Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202505816/1/R1

Uitspraak 202505816/1/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4119
Datum uitspraak
15 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 30 september 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoorn locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) en bovengrondse containers voor groente-, fruit- en etensresten ("GFE-cocons"). Het gaat onder meer om de locatie BH43R ter hoogte van Achter de Vest 56 in Hoorn. [appellant] en anderen wonen vlakbij de aangewezen containerlocatie BH43R, die is gesitueerd aan de rand van de binnenstad van Hoorn. Volgens hen is de locatie niet geschikt, onder meer omdat er geen behoefte is aan de afvalcontainers en omdat er meerdere geschiktere alternatieve locaties zijn. Ook vrezen zij voor overlast. [appellant] en anderen stellen zich op het standpunt dat er geen behoefte is aan de afvalcontainers op deze locatie. Volgens [appellant] en anderen zijn er voldoende andere containers aanwezig binnen de loopafstand die de gemeente hanteert. In hun nader stuk hebben [appellant] en anderen hier een eigen analyse over gegeven.
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
  • Afval

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202505816/1/R1.
Datum uitspraak: 15 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend in Hoorn,
appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Hoorn,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2025 heeft het college locaties aangewezen voor de plaatsing van ondergrondse restafvalcontainers (ORAC’s) en bovengrondse containers voor groente-, fruit- en etensresten ("GFE-cocons"). Het gaat onder meer om de locatie BH43R ter hoogte van Achter de Vest 56 in Hoorn.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het college en [appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellant] en anderen, bij monde van [appellant] en [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door C.C.M. Gorter-Haring en mr. S.E.J.M. Bogaarts, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] en anderen wonen vlakbij de aangewezen containerlocatie BH43R, die is gesitueerd aan de rand van de binnenstad van Hoorn. Volgens hen is de locatie niet geschikt, onder meer omdat er geen behoefte is aan de afvalcontainers en omdat er meerdere geschiktere alternatieve locaties zijn. Ook vrezen zij voor overlast.

Toetsingskader

2.       Artikel 3, derde lid, van de Afvalstoffenverordening 2020 van de gemeente Hoorn bepaalt: "Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen over de voorbereiding van de aanwijzing en over het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen."

3.       Bij de keuze van een locatie voor een ORAC en een bovengrondse "GFE-cocon" moet het college een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het locatieplan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De Afdeling beoordeelt, aan de hand van de beroepsgronden, of de nadelige gevolgen van de aanwijzing van de locatie niet onevenredig zijn in verhouding tot de met de aanwijzing te dienen doelen. Daarbij beoordeelt zij of het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor de plaatsing van de ORAC en de bovengrondse "GFE-cocon".

4.       Bij het aanwijzen van een locatie voor een ORAC en een bovengrondse "GFE-cocon" hanteert het college locatiecriteria die zijn neergelegd in de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte (LIOR).

Ingetrokken beroepsgrond

5.       Op de zitting hebben [appellant] en anderen de beroepsgrond dat het college niet alle zienswijzen over het ontwerpbesluit in aanmerking heeft genomen, ingetrokken.

Afvalcontainers op deze locatie

6.       [appellant] en anderen stellen zich op het standpunt dat er geen behoefte is aan de afvalcontainers op deze locatie. Volgens [appellant] en anderen zijn er voldoende andere containers aanwezig binnen de loopafstand die de gemeente hanteert. In hun nader stuk hebben [appellant] en anderen hier een eigen analyse over gegeven.

De behoefte wordt volgens [appellant] en anderen ook niet duidelijk uit het in opdracht van het college verrichte capaciteitsonderzoek, aangezien dit is gebaseerd op algemene ervaringen in andere gemeenten en niet op feitelijke data. Hierbij voeren [appellant] en anderen aan dat het college niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de 20 huishoudens waarvoor de containers op locatie BH43R zijn bedoeld, geen gebruik kunnen maken van andere containers. Ook trekken [appellant] en anderen de zogenoemde netwerkfunctie van de containers op locatie BH43R in twijfel.

6.1.    De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat het aanwijzen van locatie BH43R wenselijk is uit een oogpunt van evenwichtige spreiding van afvalinzamelinglocaties. Hierna wordt besproken hoe de Afdeling tot dat oordeel is gekomen.

6.2.    Het college heeft een capaciteitsonderzoek uitgevoerd waaruit naar voren komt hoeveel huishoudens op de diverse containers in het betrokken gebied kunnen worden "aangesloten". Dit onderzoek is naar het oordeel van de Afdeling, anders dan [appellant] en anderen stellen, op zichzelf voldoende toegesneden op de concrete situatie in de gemeente Hoorn. Uit dit onderzoek en uit wat op zitting naar voren is gebracht, kan om de hierna genoemde reden echter niet de conclusie worden getrokken dat bij het vervallen van de locatie BH43R capaciteitsproblemen kunnen ontstaan op andere locaties.

Op de zitting heeft het college toegelicht dat het in een normale situatie maximaal 50 huishoudens per container aanvaardbaar acht. Bij een gebrek aan geschikte locaties worden meer huishoudens op een container aangesloten. In dat geval worden de containers twee keer per week geleegd in plaats van één keer en wordt, als het aantal huishoudens boven de 100 komt, ook een persfunctie geïnstalleerd. Die voorzieningen brengen echter extra kosten met zich mee. Mede daarom acht het college het niet wenselijk om de 20 huishoudens voor wie locatie BH43R is bedoeld, "te verdelen" over de in de omgeving gelegen locaties BH20A, BH19R en BH44R. Volgens het college zijn op die laatste drie locaties op dit moment respectievelijk 80, 67 en 46 huishoudens aangesloten.

Naar het oordeel van de Afdeling ligt het niet voor de hand dat, als locatie BH43R vervalt, huishoudens die nu daarop zijn aangewezen, locatie BH44R gaan gebruiken in een reguliere situatie waarin geen storingen van containers aan de orde zijn. Die laatste locatie vormt in zo’n geval namelijk voor geen van de betrokken huishoudens de dichtstbijzijnde locatie. De Afdeling acht het wel aannemelijk dat de huidige gebruikers van locatie BH43R bij het vervallen daarvan uitwijken naar BH20A of BH19R. Het aantal huishoudens dat al op de containers op de locaties BH20A en BH19R zijn aangesloten, overschrijdt nu al het aantal van 50 dat het college aanvaardbaar acht. Het aantal aangesloten huishoudens zou dan maximaal kunnen toenemen tot respectievelijk 100 en 87. De containers moeten dan twee keer per week geleegd worden, maar dat gebeurt nu ook al. En ondanks de toename van het aantal aangesloten huishoudens hoeven deze containers nog steeds niet over een persfunctie te beschikken, zodat er geen extra kosten zijn aan het vervallen van locatie BH43R.

Dit betekent dat het standpunt van het college dat behoefte bestaat aan containers op locatie BH43R, niet kan worden gedragen door het argument dat zonder die containers capaciteitsproblemen kunnen ontstaan op andere locaties.

6.3.    Van belang is echter dat het college ook onderzoek heeft gedaan naar de loopafstanden van de betrokken woningen tot de aangewezen locaties en dat hierbij voldoende aannemelijk is gemaakt dat bij het ontbreken van de aangewezen locatie de maximale loopafstand van 100 meter van een woning tot een afvalcontainer die het college in beginsel hanteert, in sommige gevallen niet wordt gehaald. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het beperkte aantal mogelijkheden voor containerlocaties in de gemeente Hoorn ertoe heeft geleid dat de aanvaardbare loopafstand verruimd is naar maximaal 125 meter. Volgens het college zou bij het achterwege laten van de containers op locatie BH43R de afstand naar andere containers groter en voor de bewoners van sommige woningen, onaanvaardbaar worden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, gelet op de situering van de andere containers, op dat standpunt mogen stellen. Daarbij is van belang dat in de eigen analyse van [appellant] en anderen een gemiddelde afstand van 95 meter van de woningen tot omliggende containers is berekend. De Afdeling volgt echter het college dat moet worden uitgegaan van de werkelijke afstanden in individuele gevallen.

Verder heeft het college toegelicht dat de afvalcontainers in het gebied een samenhangend netwerk vormen, zodat bewoners bij een storing van een container naar een andere container op niet al te grote afstand kunnen lopen. Op de zitting heeft het college toegelicht dat het van belang is dit te betrekken bij de besluitvorming, omdat het algemeen bekend is dat storingen zich met een zekere regelmaat voordoen en hiermee dumping van afval buiten de containers wordt voorkomen. De Afdeling is van oordeel dat het college zich op dit standpunt heeft mogen stellen en dat het college daarbij, anders dan bij een situatie waarin zich geen storingen voordoen, ook locatie BH44R heeft mogen betrekken.

Daarom acht de Afdeling het aannemelijk dat bij het ontbreken van de aangewezen locatie de door het college gehanteerde loopafstand in sommige gevallen niet wordt gehaald. Tezamen met het belang van de containers in de netwerkfunctie, maakt dit dat het college de aanwijzing van de containerlocatie BH43R uit een oogpunt van evenwichtige spreiding van afvalinzamelingslocaties wenselijk mocht achten.

Het betoog slaagt niet.

Parkeerdruk

7.       Ook betogen [appellant] en anderen dat de parkeerdruk onterecht niet is meegenomen in de besluitvorming. Een bestaand parkeervak moet wijken voor de afvalcontainers, terwijl de parkeerdruk hoog is.

7.1.    De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] en anderen aanvoeren, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college de locatie niet heeft mogen aanwijzen. Een verkeerskundige van de gemeente heeft onderzocht dat aan de zuidzijde van Achter de Vest voldoende parkeergelegenheid is om het verwijderen van het parkeervak op te vangen. Hiermee heeft het college voldoende onderbouwd dat het onderdeel parkeren geen belemmering hoeft te vormen voor het aanwijzen van de locatie. Wat [appellant] en anderen aanvoeren geeft geen aanleiding om aan de juistheid daarvan te twijfelen.

Het betoog slaagt niet.

Andere overlast en verkeersveiligheid

8.       Verder betogen [appellant] en anderen dat het college bagatelliseert hoeveel overlast de containers veroorzaken. Het college heeft ook ten onrechte geconcludeerd dat de locatie voldoende verkeersveilig is. Hierbij is volgens [appellant] en anderen onvoldoende rekening gehouden met de specifieke situatie van de locatie. Zij verwijzen hierbij naar de geringe breedte van de straat, de grote hoeveelheid voetgangers en fietsers en de laad- en losbewegingen die volgens hen verkeersgevaar opleveren.

8.1.    Uit de rechtspraak van de Afdeling volgt dat nadelen die inherent zijn aan het gekozen inzamelsysteem, zoals geluid- en geuremissie, een toename van verkeer van en naar de afvalcontainers en (verkeers)hinder, onder normale omstandigheden niet aan de aanwijzing van een locatie in de weg hoeven staan. Als voorbeeld wijst de Afdeling op haar uitspraak van 24 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1464.

8.2.    Het college heeft toegelicht dat het gebied geen grotere hoeveelheid fietsers of voetgangers kent dan andere gebieden in de binnenstad. Daarbij is er een wandelpad in het park aan de noordzijde van de straat. Achter de Vest is een smalle straat, maar door de lage rijsnelheden is deze volgens het college niet verkeersonveilig. Verder kost het legen van de containers door het ledigingsvoertuig slechts enkele minuten, aldus het college.

8.3.    De Afdeling is van oordeel dat wat [appellant] en anderen aanvoeren over de mate van overlast anders dan parkeerdruk, geen aanleiding geeft om te concluderen dat het college de locatie niet had mogen aanwijzen. Er is op deze locatie extra ruimte voor voetgangers op het wandelpad in het park. De Afdeling acht hierbij van belang dat de containers niet op of nabij een voetpad worden geplaatst. Dat Achter de Vest een smalle straat is, is naar het oordeel van de Afdeling niet ongebruikelijk voor een locatie in de binnenstad. Verder heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat het legen slechts van korte duur is.

In wat [appellant] en anderen voor het overige aanvoeren over de verkeersveiligheid, bestaat ook geen aanleiding om tot het oordeel te komen dat de locatie niet mocht worden aangewezen.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie over de geschiktheid van de locatie

9.       Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college locatie BH43R geschikt heeft mogen achten voor het realiseren van de afvalcontainers.

Alternatieve locaties

10.     [appellant] en anderen betogen dat de door hen aangedragen alternatieve locaties onvoldoende zijn onderzocht. Hiertoe voeren zij aan dat concreet vergelijkend onderzoek ontbreekt en dat de belemmering door de aanwezigheid van kabels en leidingen in de Pakhuisstraat onvoldoende is aangetoond. Volgens [appellant] en anderen liggen er ook kabels bij de locatie BH43R en is bij de beoordeling van de alternatieven de aanwezigheid van kabels en leidingen selectief beoordeeld. Ook is volgens hen niet onderbouwd waarom uitwijken naar de Vollerswaal, Onder de Boompjes of het Jeudje niet mogelijk is.

11.     In overweging 9 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college de locatie geschikt heeft mogen achten voor het plaatsen van de ORAC en de "GFE-cocon". De Afdeling zal beoordelen of het college toch had moeten afzien van aanwijzing van de aangewezen locatie vanwege de voorgestelde alternatieve locaties. Een alternatieve locatie moet zodanig geschikter zijn dan de aangewezen locatie dat geoordeeld moet worden dat het college niet heeft mogen vasthouden aan zijn keuze voor de aangewezen locatie, maar had moeten kiezen voor één van de alternatieve locaties.

12.     De Afdeling is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat de aangedragen alternatieve locaties niet zodanig geschikter zijn dat het college één van deze locaties had moeten aanwijzen. Ten eerste heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de locaties aan de Pakhuisstraat niet geschikter zijn vanwege de aanwezigheid van kabels en leidingen. In het aanvullend verweerschrift is de aanwezigheid hiervan inzichtelijk gemaakt. Op de zitting heeft het college toegelicht dat de kabels bij de locatie BH43R schuin kunnen worden weggestoken en dat dit bij de Pakhuisstraat niet mogelijk is, omdat hier twee kabels liggen. Dit is niet betwist. Verder vloeit uit wat onder overweging 6.3 is besproken voort dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat het aansluiten van extra huishoudens op de locaties aan de Vollerswaal 60 en Onder de Boompjes 22 niet wenselijk is vanwege de loopafstanden en de netwerkfunctie. Waar het gaat om de locatie het Jeudje stelt het college zich op het standpunt dat ook die niet geschikt is vanwege de loopafstand en de capaciteit. Dit maakt dat het college voldoende heeft onderbouwd dat de genoemde alternatieve locaties niet zodanig geschikter zijn dat het voor één van die locaties had moeten kiezen. De Afdeling volgt [appellant] en anderen niet in het standpunt dat het college meer onderzoek had moeten uitvoeren naar de alternatieve locaties.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

13.     Het beroep is ongegrond.

14.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Sparreboom
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026

195-1185


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon