Uitspraak 202405357/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4029
- Datum uitspraak
- 10 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
202405357/1/V1.
Datum uitspraak: 10 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 30 juli 2024 in zaak nr. NL22.22949 in het geding tussen:
[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3] en [betrokkene 4],
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 10 februari 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkenen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 24 oktober 2022, aangevuld op 13 maart 2023, heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkenen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 30 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkenen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkenen, vertegenwoordigd door mr. D. Brouwer, advocaat in Amsterdam, hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 22 oktober 2024 heeft de minister het tegen het besluit van 10 februari 2022 gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.
Betrokkenen hebben daartegen beroepsgronden ingediend.
Betrokkenen hebben een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Het hoger beroep
1. Partijen zijn het erover eens dat er familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is tussen betrokkenen 2, 3 en 4 en hun halfbroer (referent). De eerste tot en met vijfde grief van de minister gaan over het oordeel van de rechtbank dat de minister ten onrechte geen familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM heeft aangenomen tussen betrokkene 1 en referent, haar kleinzoon. In de zesde grief klaagt de minister over het oordeel van de rechtbank dat hij, gelet op de vaststelling van de rechtbank dat er familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM is tussen betrokkene 1 en referent, een nieuwe belangenafweging in het kader van dat artikel moet maken.
1.1. Betrokkenen hebben in hun nader stuk van 5 mei 2026 laten weten dat betrokkene 1 recentelijk in Syrië is overleden. Daarbij hebben zij een vertaalde overlijdensakte overgelegd. De Afdeling heeft de minister bij brief van 11 mei 2026 gevraagd om te laten weten in hoeverre hij zijn hoger beroep handhaaft en, zo ja, wat het belang van de minister daarbij is. De minister heeft hier niet op gereageerd.
1.2. De Afdeling stelt vast dat de minister geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn hogerberoepschrift, omdat betrokkene 1 is overleden. Voor zover de minister zich op het standpunt stelt dat van de uitspraak van de rechtbank precedentwerking kan uitgaan, ziet de Afdeling in dit specifieke geval daarin geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten voor het hoger beroep vergoeden.
Het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2024
3. Het besluit van 22 oktober 2024 wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht voorwerp te zijn van dit geding. In dat besluit heeft de minister het bezwaar van betrokkenen opnieuw ongegrond verklaard, omdat de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van betrokkenen uitvalt. Betrokkenen kunnen zich hier niet in vinden.
4. Gelet op het overlijden van betrokkene 1, hebben betrokkenen geen belang meer bij een beoordeling van de beroepsgronden die specifiek gaan over de belangenafweging voor referent en betrokkene 1. Betrokkenen hebben nog wel belang bij een beoordeling van de beroepsgronden over de belangenafweging voor referent en betrokkenen 2, 3 en 4.
Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046, onder 3.14, volgt dat het uitgangspunt in zaken over artikel 8 van het EVRM is dat de bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan het besluit op bezwaar heeft kunnen nemen naar de feiten die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit. Betrokkene 1 is na het besluit van 22 oktober 2024 overleden. De Afdeling zal het overlijden van betrokkene 1 dus niet betrekken bij haar oordeel over de rechtmatigheid van de belangenafweging voor referent en betrokkenen 2, 3 en 4, omdat die omstandigheid buiten de omvang van het geding valt.
5. De minister heeft zich in het besluit van 22 oktober 2024 op het standpunt gesteld dat het in dit geval gaat om een eerste toelating en dat het belang van de overheid dan meestal zwaarder weegt dan het belang van een vreemdeling. Volgens de minister geldt er daarom een restrictief toetsingskader waarbij alleen in uitzonderlijke omstandigheden een positieve verplichting op de staat rust om gezinshereniging toe te staan. Omdat er in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheden zijn, weegt dit zwaar in het nadeel van betrokkenen, aldus de minister.
5.1. Betrokkenen klagen terecht dat de minister met zijn hiervoor genoemde standpunt een onjuist uitgangspunt heeft gebruikt voor de belangenafweging. Uit de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4911, onder 6.1, volgt dat het uitgangspunt dat de belangenafweging alleen in uitzonderlijke omstandigheden in het voordeel van de vreemdeling kan uitvallen, volgens het EHRM geldt als het familie- en gezinsleven is ontstaan op een moment dat de betrokkenen zich ervan bewust waren dat het voortbestaan van het familie- en gezinsleven in de verdragsstaat vanaf het begin onzeker zou zijn gelet op de verblijfsrechtelijke positie van een van hen. Zo’n situatie is in dit geval niet aan de orde. De Afdeling heeft in de uitspraak van 4 december 2024 geoordeeld dat zij geen aanleiding ziet om het genoemde uitgangspunt te gebruiken in zaken waarin het familie- en gezinsleven al bestond op het moment dat de referent vertrok uit het land van herkomst. Het voorgaande betekent dat de minister in het besluit van 22 oktober 2024 een te strenge beoordeling heeft verricht in de belangenafweging voor referent en betrokkenen 2, 3 en 4. De belangenafweging is alleen al daarom ondeugdelijk gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.
6. Het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2024 is gegrond. Het is niet nodig om wat betrokkenen verder aanvoeren te bespreken. De beroepsgronden roepen geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De Afdeling vernietigt het besluit van 22 oktober 2024, voor zover dat gaat over betrokkenen 2, 3 en 4. Dit betekent dat de minister opnieuw een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM moet maken voor referent en betrokkenen 2, 3 en 4. Daarbij moet de minister het overlijden van betrokkene 1 en de actuele situatie van betrokkenen 2, 3 en 4 betrekken. De minister moet de proceskosten voor het beroep vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. verklaart het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2024, V-[...], gegrond;
III. vernietigt dat besluit, voor zover dat gaat over betrokkenen 2, 3 en 4;
IV. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkenen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
V. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 559,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Pronk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 10 juli 2026
1028