheden zijn inmiddels afgerond. De rechtbank ziet zich daardoor voor de vraag gesteld of KROM nog procesbelang bij het beroep heeft.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5155
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige
  • uitspraakin de zaak202503643/1/A2

202503671/1/A2

Bij besluit van 11 november 2022 heeft de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap de aanvraag van [appellant] om een incidentele subsidie tot een bedrag van € 1.880.616,19 afgewezen. [appellant] is op 1 juni 2016 eigenaar van het pand aan de [locatie] (het pand) in Hulst geworden. Dat pand is sinds 4 april 1973 aangemerkt als rijksmonument. [appellant] heeft het pand overgenomen van een vriend. Deze vriend zou hem hebben voorgelogen over de mogelijkheden van doorverkoop aan de gemeente Hulst. Het college van burgemeester en wethouders had aan de vriend, als eigenaar van het pand, een last onder dwangsom opgelegd om maatregelen te treffen in verband met de veiligheid. [appellant] heeft, als rechtsopvolger, aan deze last gevolg gegeven. Het college heeft [appellant] gelast om maatregelen te treffen om de staat van het pand te verbeteren en verdere schade te voorkomen. Om de herstel- en restauratiewerkzaamheden te bekostigen heeft [appellant] de minister gevraagd om een incidentele subsidie. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat er al een subsidieregeling is waarop [appellant] een beroep kan doen. De Woonhuisregeling voorziet in subsidie voor kosten voor onderhoud en restauratie van een rijksmonument met woonhuisfunctie.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5163
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Subsidie
  • uitspraakin de zaak202503671/1/A2

202505233/1/A3

Bij besluit van 30 juli 2024 heeft de burgemeester van 's-Hertogenbosch aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd wegens het op straat verhandelen van drugs. Op 30 juli 2024 heeft de burgemeester aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd van € 5.000,- per dag met een maximum van € 20.000,- wegens het op straat verhandelen van drugs. Dit is in strijd met artikel 2:25 van de Algemene plaatselijk verordening ’s-Hertogenbosch 2016. Hieraan heeft de burgemeester ten grondslag gelegd dat uit de bestuurlijke rapportage van 18 juli 2024 volgt dat de politie op 27 juni 2024 een auto staande heeft gehouden met [appellant] als bestuurder. Over deze auto had de politie van een buurtbewoner een melding gekregen in verband met drugshandel. Bij de staandehouding heeft de politie drugs gevonden, die [appellant] in zijn onderkleding bewaarde. [appellant] heeft verklaard dat hij de drugs gevonden had. Verder staat in de bestuurlijke rapportage dat de politie € 246,- contact geld in de auto heeft aangetroffen, waarvan een groot gedeelte muntgeld was. Het voertuig betrof een huurauto. Ook is in de rapportage vermeld dat de politie de woning van [appellant] heeft betreden en daar een gebruikershoeveelheid harddrugs heeft aangetroffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5156
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Drugs
  • uitspraakin de zaak202505233/1/A3

202505386/1/A3

Bij besluit van 27 juli 2023 heeft de burgemeester van Almelo aan [partij A] en [partij B] een exploitatie- en alcoholvergunning verleend voor het uitoefenen van het horecabedrijf met de naam "Heinde & Ver Almelo". De burgemeester heeft het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, omdat er geen sprake is van een van de weigeringsgronden uit de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Almelo 2021 (Apv) of de Alcoholwet. Daarom moet de vergunning worden verleend. De rechtbank is de burgemeester hierin gevolgd en heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. Wat betreft de door [appellant] aangevoerde procedurele gronden heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaarcommissie zich mag beperken tot wat relevant is voor de beoordeling van het bezwaarschrift.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5162
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Drank en horeca
  • uitspraakin de zaak202505386/1/A3

202505564/1/R4

Bij besluit van 1 mei 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 19 april 2025 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 192,00, voor rekening van [appellante] komen. Bij besluit van 19 september 2025 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij het besluit van 14 juli 2026 heeft het college zijn besluit van 1 mei 2025 ingetrokken, omdat het tot de conclusie is gekomen dat dit besluit ten onrechte is genomen. In de begeleidende brief aan de Afdeling van 14 juli 2026 heeft het college toegelicht dat het naar aanleiding van de beroepsgronden heeft besloten tot intrekking van het besluit van 1 mei 2025 en het besluit op bezwaar van 19 september 2025.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5160
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval
  • uitspraakin de zaak202505564/1/R4

202505833/1/A2

Bij besluit van 9 februari 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Steenwijkerland aan [appellant] een tegemoetkoming in planschade van € 5.500,00 toegekend. [appellant] heeft het college verzocht om tegemoetkoming in planschade die hij, in de vorm van waardevermindering van de woning, heeft geleden door de inwerkingtreding op 21 april 2021 van het bij raadsbesluit van 19 januari 2021 vastgestelde bestemmingsplan De Bult -Onderduikersweg 2. Volgens [appellant] zijn met het nieuwe bestemmingsplan de bouw- en gebruiksmogelijkheden op het perceel aan de Onderduikersweg 2 in De Bult (het plangebied) verruimd, waardoor de scouting zich daar kan vestigen. Het plangebied is gelegen op een afstand van ten minste 75 meter tot de woning en wordt afgeschermd door een tussen de woning en het plangebied gelegen strook met een breedte van ongeveer 50 meter, die de bestemming ‘Bos’ heeft.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5149
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Schadevergoeding
  • uitspraakin de zaak202505833/1/A2

202600120/1/R1

Bij besluit van 26 juli 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schagen aan Het Nieuwe Strand Petten B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het renoveren en uitbreiden van Hotel Corfwater aan Korfwaterweg 1 in Petten. De omgevingsvergunning is samen met het bestemmingsplan "Hotel Corfwater" voorbereid. De besluiten tot verlening van de omgevingsvergunning en vaststelling van het bestemmingsplan zijn echter niet onder de gemeentelijke coördinatieregeling van paragraaf 3.6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) komen te vallen, omdat een coördinatiebesluit niet op juiste wijze bekendgemaakt is. Daardoor kunnen de omgevingsvergunning en het bestemmingsplan voor de mogelijkheid van beroep niet als één besluit worden aangemerkt en is de rechtbank bevoegd om in eerste aanleg uitspraak te doen op de beroepen gericht tegen de omgevingsvergunning. Appellanten kunnen zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank over het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning. Volgens hen bevat het bestemmingsplan "Hotel Corfwater", waarop de omgevingsvergunning gebaseerd is, verschillende gebreken.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5146
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Hoger beroep
  • Bouwen
  • uitspraakin de zaak202600120/1/R1

202600738/1/A2

Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics van de Universiteit Maastricht het verzoek van [appellant] om hem een extra tentamenkans toe te kennen voor vakken van het eerste en tweede studiejaar van de bacheloropleiding International Business afgewezen. Bij beslissing van 11 februari 2026 heeft het College van beroep voor de examens van de Universiteit Maastricht het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] is bachelorstudent van de opleiding International Business aan de Universiteit van Maastricht. Hij is dyslectisch en heeft op 27 februari 2025 ook de diagnose ADHD gekregen, zoals blijkt uit een door zijn psycholoog afgegeven medische verklaring. Voor zijn dyslexie heeft hij bij zijn tentamens de volgende bijzondere voorzieningen toegewezen gekregen: extra tijd bij geschreven tentamens, een kleinere tentamenruimte en het gebruik van tekst-naar-spraaksoftware tijdens tentamens. Volgens [appellant] heeft hij nadeel ondervonden van zijn ADHD. Hierdoor heeft hij in zijn eerste en tweede jaar van zijn opleiding lagere cijfers gehaald. Op 22 juli 2025 heeft [appellant] daarom een verzoek ingediend bij de examencommissie om extra tentamenkansen te krijgen voor de schriftelijke tentamens voor alle vakken uit het eerste en tweede jaar van zijn studie waarvoor hij een voldoende heeft gehaald.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5164
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202600738/1/A2

202601197/1/R4

Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Woningbouw Kerkstraat, Randwijk" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe vastgesteld. Het wijzigingsbesluit maakt 15 grondgebonden woningen, waaronder twee woonwagens, mogelijk aan de Kerkstraat in Randwijk. [appellant] is eigenaar van het perceel [locatie A] in Randwijk. De achterkant van dat perceel grenst aan de locatie waar het wijzigingsbesluit op ziet. [appellant] is het niet eens met het wijzigingsbesluit en heeft daarom beroep ingesteld. [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte woningbouw aan de Kerkstraat toestaat, zonder hem de mogelijkheid te geven om op het achterste deel van zijn perceel twee woningen te bouwen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5139
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Omgevingsplan
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202601197/1/R4

202601197/2/R4

Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de raad van de gemeente Overbetuwe het "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22o Woningbouw Kerkstraat, Randwijk" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Overbetuwe vastgesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5074
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • RO - Gelderland
  • uitspraakin de zaak202601197/2/R4

202601205/1/A2

Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft het Centre of International Affairs (het CoIA) namens het College van Bestuur van de Hogeschool Rotterdam vastgesteld dat [appellant] niet voldeed aan de voor hem geldende studienorm en hiervoor geen verschoonbare redenen bekend waren. [appellant] staat sinds 1 september 2022 ingeschreven bij de Hogeschool Rotterdam voor de opleiding tot Verpleegkundige. Omdat hij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet hij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de MoMi-norm). De MoMi-norm bedraagt 50% van de nominale last per studiejaar. Voor [appellant] geldt een norm van 30 studiepunten per studiejaar. In het studiejaar 2022/23 heeft hij 28 studiepunten gehaald en daarmee niet voldaan aan de MoMi-norm. Wegens zijn persoonlijke omstandigheden heeft het CvB dit verschoonbaar geacht en hem daarom niet afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). In het studiejaar 2023/24 heeft [appellant] 54 studiepunten gehaald en daarmee voldaan aan de MoMi-norm. In het studiejaar 2024/25 heeft [appellant] 19 studiepunten gehaald en daarmee te weinig studiepunten om te voldoen aan de MoMi-norm. Op 19 september 2025 is per e-mail aan hem meegedeeld dat melding bij de IND volgt, tenzij er redenen zijn die het niet voldoen aan de MoMi-norm verschoonbaar maken. Bij beslissing van 28 oktober 2025 heeft het CoIA vastgesteld dat die redenen er niet waren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5157
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601205/1/A2

202601539/1/A2

Bij beslissing van 13 oktober 2025 heeft de examencommissie van de School of Business and Economics een verzoek van [appellant] om vervanging van een verplicht uitwisselingsprogramma door een alternatief onderwijsprogramma afgewezen. Bij beslissing van 10 april 2026 heeft het het college van beroep voor de examens van de Vrije Universiteit Amsterdam het daartegen door [appellant] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellant] volgt in het jaar 2025-2026 de opleiding International Business Administration aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Op grond van artikel 12.1, vijfde lid, aanhef en onder d, van de Onderwijs- en Examenregeling SBE 2025-2026 (OER) zijn studenten van deze opleiding verplicht om één semester aan een buitenlandse universiteit studeren. [appellant] heeft verzocht om dit verplichte onderdeel te mogen vervangen door een alternatief onderwijsprogramma. Hij heeft daartoe aangedragen dat het uitwisselingsonderdeel moeilijk te combineren is met zijn eigen bedrijf, waarvoor hij aan kinderen skiles op topsportniveau geeft gedurende acht tot twaalf weken per jaar in Oostenrijk.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5158
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601539/1/A2

202601937/1/A2

Bij e-mail van 26 november 2025 heeft de examinator van de Academie Mens en Maatschappij van de HAN University of Applied Sciences (de examinator) aan [appellante] medegedeeld hoe zij in aanmerking kan komen voor een herkansing voor het maken van het SOM-portfolio. Bij e-mail van 3 februari 2026 heeft de examinator aan [appellante] de beoordeling voor het SOM-portfolio kenbaar gemaakt en medegedeeld dat deze niet zal worden ingevoerd in het studentinformatiesysteem Osiris. Bij beslissing van 23 juni 2026 heeft het college van beroep voor de examens van HAN University of Applied Sciences het door [appellante] tegen de e-mails van 26 november 2025 en 3 februari 2026 ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. In beroep is in geschil of [appellante] recht heeft op een herkansing van de deeltentamens van het SOM-portfolio waarvoor zij geen beoordeling heeft gekregen, zonder dat zij zich opnieuw hoeft in te schrijven bij de HAN. Daarnaast is in geschil of het CBE ten onrechte heeft nagelaten om de examencommissie op te dragen om een schikkingsgesprek met [appellante] te voeren.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5141
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601937/1/A2

202602443/3/R3

Ten aanzien van zaak nr. 202602443/2/R3, die op 8 september 2026 op zitting zal worden behandeld, heeft staatsraad Gundelach, die als voorzieningenrechter belast is met de behandeling van deze zaak, op 1 september 2026 het verzoek gedaan zich te mogen verschonen. Staatsraad Gundelach heeft te kennen gegeven dat bij de voorbereiding van bovenvermelde zaak is gebleken dat een advocaat zich als gemachtigde namens verweerder, de raad van de gemeente Enschede, heeft aangemeld, die werkzaam is bij RNMW advocaten (voorheen Soppe Gundelach advocaten). Zij was bij dit kantoor voorheen advocaat-partner.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5137
Datum uitspraak
2 september 2026
  • Verschoning
  • RO - Overijssel
  • uitspraakin de zaak202602443/3/R3

BRS.26.000326

Bij besluit van 31 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5063
Datum uitspraak
1 september 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000326

BRS.26.001906

Bij besluit van 22 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5087
Datum uitspraak
1 september 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001906

BRS.26.004254

Bij besluit van 28 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5075
Datum uitspraak
1 september 2026
  • Voorlopige voorziening / hoofdzaak
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004254

BRS.26.004397

Bij besluiten van 14 april 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aanvragen van verzoekers om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5082
Datum uitspraak
1 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Wraking
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004397

BRS.26.004446

Bij besluit van 8 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, opnieuw afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5085
Datum uitspraak
1 september 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004446

202406294/1/V2

Bij besluit van 16 december 2022, aangevuld op 20 juni 2024, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5100
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202406294/1/V2

202406345/1/V1

Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 20 september 2024, in zaak nr. NL24.25265.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5071
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202406345/1/V1

202406617/1/V2

Bij besluit van 18 april 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5098
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202406617/1/V2

202500265/1/V1

Verzoeker, vertegenwoordigd door mr. T.M. van der Wal, advocaat in Heerenveen, heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 19 december 2024, in zaak nr. NL24.40709.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5066
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202500265/1/V1

202601938/2/A2

Bij brief van 6 juni 2024 heeft LCG Avans Hogeschool B.V. (Avans+), nu Habeo+, met ingang van 15 juni 2024 voor ten minste twee jaar verwijderd uit het register van de Gedragscode Internationale student hoger onderwijs. Hiertegen heeft Avans+ op 15 juli 2024 bezwaar gemaakt. Bij brief van 1 augustus 2024 heeft LCG Avans+ medegedeeld dat de brief van 6 juni 2024 geen besluit is en dat het bezwaar daarom niet inhoudelijk wordt behandeld. Bij uitspraak van 11 mei 2026 heeft de rechtbank het door Habeo+ daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 1 augustus 2024 vernietigd en LCG opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft LCG hoger beroep ingesteld en de de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5069
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Onderwijs
  • uitspraakin de zaak202601938/2/A2

BRS.26.001324

Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5049
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.001324

BRS.26.002918

Bij uitspraak van 12 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5044
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.002918

BRS.26.003471

Bij besluit van 19 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5055
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003471

BRS.26.003571

Bij besluit van 11 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5041
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003571

BRS.26.003638

Bij besluit van 30 juni 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5048
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003638

BRS.26.003684

Bij besluit van 15 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5042
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003684

BRS.26.003958

Bij besluiten van 5 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5061
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003958

BRS.26.004131

Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5052
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004131

BRS.26.004132

Bij besluit van 7 mei 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5053
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004132

BRS.26.004231

Bij besluit van 8 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5059
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004231

BRS.26.004246

Bij besluit van 17 maart 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5054
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004246

202601639/1/A2

Bij beslissing van 23 februari 2026 heeft de examencommissie van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het verzoek van [appellante] om voor een aantal cursussen binnen de door haar gevolgde opleiding gebruik te mogen maken van een alternatieve toetsvorm toegewezen, in die zin dat, in overleg met de opleiding over de uitwerking ervan, voor de cursussen gebruik kan worden gemaakt van een mondelinge toetsvorm. Bij beslissing van 21 april 2026 heeft het College van beroep voor de examens van het Instituut voor Lerarenopleidingen van de hogeschool Rotterdam het door [appellante] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] volgt de Associate Degree Educatief Professional Beroepsonderwijs. Deze associate degree-opleiding is een tweejarige hbo-opleiding die in samenwerking met het mbo en werkveld wordt ontwikkeld. De Associate Degree leidt educatieve professionals op die lessen verzorgen, waarbij de eindverantwoordelijkheid daarvoor bij de docent ligt en de educatief professional instructie en begeleiding geeft aan een groep leerlingen. [appellante] volgt het uitstroomprofiel Burgerschap, behorend bij de Lerarenopleiding Maatschappijleer. Met dit diploma kan zij doorstromen naar het derde jaar van de hbo-bachelor Lerarenopleiding Maatschappijleer.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5095
Datum uitspraak
31 augustus 2026
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202601639/1/A2

202301656/1/V1

Betrokkenen hebben beroepen (samenhangende beroepen) ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op aanvragen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5105
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202301656/1/V1

202307212/2/V1

Bij besluit van 12 mei 2023, aangevuld op 25 mei 2023, heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, bepaald dat zij de Europese Unie onmiddellijk moet verlaten (terugkeerbesluit) en een inreisverbod tegen haar uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5065
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaak202307212/2/V1

202505986/3/R3

In het besluit van 15 oktober 2025 heeft de raad van de gemeente Waddinxveen het "TAM-omgevingsplan Triangel I3 Park Vredenburgh" als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Waddinxveen vastgesteld. Het plan gaat over het laatste deelgebied Park Vredenburgh van de nieuwe woonwijk Park Triangel. Het plan maakt in dit deelgebied woningen, maatschappelijke voorzieningen en groen mogelijk. Waddinxveense Groenrecycling Wagro B.V. exploiteert een composteringsbedrijf in de omgeving van het plangebied en heeft de voorzieningenrechter verzocht om het TAM-omgevingsplan te schorsen om te voorkomen dat geurgevoelige objecten in het plangebied, zoals de woningen en de school, in gebruik genomen worden.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5078
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Omgevingsplan
  • RO - Zuid-Holland
  • uitspraakin de zaak202505986/3/R3

202602159/2/R1

Bij besluit van 5 november 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen-Chaam Sprangka gelast om te voldoen aan zes lasten onder aanzegging van dwangsommen op haar perceel aan de Baarlesebaan 3 in Alphen, gemeente Alphen-Chaam. Sprangka verricht agrarische activiteiten op het perceel Baarlesebaan 3 in Alphen. Het college heeft aan haar op 6 februari 2018 een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van het bouwen van gebouwen en de oprichting van een vleeskalverenhouderij. Het college heeft aan Sprangka op 4 december 2023 een voornemen tot handhaving gestuurd. Op 9 oktober 2024 heeft een toezichthouder volgens het college geconstateerd dat eerder geconstateerde overtredingen niet zijn beëindigd. Het college heeft bij het besluit op bezwaar het besluit van 5 november 2024 met een gewijzigde motivering in stand gelaten en de last over het in goede staat houden van het buitenterrein verduidelijkt. Sprangka is het niet eens met het besluit op bezwaar en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5030
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bodembescherming
  • Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
  • Vee e.a. dieren
  • uitspraakin de zaak202602159/2/R1

202602438/2/A2

Bij beslissing van 15 april 2026 heeft de selectiecommissie Geneeskunde aan [verzoekster] het rangnummer 703 toegekend. Bij beslissing van 10 juni 2026 heeft het college van bestuur van de Universiteit Utrecht het door [verzoekster] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Op 17 juni 2026 heeft [verzoekster] een het college verzocht om herziening van de beslissing van 10 juli 2026. Bij beslissing van 4 augustus 2026 heeft het college het herzieningsverzoek afgewezen. Tegen de beslissingen van 10 juni en 4 augustus 2026 heeft [verzoekster] beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5091
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Studentenzaken
  • uitspraakin de zaak202602438/2/A2

BRS.25.001745

Bij besluit van 17 juni 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4981
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.25.001745

BRS.26.000191

Bij besluit van 28 maart 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4942
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000191

BRS.26.000325

Bij besluit van 11 december 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aan appellant verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken, hem opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit) en hem meegedeeld dat hij vanwege dat terugkeerbesluit in het Schengeninformatiesysteem (SIS) gesignaleerd wordt.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5033
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Regulier
  • uitspraakin de zaakBRS.26.000325

BRS.26.003142

Bij besluit van 4 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5034
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.003142

BRS.26.004109

Bij besluit van 7 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, hem opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5036
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004109

BRS.26.004173

Bij besluit van 24 juli 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie betrokkene in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4970
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Hoger beroep
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004173

BRS.26.004380

Bij besluit van 3 februari 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5035
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004380

BRS.26.004525

Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5086
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004525

BRS.26.004528

Bij besluit van 15 augustus 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie verzoeker in vreemdelingenbewaring gesteld.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5080
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Bewaring
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004528

BRS.26.004533

Bij besluit van 10 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:5083
Datum uitspraak
28 augustus 2026
  • Voorlopige voorziening
  • Asiel
  • uitspraakin de zaakBRS.26.004533
vorige pagina1...456...1.267volgende pagina

Facetten
Gepubliceerd
  • Uitspraken uit
Type uitspraak
Proceduresoort
Rechtsgebied
Bevat

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon