Uitspraak 202407291/1/A3
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4123
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft de burgemeester van Schiedam de woning aan de [locatie] in Schiedam voor negen maanden gesloten. [appellant] woonde in de woning aan de [locatie] in Schiedam. De woning huurde hij van Woonplus. Uit een op 27 september 2023 opgestelde politierapportage volgt dat bij het onderzoek van de woning verschillende soorten hard- en softdrugs zijn aangetroffen die de handelshoeveelheid ruim overschrijden. Daarnaast zijn er een stroomstootwapen en een bedrag van € 817,20 aan contant geld aangetroffen. Verder volgt uit de rapportage dat onderzoek naar de telefoon van [appellant] laat zien dat er in augustus 2023 veelvuldig contact is gezocht met [appellant] over het aankopen van verdovende middelen. Hierbij heeft [appellant] meerdere keren het adres van zijn woning opgegeven als ophaaladres. Ook is gebleken dat [appellant] onder meer antecedenten heeft op het gebied van rijden onder invloed van verdovende middelen/geneesmiddelen, al dan niet in combinatie met alcohol, en dat er 262 registraties over hem zijn opgenomen. In de registraties van 25 mei 2023, 1 juni 2023 en 17 augustus 2023 spreken de melders van verkoop van drugs aan jongeren.
- Hoger beroep
- Drugs
Toon inhoud
202407291/1/A3.
Datum uitspraak: 15 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], zonder vaste woon- of verblijfsplaats,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 oktober 2024 in zaak nr. 24/3248 in het geding tussen:
[appellant]
en
de burgemeester van Schiedam.
Procesverloop
Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft de burgemeester de woning aan de [locatie] in Schiedam voor negen maanden gesloten.
Bij besluit van 27 februari 2024 heeft de burgemeester het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 23 oktober 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 maart 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J.A. Bosch, advocaat in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. de Neef, zijn verschenen.
Overwegingen
Juridisch kader
1. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.
Inleiding
2. [appellant] woonde in de woning aan de [locatie] in Schiedam. De woning huurde hij van Woonplus. Uit een op 27 september 2023 opgestelde politierapportage volgt dat bij het onderzoek van de woning verschillende soorten hard- en softdrugs zijn aangetroffen die de handelshoeveelheid ruim overschrijden. Daarnaast zijn er een stroomstootwapen en een bedrag van € 817,20 aan contant geld aangetroffen. Verder volgt uit de rapportage dat onderzoek naar de telefoon van [appellant] laat zien dat er in augustus 2023 veelvuldig contact is gezocht met [appellant] over het aankopen van verdovende middelen. Hierbij heeft [appellant] meerdere keren het adres van zijn woning opgegeven als ophaaladres. Ook is gebleken dat [appellant] onder meer antecedenten heeft op het gebied van rijden onder invloed van verdovende middelen/geneesmiddelen, al dan niet in combinatie met alcohol, en dat er 262 registraties over hem zijn opgenomen. In de registraties van 25 mei 2023, 1 juni 2023 en 17 augustus 2023 spreken de melders van verkoop van drugs aan jongeren.
2.1. De burgemeester heeft hierin aanleiding gezien om de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet per 31 oktober 2023 voor negen maanden te sluiten. Woonplus heeft na de sluiting de huurovereenkomst per 1 december 2023 buitengerechtelijk ontbonden. Daarna heeft Woonplus de ontruiming van de woning door [appellant] gevorderd. Deze vordering is bij vonnis van 31 januari 2024 door de kantonrechter toegewezen. In bezwaar heeft de burgemeester het besluit tot sluiting gehandhaafd. [appellant] is het niet eens met de besluitvorming.
Uitspraak van de rechtbank
3. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd zijn geen aanwijzingen te vinden voor het oordeel dat de burgemeester het besluit onzorgvuldig heeft voorbereid.
De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de burgemeester bevoegd was om de woning te sluiten. Er zijn in de woning van [appellant] handelshoeveelheden van diverse soorten hard- en softdrugs aangetroffen die aanzienlijk hoger waren dan de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik. Dat de aangetroffen cannabis zou zijn vermengd met mest met als doel rozenstekjes en narcissenbollen te kweken is niet onderbouwd en bovendien niet geloofwaardig in het licht van de overige bevindingen. Op basis van de beschikbare informatie is het afdoende aannemelijk dat [appellant] ten tijde van de aanhouding stelselmatig vanuit zijn woning in drugs handelde.
De rechtbank heeft verder overwogen dat de burgemeester op basis van zijn beleid een sluiting van negen maanden aangewezen mocht achten. De burgemeester heeft de situatie op grond van zijn beleid terecht aangemerkt als ernstig geval. Daarbij mocht de burgemeester meewegen dat in Schiedam drugshandel en drugsgebruik een hardnekkig probleem is. De burgemeester heeft onder deze omstandigheden een sluiting van de woning voor zes maanden noodzakelijk mogen achten, om te bereiken dat de woning niet langer een rol binnen de drugshandel kan vervullen. De burgemeester mocht door de bijkomende omstandigheden dat [appellant] de drugs verhandelde in zijn woning, en dat hij een stroomstootwapen voorhanden had, een bijkomende sluitingstermijn van drie maanden nodig vinden, om zo ook de bekendheid van de woning als drugsverkooppunt weg te nemen en te voorkomen dat [appellant] zijn drugshandel kon hervatten.
Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat, gelet op de omstandigheden, de burgemeester de belangen bij de sluiting van de woning voor de duur van negen maanden zwaarder mocht wegen dan de belangen van [appellant] bij het voortgezet gebruik van de woning.
Beoordeling van het hoger beroep
4. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat het besluit van 27 februari 2024 niet onzorgvuldig is voorbereid. Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de burgemeester de sluiting van negen maanden noodzakelijk heeft mogen achten. Uit het vonnis van de kantonrechter vloeide namelijk voort dat [appellant] de woning twee weken na de opheffing van de sluiting moest ontruimen. Met het vertrek van [appellant] en het plaatsen van een nieuwe huurder zou het probleem al zijn opgelost. De woningsluiting was ook niet evenwichtig volgens [appellant]. De rechtbank heeft bij haar beoordeling van de evenwichtigheid een onjuiste toets toegepast die wijst op een punitieve sanctie waartegen artikel 6 van het EVRM bescherming biedt. Tot slot was met het vonnis van de kantonrechter een nieuwe situatie ontstaan waardoor de burgemeester geen belang meer had bij de lange duur van de sluiting, aldus [appellant].
4.1. In haar uitspraak van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922, heeft de Afdeling de uitgangspunten weergegeven waarvan zij zal uitgaan bij haar beoordeling van besluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling verwijst voor deze uitgangspunten daarom naar die uitspraak en zal deze hanteren bij de beoordeling van het hoger beroep.
4.2. Wat [appellant] aanvoert over de onzorgvuldige voorbereiding van het besluit van 27 februari 2024 is zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9 en 15 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De burgemeester heeft in het besluit op bezwaar het vonnis van de kantonrechter weliswaar niet expliciet genoemd, maar hij heeft de mogelijkheid van ontbinding van de huurovereenkomst en eventuele plaatsing op de zwarte lijst in algemene zin betrokken in het besluit.
4.3. De gronden die [appellant] heeft aangevoerd over de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid van de woningsluiting zijn zo goed als een herhaling van wat hij daarover in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is ook op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 13, 14, 15 en 17 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Daar voegt de Afdeling nog het volgende aan toe. Op de zitting bij de Afdeling heeft de burgemeester toegelicht dat het vonnis van de kantonrechter er niet voor zorgt dat het niet langer noodzakelijk was om de woning gedurende negen maanden te sluiten. De woningsluiting is namelijk een pandgerichte maatregel die tot doel heeft de woning te onttrekken aan het drugscircuit en de openbare orde in de directe omgeving ervan te herstellen. Vergelijk de uitspraak van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1145, onder 8.5. De ontbinding van de huurovereenkomst tussen [appellant] en Woonplus staat in zoverre los van de noodzaak van de woningsluiting. Wat betreft de door de rechtbank toegepaste toets bij de evenwichtigheid voegt de Afdeling nog toe dat het vaste rechtspraak is dat de sluiting van een woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet geen punitieve sanctie is en geen criminal charge als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Vergelijk de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2464, onder 3.2. Bij de beoordeling van de evenwichtigheid van de maatregel kan de verwijtbaarheid van de betrokkene een rol spelen. Zie de overzichtsuitspraak van 16 juli 2025, onder 11.2.
4.4. De burgemeester hoefde de toezending van het vonnis door [appellant] in de bezwaarfase ook niet aan te merken als een verzoek om opheffing van het besluit van 26 oktober 2023. Het toezenden van het vonnis en de verzoeken van [appellant] aan de burgemeester om spullen op te halen uit de woning gedurende de sluiting, zijn niet te duiden als verzoek om opheffing van de sluiting in de zin van artikel 2.3 van het Besluit van de burgemeester van de gemeente Schiedam houdende regels omtrent het Damoclesbeleid.
4.5. Het betoog slaagt niet.
Schadevergoeding
5. [appellant] heeft verzocht om een vergoeding van de door hem gestelde schade. Het gaat om de kosten van de door [appellant] doorbetaalde huur ter hoogte van € 3.757,50. Hij noemt in dit kader ook de in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten en betaalde griffierechten.
5.1. Uit deze uitspraak volgt dat er geen sprake is van één van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) genoemde gevallen die kunnen leiden tot een vergoeding van door een belanghebbende geleden schade. De Afdeling zal het verzoek van [appellant] daarom afwijzen.
Slotsom
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding moet worden afgewezen.
7. De burgemeester hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzitter, en mr. J.F. de Groot en mr. J.A.W. Huijben, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, griffier.
w.g. Drop
voorzitter
w.g. Bossmann
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026
314-1166
Bijlage
Relevante wet- en regelgeving
Opiumwet
Artikel 13b
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is;
b. een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a voorhanden is.
Damoclesbeleid gemeente Schiedam 2020
1.3 Bevoegdheid
Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder a Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs in een pand die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik, is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking, indien het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt (ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2362/ABRvS 14 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:738). De enkele ontkenning dat de drugs bestemd waren om te worden verhandeld is daartoe onvoldoende (ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2365.) Met andere woorden, er is sprake van een omgekeerde bewijslast.
Ook panden waarin geen handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, maar waarvan het aannemelijk is dat deze gebruikt worden ten behoeve van de productie en/of handel in drugs, kunnen worden gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet (ABRvS 2 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1138).
Sinds 1 januari 2019 is de sluitingsbevoegdheid van de burgemeester uitgebreid. Op grond van artikel 13b, eerste lid, onder b van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3 Opiumwet (harddrugs) of artikel 11a Opiumwet (softdrugs) voorhanden is. Voortaan kan een pand dus ook gesloten worden als er sprake is van strafbare voorbereidingshandelingen. Hierbij moet worden gedacht aan de aanwezigheid van voorwerpen en/of stoffen die bestemd zijn voor het telen en bereiden van drugs, zoals bepaalde apparatuur, chemicaliën, versnijdingsmiddelen, voedingsmiddelen of een drugslab.
1.4 Doelen van een maatregel
Om de rol van het betreffende pand in de productie van drugs en/of handel in drugs ongedaan te maken, recidive en ook verdere nadelige effecten van de handel in en het gebruik van drugs op het openbare leven en andere lokale omstandigheden te voorkomen, wordt het, in beginsel, nodig geacht een last tot sluiting op te leggen. Met deze maatregel wordt de bekendheid van het pand als drugsadres in het criminele circuit tenietgedaan, kan de rust in de omgeving wederkeren en herhaling van deze ernstige verstoring van de openbare orde en verdere aantasting van het woon- en leefklimaat worden voorkomen.
Een sluiting voor een langere periode maakt de locatie onaantrekkelijk voor voortzetting van illegale activiteiten. Een waarschuwing of een sluiting van kortere duur dan drie maanden, wordt in beginsel niet afdoende geacht om bovengenoemde risico’s te verminderen dan wel weg te nemen. In de periode van rust tijdens de sluiting kan bekeken worden in hoeverre de eigenaar maatregelen kan nemen om een en ander in de toekomst te voorkomen. Voorts is signaalwerking een van de doelen van een maatregel. Zowel naar de omgeving als naar kopers, faciliteerders en eigenaren van de aangetroffen drugs. Een kennisgeving van de sluiting wordt zichtbaar aangebracht bij de toegangsdeur(en) van het gesloten pand, zodat duidelijk is dat er niets meer te halen valt.
Schiedam wordt gezien als een stad waar veel geschikte locaties zijn om te gebruiken voor drugsgerelateerde activiteiten. De ligging, vlakbij Rotterdam, speelt daarbij mede een rol. Het is noodzaak Schiedam binnen de regio te positioneren als een gemeente die consequenties verbindt aan dergelijke ongewenste criminele activiteiten. Activiteiten die, de een na de ander, keer op keer, een zware belasting zijn voor de stad en de openbare orde en veiligheid ernstig verstoren. Het risico voor faciliteerders, met name bedrijven en personen die hun pand verhuren of anderszins ter beschikking stellen, wordt door te sluiten erg hoog. De drempel om in zee te gaan met dubieuze bedrijven en personen wordt hierdoor een stuk hoger.
1.5.2 (Zeer) ernstig geval
A. Als ernstig geval, waarbij een sluiting gerechtvaardigd is, is in elk geval, maar niet uitsluitend, te beschouwen:
1. de verkoop, aflevering of verstrekking, dan wel het daartoe aanwezig zijn van handelshoeveelheden softdrugs van meer dan 30 gram, waaronder ook de op verkoop en/of handel gerichte bedrijfsmatige teelt in woningen (meer dan 15 planten), lokalen en/of daarbij behorende erven wordt begrepen;
2. strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 11a Opiumwet (softdrugs).
B. Als zeer ernstig geval wordt beschouwd:
1. het betreffende pand wordt gebruikt ten behoeve van de verkoop, aflevering, productie of verstrekking van harddrugs. Hiervan wordt in beginsel uitgegaan indien meer dan een gebruikershoeveelheid, zijnde 0,5 gram, wordt aangetroffen;
2. strafbare voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a, eerste lid, onder 3 Opiumwet (harddrugs).
3. er is sprake van recidive;
4. de eigenaar van het pand faciliteert dan wel is betrokken bij, de productie, verkoop, verstrekking of levering;
5. het betreft een voor het publiek toegankelijk lokaal;
6. er zijn aanwijzingen dat drugs zijn verkocht dan wel verstrekt aan eindgebruikers;
7. er zijn aanwijzingen dat sprake is van georganiseerde criminaliteit.
2.3 Verzoek opheffen sluiting
Door een belanghebbende kan aan de burgemeester tussentijds schriftelijk worden verzocht de sluiting op te heffen. Bij zijn beslissing op een dergelijk verzoek neemt de burgemeester onder meer in overweging of de te realiseren doelen van de sluiting zijn behaald. Deze afweging wordt mede gemaakt op basis van een door de politie te overleggen bestuurlijke rapportage met een advies over een eventuele opheffing. Van belang bij de besluitvorming hieromtrent is de bereidheid en de bekwaamheid van de eigenaar om aantoonbaar en daadwerkelijk maatregelen te nemen om herhaling van feiten te voorkomen.
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 8:88
1 De bestuursrechter is bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
[…]