Uitspraak 202503587/1/A2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4006
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 11 juni 2025, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2025:2510 heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van het college van bestuur van het ROC Da Vinci College ongegrond verklaard. [verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] zich schuldig maakt aan misbruik van procesrecht en heeft daarom verzocht om hem te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft er in dit kader op gewezen dat [verzoeker] meerdere procedures aanhangig heeft gemaakt tegen het Da Vinci college, zowel bij de Afdeling als bij de rechtbank.
- Herziening
- Studentenzaken
Toon inhoud
202503587/1/A2.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend in [woonplaats],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 11 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2510.
Procesverloop
Bij uitspraak van 11 juni 2025, in zaak nr. ECLI:NL:RVS:2025:2510 heeft de Afdeling het beroep van [verzoeker] tegen de beslissing van het college van bestuur van het ROC Da Vinci College ongegrond verklaard.
[verzoeker] heeft de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.
[verzoeker] heeft nadere stukken overgelegd.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaken 202503463/1/A2, 202503587/1/A2 en 202504996/1/A2 gelijktijdig op een zitting behandeld op 21 mei 2026, waar [verzoeker] is verschenen. Ook is op de zitting het college, vertegenwoordigd door mr. B.F.P.M. Lathouwers en H. Raaijmakers, als partij gehoord.
Overwegingen
1. Artikel 8:119, eerste lid, van de Awb luidt:
"De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2. De Afdeling stelt voorop dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet kan worden gebruikt om het geschil, waarover bij uitspraak is beslist, opnieuw aan de rechter voor te leggen. Ook is dit rechtsmiddel niet bedoeld om een partij de gelegenheid te bieden om argumenten, die in een eerdere procedure naar voren zijn gebracht of hadden kunnen worden gebracht, opnieuw of alsnog naar voren te brengen en daarmee het debat te heropenen, nadat is gebleken dat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet tot het gewenste resultaat hebben geleid.
3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [verzoeker] geen feiten of omstandigheden aangevoerd als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De door hem gestelde nieuwe feiten en omstandigheden waren bekend ten tijde van de uitspraak of hadden door [verzoeker] of zijn gemachtigde naar voren gebracht kunnen worden. Voor zover hij zich op het standpunt stelt dat zijn advocaat nalatig heeft gehandeld, wat hiervan ook zij, merkt de Afdeling op dat de procesvoering van de advocaat aan [verzoeker] kan worden toegerekend. In zoverre komt het verzoek om herziening op grond van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb ook niet voor inwilliging in aanmerking. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 2 maart 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP6379 (overweging 2.4-2.4.2). Wat [verzoeker] verder heeft aangevoerd komt in de kern neer op een heropening van het debat, omdat hij het niet eens is met de uitspraak van 11 juni 2025. Zoals onder 2 is overwogen, kan dat niet leiden tot herziening van de uitspraak.
4. Gelet op het vorenstaande wordt het verzoek om herziening afgewezen.
Proceskosten: misbruik van recht
5. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzoeker] zich schuldig maakt aan misbruik van procesrecht en heeft daarom verzocht om hem te veroordelen in de proceskosten. Het college heeft er in dit kader op gewezen dat [verzoeker] meerdere procedures aanhangig heeft gemaakt tegen het Da Vinci college, zowel bij de Afdeling als bij de rechtbank. Met deze procedures probeert [verzoeker] hetzelfde geschil meerdere keren voor te leggen aan de rechter. Ook kosten deze procedures geld en tijd en leiden zij af van de primaire taak om goed onderwijs te verzorgen, aldus het college.
5.1. Van misbruik van procesrecht kan sprake zijn als er een patroon aanwezig is van het veelvuldig aanwenden van verschillende rechtsmiddelen om geschillen steeds maar weer aan de orde te stellen terwijl de rechter daarover al vaker uitspraak heeft gedaan, waarvan de uitkomst betrokkene duidelijk zou moeten zijn en waarvan redelijkerwijs niet kan worden aangenomen dat het betrokkene nog te doen is om recht of rechtsbescherming. [verzoeker] heeft gesteld dat hij al deze procedures start vanuit de overtuiging dat recht moet worden gedaan aan de situatie. Dat kan zo zijn, maar dat betekent nog niet dat er daarom nooit sprake is van misbruik van recht.
5.2. Om te beoordelen of [verzoeker] misbruik maakt van procesrecht, kijkt de Afdeling naar meer dan alleen het geschil dat voor haar ligt. Gelet op alle informatie waarover de Afdeling op dit moment beschikt, is naar haar oordeel van misbruik nog geen sprake. Voorgaande neemt niet weg dat er inmiddels wel een duidelijk patroon te ontwaren is in het procedeergedrag van [verzoeker], waarbij hij bij verschillende bestuursorganen en rechtscolleges meerdere procedures start, klachten indient en wrakingsverzoeken indient of daarmee dreigt. Zoals hiervoor onder 5.1 uiteengezet kan het meermaals en/of tegen beter weten in starten van procedures uiteindelijk resulteren in het oordeel dat misbruik wordt gemaakt van procesrecht.
5.3. De Afdeling ziet op dit moment geen aanleiding om aan te nemen dat [verzoeker] misbruik maakt van zijn procesrecht en hem daarom te veroordelen in de proceskosten, maar dit kan op termijn anders komen te liggen wanneer de hiervoor geschetste wijze van procederen voortduurt. Omdat het verzoek om herziening wordt afgewezen, hoeven er ook geen proceskosten aan [verzoeker] te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.S. Rietveld, griffier.
w.g. Den Ouden
voorzitter
w.g. Rietveld
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
1064