Uitspraak BRS.26.002485
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4032
- Datum uitspraak
- 14 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 12 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2657, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.
- Verzet
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
BRS.26.002485
ECLI:NL:RVS:2026:4032
Datum uitspraak: 14 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van:
[opposant]
opposant.
Procesverloop
Bij uitspraak van 12 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2657, heeft de Afdeling het hoger beroep van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft opposant, vertegenwoordigd door mr. R.R. Raghoebir, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, verzet gedaan.
Overwegingen
1. Tegen een uitspraak waarbij de Afdeling de zaak zonder zitting heeft afgedaan en waarop de Vw 2000 van toepassing is, staat geen verzet open (artikel 83c, eerste lid, van de Vw 2000). Tegen de uitspraak van 12 mei 2026 kan daarom geen verzet worden gedaan.
2. De Afdeling is onbevoegd om van het verzet kennis te nemen. De minister van Asiel en Migratie hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart zich onbevoegd om van het verzet kennis te nemen.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Gerritsjans-van Essen, griffier.
w.g. Sevenster
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Gerritsjans-van Essen
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2026
1078