Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202306942/2/R1

Uitspraak 202306942/2/R1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2026:4124
Datum uitspraak
15 juli 2026
Inhoudsindicatie
Bij tussenuitspraak van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2530, heeft de Afdeling het college van gedeputeerde staten van Utrecht opgedragen om binnen zes maanden na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overwegingen 5.3 en 5.4 de daar omschreven gebreken in het besluit van 19 september 2023 tot goedkeuring van het projectplan "Dijkversterking Wijk bij Duurstede - Amerongen" te herstellen, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. De Afdeling heeft geconcludeerd dat het hoogheemraadschap de gevolgen van het projectplan met betrekking tot perceel F587 onvoldoende heeft onderzocht en daarbij is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Hierdoor heeft het onvoldoende zicht gekregen op de gevolgen voor de waterhuishouding op het perceel van [appellant]. [appellant] betoogt dat de door de Afdeling in de tussenuitspraak onder 5.3 geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Hij voert aan dat de hydrologische gevolgen nog steeds niet voldoende deugdelijk in kaart zijn gebracht.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Waterwet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
  • Persaankondiging
Volledige tekst

202306942/2/R1.
Datum uitspraak: 15 juli 2026

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten] ([appellant]), wonend in [woonplaats],

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 4 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2530, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen zes maanden na verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van overwegingen 5.3 en 5.4 de daar omschreven gebreken in het besluit van 19 september 2023 tot goedkeuring van het projectplan "Dijkversterking Wijk bij Duurstede - Amerongen" te herstellen, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college bij besluit van 18 november 2025 het besluit van 19 september 2023 gewijzigd en voorzien van een nadere motivering.

[appellant] heeft, daartoe in de gelegenheid gesteld, een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop het college de gebreken die in de tussenuitspraak zijn vastgesteld, heeft hersteld.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

Op 12 februari 2026 zijn partijen bericht dat de behandeling van de zaak in andere samenstelling wordt voortgezet vanwege het defungeren van staatsraad mr. J.M.L. Niederer, waarna partijen desgevraagd toestemming hebben gegeven om een nadere zitting achterwege te laten.

Bij brief van 26 maart 2026 heeft het college, in reactie op een opmerking van de deskundige van [appellant], J. van Bakel, opgemerkt dat het heeft vastgesteld dat de rapportage die is gevoegd bij het besluit van 18 november 2025 een onjuistheid bevat. Het college heeft vervolgens een geactualiseerde versie van de rapportage ingebracht.

De Afdeling heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1.       Bij besluit van 19 september 2023 heeft het college op grond van artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet goedkeuring verleend aan het projectplan "Dijkversterking Wijk bij Duurstede - Amerongen", zoals vastgesteld bij besluit van 5 juli 2023 door het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Op 4 juni 2025 heeft de Afdeling in het beroep van [appellant] tegen het goedkeuringsbesluit een tussenuitspraak gedaan. De Afdeling heeft onder 5.3 van de tussenuitspraak als volgt overwogen over de door [appellant] gestelde negatieve hydrologische gevolgen op het perceel F587 van het verwijderen van de watergang ter hoogte van dijkpaal 29 bij de grens tussen dijkvakken Kolland en Oud Kolland: "Op afbeelding 5.15 van de "Rapportage 3D-Grondwatermodellering" is het vernattingseffect van de slootdemping voor de in het onderzoek betrokken percelen weergegeven. De Afdeling heeft vastgesteld dat perceel F587 zich buiten afbeelding 5.15 uit de "Rapportage 3D-Grondwatermodellering" bevindt. Dit blijkt uit afbeelding 3.5 in het STAB-verslag. Dit betekent dat de effecten van het verwijderen van de watergang voor perceel F587 niet zijn onderzocht. Weliswaar wordt in zijn algemeenheid van het hoogheemraadschap niet verlangd dat er voor elk perceel uitgebreid hydrologisch onderzoek wordt verricht. Maar de effecten voor perceel F587 zijn in dit geval geenszins in kaart gebracht, terwijl er aanmerkelijke variatie in de gevolgen van demping van sloten zichtbaar is op genoemde afbeelding 5.15." De Afdeling heeft vervolgens geconcludeerd dat het hoogheemraadschap de gevolgen van het projectplan met betrekking tot perceel F587 onvoldoende heeft onderzocht en daarbij is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Hierdoor heeft het onvoldoende zicht gekregen op de gevolgen voor de waterhuishouding op het perceel van [appellant]. In zoverre zijn het projectplan en het goedkeuringsbesluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Het college had in zoverre goedkeuring aan het projectplan moeten onthouden.

Verder heeft de Afdeling het college in overweging gegeven om in een te nemen herstelbesluit te betrekken dat er inmiddels overeenstemming is bereikt over de locatie van een drain als mitigerende maatregel om de vernatting op het perceel tegen te gaan.

De Afdeling heeft met het oog op een spoedige beslechting van het geschil het college op grond van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) opgedragen om binnen zes maanden na verzending van deze uitspraak de onder 5.3 omschreven gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij moet acht worden geslagen op wat is overwogen onder 5.4 over het peil.

Het herstelbesluit

2.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft het college in zijn vergadering van 18 november 2025 het besluit van 19 september 2023 voorzien van een aanvullende motivering. Voorts zijn daarbij twee bijlagen gevoegd die onder meer betrekking hebben op (de effecten van) de plaatsing van een drain op het perceel en een wijziging van het slootontwerp. Hieraan is een aanvullend geohydrologisch onderzoek van Sweco van 4 november 2025 ten grondslag gelegd. Dit onderzoek is gericht op de grondwatereffecten van het dempen van de kopsloot op het perceel van [appellant]. Hierbij is berekend wat het effect is van het uitsluitend dempen van de betreffende kopsloot en van het effect van de demping inclusief het aanbrengen van een drain die de afvoerfunctie overneemt. Het college stelt zich op het standpunt dat hiermee de effecten van de demping en van de drain beter inzichtelijk zijn geworden. Uit het aanvullend onderzoek blijkt dat het dempen van de sloot een zeer beperkt vernattend effect heeft. Bij aanleg van een drain ontstaat dit effect niet en wordt het juist droger dan in de huidige situatie, zo stelt het college. Het college heeft toegelicht dat door de keuze van de diameter en weerstand van de drain die uiteindelijk wordt ingebracht, het resultaat kan worden afgestemd op de wensen van [appellant].

Het onderzoek heeft geleid tot twee aanpassingen. Ten eerste het plaatsen van een drain op de locatie van de te dempen sloot. Daarnaast heeft voormeld onderzoek geleid tot een gewijzigd ontwerp van de verbreding van de watergang die dient als compensatie voor de demping. Het ontwerp is volgens het college zodanig dat appellanten per saldo geen grond kwijtraken door de demping plus de verbreding.

Beoordeling aanvullende motivering

- Uitgangspunten in het geohydrologisch onderzoek van Sweco

3.       [appellant] betoogt dat de door de Afdeling in de tussenuitspraak onder 5.3 geconstateerde gebreken niet zijn hersteld. Hij voert aan dat de hydrologische gevolgen nog steeds niet voldoende deugdelijk in kaart zijn gebracht. Hij heeft daartoe een rapport van 7 januari 2026 van J. van Bakel overgelegd. In dit rapport worden er kanttekeningen gemaakt bij het door Sweco in het aanvullende rapport gehanteerde model. Het model komt volgens deze deskundige niet overeen met de werkelijkheid wat betreft peilen, drainage-eigenschappen, de sloot en de compensatiedrain.

[appellant] voert aan dat het geohydrologisch onderzoek van Sweco niet ten grondslag kon worden gelegd aan het herstelbesluit, omdat de gebruikte modelparameter waarmee de uitwisseling tussen grondwater en oppervlaktewater kan worden bepaald, is overgenomen van drainagebuizen in de omgeving. Volgens [appellant] zijn drainagebuizen in dat kader niet vergelijkbaar met een sloot wat betreft drainage-eigenschappen. Want in zware kleigrond is de werking afhankelijk van krimpscheuren die in de loop van het groeiseizoen ontstaan en in de loop van de natte winterperiode weer dicht zwellen. Met als gevolg sterk wisselende drainageweerstanden.

3.1.    In het door [appellant] aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de in het model ingevoerde parameters onjuist zouden zijn. De Afdeling begrijpt het namens [appellant] gestelde aldus dat hij stelt dat in het onderzoeksrapport van Sweco de parameter voor "drainage conductance" ten onrechte op een onjuiste en ten onrechte ook op een vaste waarde is vastgesteld. Gelet op het onder 2. van het Sweco-rapport gestelde over de bepaling van de gebruikte "drainage conductance"-waarde is deze stelling, mede gezien de zeer beperkte onderbouwing daarvan, echter onvoldoende om twijfel te doen rijzen over de juistheid van de gehanteerde invoerwaarde van deze parameter. Voor zover [appellant] tevens beoogt te stellen dat deze invoerwaarde per dag en met inachtneming van de wijzigingen in het seizoen van de doorlaatbaarheid van de grond had moeten worden berekend, slaagt deze klacht evenmin. Daaruit volgt immers nog niet noodzakelijkerwijs dat de door Sweco gehanteerde vaste waarde onjuist is. In dat kader kent de Afdeling ook betekenis toe aan de omstandigheid dat Van Bakel met betrekking tot de door hem gestelde wisselende waterdoorlating van de grond in winter en zomer de gevolgen daarvan voor het perceel van [appellant] zelfs niet bij benadering heeft gekwantificeerd. De Afdeling constateert tenslotte dat uit het Sweco-rapport blijkt dat ook nog diverse andere parameters, waaronder die welke rekening houden met seizoensvariaties en diverse locaties zijn betrokken bij de door Sweco gemaakte berekening. De juistheid van het gebruik van deze andere parameters in het model is door [appellant] niet, dan wel onvoldoende, betwist. Gelet op het voorgaande is de Afdeling dan ook van oordeel dat [appellant] onder verwijzing naar het stuk van Van Bakel onvoldoende heeft onderbouwd waarom Sweco niet had mogen uitgaan van de door haar voor de "drainage conductance" gehanteerde parameterwaarde van 8,8 m2/d.

Verder blijkt niet uit de door [appellant] voorgestane parameters, dat het hanteren daarvan tot substantiële andere uitkomsten zou kunnen worden gekomen dan door Sweco is gerapporteerd. Ook uit wat [appellant], onder verwijzing naar het rapport van Van Bakel, voor het overige heeft aangevoerd, zoals over het drainageniveau en de infiltratiecapaciteit, blijkt niet dat het onderzoeksrapport van Sweco wat betreft de gebruikte parameters zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college het niet aan het besluit ten grondslag heeft kunnen leggen.

Het betoog slaagt niet.

- Peil

4.       Volgens het door [appellant] overgelegde rapport van Van Bakel ligt het slootpeil feitelijk op ongeveer 4,00 m +NAP. Dit betekent dat een gehanteerd peil van 3,47 m +NAP niet representatief en onjuist is.

4.1.    De Afdeling heeft onder 5.4 van de tussenuitspraak overwogen dat uit de kaart behorende bij peilbesluit Langbroekwetering blijkt dat voor het perceel F587 een onderpeil van 3,47 m +NAP geldt. En dat er naar het oordeel van de Afdeling in zijn algemeenheid van het peilbesluit mag worden uitgegaan en dat er daarom ook in dit geval niet naar de feitelijk optredende waterstand hoeft te worden gekeken. In het projectplan was voor dit perceel uitgegaan van een peil van 3,30 m +NAP. Naar het oordeel van de Afdeling ten onrechte, aangezien hier van het onderpeil uit het peilbesluit van 3,47 m +NAP had moeten worden uitgegaan.

Voor zover [appellant] zich keert tegen overwegingen van de tussenuitspraak, overweegt de Afdeling dat zij behalve in uitzonderlijke gevallen niet kan terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Een uitzonderlijk geval is hier niet aan de orde, zodat de Afdeling uitgaat van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel.

Gelet hierop blijft wat [appellant] over het gehanteerde peil aanvoert buiten beschouwing.

- Tekening dwarsprofielen

5.       Daarnaast voert [appellant] onder verwijzing naar het rapport van Van Bakel aan dat de getekende dwarsprofielen in tekening 012539-TEK-24109 niet overeenkomen met de werkelijkheid, omdat het in werkelijkheid gaat om sloten met een heel andere vorm van de slootbodem dan de onrealistische vorm van de slootbodem zoals door het hoogheemraadschap is weergegeven op deze tekening.

5.1.    De slootdwarsprofielen op de door [appellant] aangehaalde tekening waren al onderdeel van onder meer het projectplan. De STAB heeft die mede aan haar advies ten grondslag gelegd en die profielen als uitgangspunt genomen bij het opstellen van haar verslag. Wat [appellant] nu aanvoert over de dwarsprofielen is al eerder aan de STAB kenbaar gemaakt. Desalniettemin heeft de STAB de getekende dwarsprofielen als uitgangspunt genomen. In de zienswijze op het STAB-verslag heeft [appellant] het hanteren van deze dwarsprofielen niet bestreden en de dwarsprofielen waren al onderdeel van de beoordeling door de Afdeling zoals in de tussenuitspraak is opgenomen. De Afdeling heeft de argumenten van [appellant] over de tekening van de dwarsprofielen al eerder bezien en daarin geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het goedkeuringsbesluit in zoverre gebrekkig tot stand is gekomen. De Afdeling ziet nu geen reden om alsnog aan de juistheid van de dwarsprofielen te twijfelen.

Gelet hierop blijft wat [appellant] aanvoert over de tekening met dwarsprofielen buiten beschouwing.

- Noodzaak verbreden compensatiesloot

6.       [appellant] betwist de noodzaak van de verbreding van de compensatiesloot.

6.1.    [appellant] heeft het ontbreken van de noodzaak van het verbreden van de compensatiesloot ook al in zijn beroepschrift aan de orde gesteld.

Zoals hiervoor onder 4.1 is uiteengezet, kan de Afdeling, behalve in uitzonderlijke gevallen, niet terugkomen van een in de tussenuitspraak gegeven oordeel. De Afdeling heeft de argumenten van [appellant] over de noodzaak van het verbreden van de kopsloot al eerder bezien, en daarin geen aanleiding gevonden voor het oordeel dat het goedkeuringsbesluit in zoverre gebrekkig tot stand is gekomen. Het is de Afdeling niet gebleken dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval die aanleiding zou moeten vormen om terug te komen van de tussenuitspraak.

Gelet hierop blijft wat [appellant] aanvoert over de noodzaak voor het verbreden van de compensatiesloot buiten beschouwing.

- Nieuwe gronden

7.       [appellant] voert voor het overige onder meer aan dat er geen noodzaak is voor het dempen van de sloot. Dit omdat het door het college gestelde risico op piping volgens [appellant] niet aannemelijk is gemaakt. Ook is volgens [appellant] een werkstrook ten onrechte via een omweg over zijn grond en dwars over de bemalingspomp gelegd. Hij stelt dat het logischer is om deze werkstrook over het aangrenzende perceel te leggen, langs de andere zijde van de sloot.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat [appellant] hiermee zijn beroepsgronden na de tussenuitspraak heeft uitgebreid met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden die hij al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren had kunnen brengen. Dit is gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting en de rechtszekerheid van andere partijen, in het licht van de goede procesorde, niet aanvaardbaar. De Afdeling laat wat [appellant] in dit verband aanvoert, dan ook buiten bespreking.

Conclusie

8.       De conclusie is dat het onder verwijzing naar het rapport van Van Bakel door [appellant] gestelde onvoldoende grondslag biedt voor het oordeel dat het college niet op het onderzoeksrapport van Sweco had mogen afgaan. Uit de onderzoeksrapportage van Sweco blijkt dat het dempen van de sloot op perceel F587 een zeer beperkt natmakend effect heeft, dat effectief kan worden verzacht door het aanbrengen van de drain op de locatie waarover het hoogheemraadschap overeenstemming heeft bereikt met [appellant]. Het hoogheemraadschap heeft de gevolgen van het projectplan met betrekking tot perceel F587 voldoende onderzocht. In het door [appellant] aangevoerde ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat hierbij is uitgegaan van onjuiste uitgangspunten. Door het aanvullende onderzoek en de aanvullende motivering heeft het hoogheemraadschap voldoende zicht gekregen op de gevolgen voor de waterhuishouding op het perceel van [appellant] en kan worden geconcludeerd dat hiermee is voldaan aan de vereisten van artikel 5.4 van de Waterwet. In zoverre zijn het projectplan en het herstelbesluit voldoende zorgvuldig voorbereid en voldoende gemotiveerd. Dit betekent dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien om goedkeuring aan het projectplan te onthouden wegens strijd met het recht of het algemeen belang als bedoeld in artikel 5.7, eerste lid, van de Waterwet.

9.       Omdat de Afdeling in de tussenuitspraak heeft geoordeeld dat het besluit van 19 september 2023 in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb is genomen, is het beroep van [appellant] gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd.

10.     Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant] tegen het besluit van 18 november 2025 is ongegrond. Dit betekent dat het gewijzigde goedkeuringsbesluit in stand blijft en heeft tot gevolg dat het projectplan onherroepelijk is geworden.

11.     Het college moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep tegen het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 19 september 2023 tot goedkeuring van het projectplan "Dijkversterking Wijk bij Duurstede - Amerongen" dat bij besluit van 5 juli 2023 door het algemeen bestuur van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is vastgesteld, gegrond;

II.       vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 19 september 2023;

III.      verklaart het beroep tegen het besluit van 18 november 2025, waarbij het college van gedeputeerde staten van Utrecht het projectplan "Dijkversterking Wijk bij Duurstede - Amerongen" opnieuw heeft goedgekeurd met een aanvullende motivering, ongegrond;

IV.      veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 3.785,13, waarvan € 2.802,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij de betaling van genoemd bedrag aan één van hen, het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.       gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. H.J.M. Besselink, leden, in tegenwoordigheid van mr. N. Janse, griffier.

w.g. Minderhoud
voorzitter

w.g. Janse
griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026

855

Persaankondiging

Plan voor dijkversterking tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen

Uitspraak over de goedkeuring die het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft verleend aan het projectplan 'Waterwet Dijkversterking Lekdijk, Wijk bij Duurstede - Amerongen'. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden wil de Lekdijk over een traject van 11 kilometer tussen Wijk bij Duurstede en Amerongen versterken. De dijkversterking is onderdeel van het Hoogwaterbeschermingsprogramma waarin de waterschappen en het Rijk samenwerken om de primaire waterkeringen voor 2050 aan de veiligheidsnorm te laten voldoen. Een melkveehouder in Amerongen is tegen de goedkeuring van het projectplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Hij vreest dat het plan negatieve gevolgen zal hebben voor zijn melkveehouderij. Een andere veehouder in Amerongen is bang dat er door het ontgraven van klei in de Sandenburgerwaard kwelproblemen op zijn land zullen ontstaan. In juni 2025 deed de Afdeling bestuursrechtspraak al een zogenoemde tussenuitspraak in deze zaak. Daarin heeft zij het beroep van de laatste veehouder ongegrond verklaard. Maar de melkveehouder gaf zij gelijk. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak waren de effecten voor zijn perceel van het verwijderen van een watergang niet onderzocht. Zij droeg het college van gedeputeerde staten op om deze tekortkoming binnen zes maanden te herstellen. In november 2025 heeft het college van gedeputeerde staten een zogenoemd herstelbesluit genomen. Voor dit besluit is een aanvullend ‘geohydrologisch’ onderzoek gedaan. In de uitspraak van 15 juli 2026 oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak of het college hiermee aan de opdracht in de tussenuitspraak heeft voldaan.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon